Hoe oud zijn de fossielen?
„Chinezen vinden fossiel van 500.000 jaar oude Pekingmens”
LEEST u bij tijden dergelijke krantekoppen? Misschien vraagt u zich af hoe men weet dat het fossiel een half miljoen jaar oud is.
Er zijn verschillende manieren waarop geleerden de ouderdom van fossielen schatten. De methode waarin zij het meeste vertrouwen stellen is die welke gebruik maakt van radioactiviteit. Hoe gaan zij daarbij te werk? Is deze methode werkelijk betrouwbaar?
Gewoonlijk wordt niet het fossiel zelf gedateerd, maar een radioactief mineraal dat in dezelfde gesteentelaag is aangetroffen als het fossiel.
URAAN-LOODDATERING. Uraan is een radioactief element dat zeer langzaam in lood overgaat. De meest voorkomende vorm van uraan, U-238, valt zo langzaam uiteen dat na 4,5 miljard jaar de helft ervan in lood is veranderd. Hoe oud een uraanmineraal is, kan worden vastgesteld door te bepalen hoeveel lood zich erin heeft gevormd.
Een chemische analyse moet dus het uraan- en loodgehalte opleveren en dan is via een eenvoudige berekening de ouderdom ervan te bepalen. De analyse wordt echter bemoeilijkt door het feit dat er verschillende isotopen van lood zijn, en slechts één, lood 206, afkomstig is van uraan 238. De chemicus moet dus de hulp inroepen van de fysicus met zijn massaspectrometer om uit te maken hoeveel er van deze speciale isotoop in het lood aanwezig is.
Er moeten echter twee uitermate belangrijke onderstellingen waar zijn, wil de uitkomst juist zijn:
Ten eerste dat er geen lood in het uraanmineraal werd ingesloten toen het in het afkoelende magma van gesmolten gesteente werd gevormd. Als er wel enig lood aanwezig was, zou het pasgevormde gesteente reeds miljoenen jaren oud lijken.
Ten tweede dat er geen lood uit het mineraal is ontsnapt. Als een deel van het lood uit een oud mineraal zou zijn uitgeloogd, zou het mineraal in de analyse veel jonger lijken.
U ziet dus dat de methode niet absoluut betrouwbaar is. Niettemin heeft men door bedacht te zijn op zulke mogelijke valstrikken, redelijk betrouwbare dateringen kunnen toekennen aan veel oude gesteente-formaties. Met behulp van deze methode is de ouderdom van de oudste delen van de aardkorst op meer dan vier miljard jaar gesteld.
Maar de uraanmineralen worden niet in dezelfde gesteenten aangetroffen als de fossielen. Dit komt doordat in stollingsgesteente, of zelfs in metamorf gesteente dat onder invloed van hitte veranderd is, elk fossiel vernietigd zou zijn. Voor het dateren van fossielen moeten dus andere radioactieve klokken worden gebruikt.
KALIUM-ARGONDATERING. Kalium is in de wereld der mineralen een veel voorkomend element. Het heeft een zeer zeldzame isotoop, K-40, die uiteenvalt met een halfwaardetijd van 1,3 miljard jaar. Het grootste deel ervan gaat over in calcium, maar 11 procent valt op een andere manier uiteen en wordt argon. Nu is argon een inert gas. Het gaat geen verbindingen aan met andere elementen en wordt gewoonlijk alleen in de atmosfeer aangetroffen. Maar het radioactieve proces is er verantwoordelijk voor dat mineralen, zoals veldspaat, die kalium bevatten dat gedurende een lange periode niet is verstoord, ingesloten argon bevatten.
Deze eigenschap van kalium wordt benut ingeval fossielen onder een regen van vulkanische as zijn begraven. De theorie van de kalium-argondatering is heel simpel. Bij een vulkaanuitbarsting verliest het gesmolten gesteente dat wordt uitgeworpen, het argon dat daarin voordien uit het kalium was gevormd. Het uitgeworpen materiaal stolt als de vulkanische wolk afkoelt, en het erin voorkomende kalium’ dat nu vrij is van argon’ begint opnieuw argon te vormen. Aldus is de kalium-argonklok op nul gezet, en kan alles wat door de uitbarsting is begraven, worden gedateerd via een analyse van de as waarin het ingebed ligt.
De theorie klinkt goed, maar in de praktijk rijzen er moeilijkheden die weer samenhangen met de basisonderstellingen. Aan de ene kant zou de mogelijkheid dat er argon uit het mineraal is ontsnapt, de ouderdomsbepaling te laag doen uitvallen. Aan de andere kant is misschien niet al het argon door de vulkanische hitte uit de lava gekookt, en dat zou betekenen dat de klok in het begin al verkeerd stond.
Dit kan vooral ernstig zijn in die gevallen waarin de kalium-argonmethode wordt toegepast op betrekkelijk jonge afzettingen — laten wij zeggen, jonger dan een paar miljoen jaar. Het minste spoortje argon dat in de as achterblijft, zal aanleiding geven tot een enorme fout. Stel bijvoorbeeld dat bij een vulkanische uitbarsting een afzetting wordt gevormd met een kalium bevattend mineraal erin, dat voor die eruptie gedurende miljarden jaren argon heeft gevormd. Zou slechts een achtste procent van dat argon achterblijven in de as, dan zou aan een zojuist in die as begraven bot bij datering reeds een ouderdom van een miljoen jaar worden toegekend.
Dit mag dan niet zo’n ernstige fout zijn voor een afzetting van zo’n honderd miljoen jaar oud. Maar u begrijpt wat een dergelijke fout zou betekenen voor elke beweerde ouderdom van een vermeende menselijke voorouder die in de Olduvaikloof in Tanzania is gevonden — een fossiel waarvan wordt beweerd dat het één à twee miljoen jaar oud is. Het is moeilijk om seconden te lezen op een klok die alleen een uurwijzer heeft.
Als bevestiging dat men zich niet op de wetenschappelijke datering kan verlaten, het volgende. Twee geleerden wilden een nieuwe vondst in verband brengen met een eerdere vondst, die gedateerd was op een ouderdom van 65 miljoen jaar. Volgens de kalium-argonmethode was hun nieuwe vondst echter slechts 44 miljoen jaar oud — 21 miljoen jaar minder. Geen probleem — waar een wil is, is een weg. De twee geleerden „schreven dit toe aan het verlies van argon of aan onzuiverheden”, aldus Science News van 18 juli 1981. Flodderwerk wanneer het hun uitkomt, een dogmatische houding als dat niet het geval is.
RADIOKOOLSTOFDATERING. De radiokoolstofklok, die gebaseerd is op een halfwaardetijd van koolstof 14 van een 5500 jaar, is veel bruikbaarder voor ouderdomsbepalingen binnen de tijdspanne van ’s mensen bestaan op aarde. In dit geval maken wij geen gebruik van een radioactief element dat al sinds de schepping aanwezig is. Met een dergelijke korte levensduur zou al de radiokoolstof reeds eeuwen geleden verdwenen zijn. Maar deze isotoop wordt voortdurend gevormd door de inwerking van kosmische straling op de atmosfeer van de aarde.
In alle levensvormen bevindt zich overal in al hun delen koolstof, en van deze koolstof is het percentage koolstof 14 gedurende hun leven gelijk aan het percentage van deze radiokoolstof in het kooldioxide in de atmosfeer. Als ze sterven, met aarde bedekt raken en afgesloten zijn van de atmosfeer, vervalt de koolstof 14 geleidelijk en verdwijnt. Wordt er dus een oud stuk hout of houtskool opgegraven, dan kan men het percentage overgebleven koolstof 14 meten en zeggen hoelang geleden dit hout deel uitmaakte van een levende boom.
Maar opnieuw is dit nog pas de theorie. In de praktijk zijn er veel dingen die een verkeerde uitkomst kunnen veroorzaken. Eén ding dat een monster gemakkelijk waardeloos kan maken, is mogelijke besmetting met ander materiaal dat hetzij oudere of jongere koolstof bevat.
De ernstigste vraag, vooral met betrekking tot zeer oude proefmonsters, is of de radiokoolstof in de oudheid in dezelfde verhouding in de atmosfeer aanwezig was als thans. Er is geen manier om dit na te gaan, omdat dit afhangt van de kosmische straling, die met een behoorlijk veranderlijke intensiteit en spreiding de aardse atmosfeer treft. Als bijvoorbeeld om een of andere reden gedurende de vroegste geschiedenis van het mensdom de intensiteit van de kosmische straling gemiddeld slechts de helft bedroeg van die van thans, zou ieder monster uit die tijd 5500 jaar ouder lijken dan het in werkelijkheid is.
Daar wij er niet achter kunnen komen hoe intens de kosmische straling in het verleden was, doen wij er verstandig aan om koolstof-14-dateringen alleen te aanvaarden voor de periode waarvoor de klok met historisch materiaal is geijkt, namelijk tot ongeveer 3500 jaar geleden. Dateringen die verder teruggaan, zijn wellicht in toenemende mate onnauwkeurig.
HOE BETROUWBAAR ZIJN DE DATERINGEN DUS? Is de fossiele Pekingmens werkelijk 500.000 jaar oud? Laten wij eens zien wat de Encyclopædia Britannica erover zegt. Sprekend over het verband leggen tussen fossielen van soortgelijke dieren die in gesteentelagen op verschillende plaatsen ter wereld zijn gevonden, zegt dit naslagwerk:
„Dit soort bewijsmateriaal heeft geleid tot de voorlopige conclusie dat de Homo erectus in wezen van vroeg-middenpleistocene ouderdom is. . . . de jongste aanvaarde echte vertegenwoordigers van H. erectus in het fossielenverslag vormen naar het schijnt de groep vondsten van Peking in China, Trinil op Java, Ternifine in Algerije, en de schedel van hominide 9, die in Olduvai (Tanzania) werd opgegraven. Herhaalde kalium-argondateringen van de Trinil-afzettingen leverden als schatting van hun ouderdom 550.000 VH (vóór heden). . . . het schijnt een redelijk voorstel om het tijdperk van Homo erectus van 1.500.000 tot 500.000 VH te nemen.”
Merk op hoe men steeds een slag om de arm houdt om maar geen definitieve bewering te hoeven doen — woorden zoals „voorlopige”, „naar het schijnt”, „schatting”, „redelijk voorstel”. Er wordt niet gesproken over een datering van de fossiele Pekingmens. Aan het einde van een heel bouwsel van gevolgtrekkingen blijkt de conclusie ten slotte gegrond te zijn op een analyse waarin de hele 500.000 jaar ook verklaard zou zijn als in het kali-mineraal slechts een duizendste deel van het vroeger opgehoopte argon was achtergebleven. Als wij verder zien dan de krantekoppen, ontdekken wij geen deugdelijk bewijs voor de wijd en zijd geproclameerde beweringen over de ouderdom van de Pekingfossielen.
Als iemand aanmerkingen wil hebben op het bijbelse verslag over de schepping van de mens, dan kan hij de tegenstrijdige beweringen van wetenschappelijke dateringsmethoden gebruiken om zijn standpunt te rechtvaardigen. Maar als hij eerlijk is, dan zal hij moeten erkennen dat zulke methoden te feilbaar en te onbetrouwbaar zijn om het geloof van iemand die de bijbel als Gods woord der waarheid aanvaardt, met succes te bestrijden.
[Inzet op blz. 13]
Er moeten twee uitermate belangrijke onderstellingen waar zijn, wil de uitkomst juist zijn
[Inzet op blz. 14]
Het is moeilijk om seconden te lezen op een klok die alleen een uurwijzer heeft
[Inzet op blz. 15]
Het is verstandig om een koolstof-14-dateringen alleen te aanvaarden als ze met historisch materiaal geijkt kan worden
[Inzet op blz. 15]
Als wij verder zien dan de krantekoppen, ontdekken wij geen bewijs voor de beweringen over de ouderdom van de Pekingfossielen