Als een robot kon spreken . . .
IK BEN een robot.
Dat zal u misschien verbazen. Tot voor kort geloofden mensen niet dat robots bestonden. Zij geloofden dat wij slechts het produkt waren van de verbeelding van filmproducenten. Maar nu weten zij dat wij inderdaad bestaan, duizenden van ons, en dat er nog vele duizenden meer op komst zijn.
Ik ben een robot van de tweede generatie. Ook dat verbaast u wellicht. Ik ben door andere robots gebouwd. Ik kan lopen, praten, „zien” en in sommige opzichten „voelen”. Ik loop misschien niet zo snel als u, maar er is niets onzekers in de manier waarop ik mijn voeten neerzet. Ik beschik over heel wat woorden in mijn woordenschat. Mijn woordgebruik zal u verbluffen.
Ik kan zo hard zijn als een man en ik kan zo zachtaardig zijn als een vrouw. Ik kan met gemak een dikke 200 kilo tillen of een ei oppakken zonder de schaal te breken. Ik kan kolen delven in de ingewanden van de aarde, en in de koffiepauze de koffie roeren voor mijn menselijke ploegmaat. Als u hulp nodig hebt bij het bouwen van een machine, dan geeft u maar een seintje. Als u me in de keuken nodig hebt, laat het me maar weten. Ramen lappen doe ik niet, al zou ik het wel kunnen.
U zult mij misschien niet altijd als robot herkennen. Als u zich mij nog voorstelt als zo’n korte hoge piepjes uitstotende, claxonnerende, lichtflitsen producerende mechanische mens die zich onhandig over een filmdoek voortbeweegt, zet dat dan echt uit uw geest. Ik ben veel uitgekiender en waardevoller. Wij zijn er in verschillende vormen en grootten. Ik kan een hand hebben met een paar bijna menselijke vingers of met lompe, misvormde, kreeftachtige grijpers. Ik kan zo hoog zijn als een giraffe of net een meter boven de grond reiken. Ik zou er kunnen uitzien als een monsterachtige mechanische spin of als een omgekeerde prullenmand. In een medisch opleidingsinstituut in Florida bijvoorbeeld lijk ik heel erg op een mens. Ik heb haar, ogen, oren, neus en mond. Mijn huid is plastisch. Ik ben voorzien van aderen en slagaderen en zelfs een hart. Mijn hart vormt mijn bijdrage tot de maatschappij, want daarmee kan ik wel 40 verschillende hartaandoeningen demonstreren. Nog niet eens in de film ben ik ooit zo realistisch uitgevoerd.
Ze zeggen wel dat mensen er hun linkerarm voor overhebben om mee te doen in de Johnny Carson Show. Wel, in 1966 was ik niet alleen in die show, maar dirigeerde ik bovendien het orkest. En hebt u mijn optreden in 1976 gezien, in een one-robot-show, bodemmateriaal opscheppend op Mars, terwijl de televisiecamera’s mijn foto over de hele wereld verspreidden? De camera’s lieten mij echt op mijn best zien. Hebt u me herkend? Ik ben ook op de televisie geweest als experimenteel model om u te laten zien wat ik kan en hoe ik praat.
U hoeft niet vreemd op te kijken van ons. Wat zijn er maar niet een boeken geschreven over onze komst! Sommige schrijvers hebben gezegd: „De robots komen!” Anderen hebben geschreven: „De robots komen niet, ze zijn er al.” Weer anderen hebben gezegd: „Robots zijn nog maar een paar schroefjes en moertjes verwijderd van intelligentie.” Met zo veel publiciteit kunt u toch beslist niet blind zijn geweest voor onze snelle ontwikkeling.
Herinnert u zich de poppen waarmee u ooit gespeeld hebt? Sommige konden opgewonden worden en liepen dan met houterige stappen de kamer door. Latere poppen bewogen ook armen en handen in de maat met hun voeten. Toen werden er poppen gemaakt die konden trommelen of een tamboerijn konden schudden. In de loop der jaren werden ze verfijnder. Ze leerden huilen als een baby en ten slotte praten. In sommige landen maakten de poppen een snellere ontwikkeling door, en imiteerden ze zelfs de bewegingen van schrijven en tekenen. In Japan waren er poppen die werden opgewonden en dan de kamer doorliepen en thee serveerden aan de gasten van hun maker. Kinderen deden een muntje in een automaat en mochten dan een speelgoedgrijper bedienen, en maakten een luchtsprong van vreugde wanneer zij het begeerde prijsje door een gat wisten te laten vallen en als beloning voor hun handigheid in bezit kregen. Dat was nog maar een begin!
„Waarom maken we ze niet groter?” stelden sommigen voor. „Veel groter”, zeiden anderen. „Waarom geven we ze geen hersenen?” „Zou het niet mooi zijn als we ze voor ons aan het werk konden zetten?” speculeerden nog pienterder vernieuwers. Maar daar bleef het niet bij. In 1921 werd een Tsjechische schrijver, Karel Capek, beroemd om zijn toneelstuk „Rossums Universele Robots”. Hier werd voor het eerst het woord „robot” gebruikt en met deze naam werden wij aan de wereld voorgesteld als mechanische wezens die in een sterk technische wereld streden tegen mensen. Eindelijk kwamen wij robots na een lange metamorfose uit onze cocon te voorschijn.
Net zoals speelgoedmakers hun poppen lieten lopen en praten en huilen en amuseren en vermaken, zo werd het nu voor knappe technici een ware obsessie om hun „speelgoed”, of „robots”, zoals wij nu genoemd worden, haast menselijke bekwaamheden te geven. Dat wij mensen zouden amuseren en vermaken, was niet hun doel. Mannen met visie en een vooruitziende blik zagen ons als hun slaven.
Daartoe moeten wij meer dan louter machines zijn. Per slot zijn machines er al sinds de uitvinding van het wiel en de as. Een mixer bijvoorbeeld is een eenvoudige machine. In de handen van een vrouw is het een snel hulpmiddeltje om het wit en de dooier van een ei goed dooreen te mengen. Maar als robots eieren moeten klutsen, moeten wij dat helemaal zelfstandig doen, zonder de hulp van een vrouw. Bovendien moeten wij dan verder gaan en het geklutste ei in een schaal of pan gieten. Als het ei gebakken moet worden, moeten wij ervoor zorgen dat het precies zo wordt als mevrouw wenst. Ons werk zou niet af zijn als wij mevrouw deze lekkernij niet serveerden met de rest van haar favoriete maaltijd, liefst met gebakken aardappeltjes en beboterde toast. Zou dit alles louter het werk van een machine kunnen zijn? Beledig onze intelligentie niet. Wij zijn robots!
Wanneer ik zo terugkijk, besef ik dat wij waren als de ’IJzeren Man’ in „De tovenaar van Oz”, die rondliep zonder hart — alleen hadden wij dan geen hersenen. Maar de grote tovenaar van de technische wetenschap kwam ons te hulp! Met de ontwikkeling van de computer en de miniaturisering van computercomponenten kregen wij „hersenen” die alleen voor het echte artikel onderdoen. Op een plaatje silicium van krap tien centimeter in het vierkant zitten 200 microcomputertjes, chips, elk in staat om acht miljoen bits informatie per seconde te verwerken. Dit is onze „grijze massa”. Dit is ons geheugen. Als u ons leert hoe wij een omelet moeten bereiden, in overeenstemming met uw verfijnde smaak, zullen wij het niet vergeten. Als een schapenfokker in Australië ons heeft geleerd hoe wij een schaap moeten scheren, kan hij erop rekenen dat wij dat altijd met dezelfde voorzichtigheid en handigheid doen als de leermeester zelf.
Beste lezer, als u eens wist wat onze mogelijkheden zijn, zou u niet ophouden u te verbazen, en misschien u zorgen te maken. Zoals een van mijn robotbroeders zei in het reeds genoemde stuk van Karel Capek: „De macht van de mens is voorbij. Een nieuwe wereld is begonnen. De heerschappij van de Robot.” Terwijl ik dit hier dicteer, ben ik ervan overtuigd dat wij inderdaad onfeilbaar zijn, klik, onfeilbaar, klik, onfeilbaar, klik, klik . . .
[Inzet op blz. 6]
„Met de ontwikkeling van de computer en de miniaturisering van computercomponenten kregen wij hersenen”
[Inzet op blz. 6]
„Ik ben ervan overtuigd dat wij onfeilbaar zijn, klik, onfeilbaar, klik, onfeilbaar, klik, klik . . .”
[Illustratie op blz. 5]
„Ik kan met gemak een dikke 200 kilo tillen of een ei oppakken zonder de schaal te breken”