Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g82 22/2 blz. 16-19
  • De indrukwekkende zwarte arend

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De indrukwekkende zwarte arend
  • Ontwaakt! 1982
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Goedgebouwde nesten
  • Een uitvoerige hofmakerij
  • Een jong grootbrengen
  • Het arendsjong vliegt
  • Gedegen onderwijs
  • Opvaren met vleugels als arenden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1996
  • Arend
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Arend
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Het oog van een arend
    Ontwaakt! 2002
Meer weergeven
Ontwaakt! 1982
g82 22/2 blz. 16-19

De indrukwekkende zwarte arend

Door Ontwaakt!-correspondent in Zuid-Afrika

BOVEN ons hoofd klinkt een schrille kreet. Twee valken vallen hoog in de lucht een zwarte vrouwtjesarend aan. Eén valk stort zich omlaag, maar de arend beantwoordt deze aanval door zich op haar rug te wentelen en haar klauwen uit te slaan. Nu duiken beide valken achter elkaar naar beneden. Weer gooit de arend zich om ten einde de aanval af te slaan. Maar zal ze deze omgekeerde vlucht lang genoeg kunnen volhouden om het hoofd te bieden aan de tweede aanval? Met een volmaakte beheersing voert ze een dubbele rolbeweging uit, net op tijd om de aanval af te weren. Wat een prachtig staaltje van vliegkunst!

De zwarte arend, met zijn vleugelspanwijdte van 1,8 meter, wordt in Zuid-Afrika, in heel Oost-Afrika en helemaal tot in Israël aangetroffen. Zoals zijn naam te kennen geeft, is de vogel glanzend zwart van kleur. Over de rug loopt een witte vlek in de vorm van een „V”. Wanneer de vogel vliegt, geven lichte vlekken aan de vleugelpunten de indruk dat de vleugels doorzichtig zijn.

Goedgebouwde nesten

Het nest bevindt zich gewoonlijk op een onbereikbare richel van een steile rotswand. Een paar zwarte arenden kunnen twee of zelfs drie nesten hebben — alle in hetzelfde gebied — die ze beurtelings naar believen gebruiken. Het afwisselend gebruik van de nesten draagt er wellicht toe bij ze vrij te houden van parasieten. Zwarte arenden zijn kraakzindelijk.

Het nest is kunstig gebouwd en wordt elke keer dat het wordt gebruikt, vergroot en weer in orde gebracht. Het is aan de basis misschien wel een 1,5 meter in doorsnee en bijna even hoog, en bestaat uit takken ter dikte van de duim van een mens. Mannetje en wijfje bouwen het nest samen. Hoewel het mannetje de takken zal aanbrengen op de plaats waar ze volgens hem het beste passen, zal zijn wijfje ze toch vaak opnieuw ordenen. Daarbij kan het gerust gebeuren dat ze een tak weer in zijn oorspronkelijke positie terugbrengt, maar dan is ze er tenminste van overtuigd dat het ook echt de beste plaats is. Het nest is in elk geval geen lukrake takkenbos.

De nestkom in het midden wordt ten slotte bekleed met groene twijgen en bladeren die veelvuldig worden vervangen. Deze vormen een zachte bekleding en moeten misschien zorgen voor de vochtigheid die nodig is om de eieren te laten uitkomen.

Een uitvoerige hofmakerij

Nadat de nesten in het midden van mei zijn opgeknapt, begint een uitvoerige hofmakerij. Dit heeft niet ten doel een wijfje te veroveren, want deze arenden blijven hun leven lang bij elkaar, waarbij sommige wel 50 jaar worden. In plaats daarvan vormt het een inleiding tot het paren, en beide arenden geven enkele staaltjes van adembenemende vliegacrobatiek weg.

Nu en dan zal het mannetje van bovenop het wijfje toevliegen, en dan zal ze zich bij zijn nadering op de rug wentelen. Het paar grijpt elkaars klauwen vast en laat zich vallen, waarbij ze een behoorlijk eind naar beneden tollen voordat ze elkaar loslaten. Bij andere gelegenheden zullen de vogels als het ware een slingerbeweging beschrijven: omhoogstijgend en omlaag duikend en aan het einde van de zwaai op één vleugel kerend. De verhoudingen van gewicht en vleugeloppervlak en van lengte en breedte van de vleugels zijn uitstekend afgestemd op de eisen die de arend stelt.

Een jong grootbrengen

Begin juni leggen zwarte arenden hun eieren. Gewoonlijk komen er met een interval van één tot vier dagen twee eieren, en het broeden duurt ongeveer 44 dagen. Overdag worden de eieren beurtelings door het mannetje en het wijfje bebroed, maar het wijfje neemt de hele nacht voor haar rekening.

Hoewel er twee eieren in het nest liggen, zal slechts één arend worden groot gebracht. Soms zal het wijfje een van de eieren vernietigen als duidelijk is dat het andere een levend jong bevat. Andere keren laat ze beide eieren uitkomen. In dat geval overheerst de eerstgeborene gewoonlijk het tweede jong, dat spoedig sterft. De oudervogels doen niets om dit te voorkomen, hoewel er een overvloed aan voedsel voor beide vogels is. Hoe komt dit?

Waarom het arendengezin instinctief wordt beperkt, is niet duidelijk. Het is beslist niet aan een tekort aan voedsel te wijten. Een factor is misschien de grondige opleiding die een arend nodig heeft, want één jong schijnt reeds de complete aandacht van beide ouders op te eisen.

Maar waarom moeten er dan twee eieren zijn? Als er één ei werd gelegd, zou het kunnen gebeuren dat het ten gevolge van onvruchtbaarheid, een ongeluk of wegens roofdieren niet zou uitkomen. Twee eieren doen de kansen op een voorspoedig broedsel toenemen en verzekeren het voortbestaan van de arend. Wanneer bij het uitkomen van twee eieren blijkt dat de eerstgeborene iets mankeert, zal de jongste gaan domineren en in de plaats van zijn broertje of zusje in leven blijven.

Als het jong tegen de eischaal tikt, weet het mannetje dat het ei op het punt staat uit te komen. Hij gaat op zoek naar een malse jonge Kaapse klipdas (Procavia capensis, de „klipdas” van de bijbel [Lev. 11:5]). Onder normale omstandigheden bestaat 99 procent van het voedsel van de zwarte arend uit deze diertjes. De klipdas weegt wel 4 kilo en wordt meestal met huid en haar verslonden. Dit lijkt misschien vreemd maar de beenderen verschaffen calcium dat voor de voeding van de arend onontbeerlijk is. De huid met haar bont schijnt de spijsvertering te bevorderen.

De uitgelezenste delen van de prooi gaan naar het pas uitgekomen kuiken dat nog niet meer is dan een balletje wit dons. Gretig verslindt het de repen vlees die de oudervogels van de prooi trekken. Naarmate het jong opgroeit, leert het een prooi te verscheuren en de moeilijker te verorberen delen zoals de beenderen en de huid naar binnen te werken.

Er zijn nog andere dingen waarin het jong reeds vroeg moet worden onderwezen. Om het nest schoon te houden, moet het jong leren zijn ontlasting buiten het nest te laten vallen en daarbij op te letten uit welke hoek de wind komt. De moedervogel kan het jong verplaatsen door haar voet eronder te schuiven en ermee naar de rand van het nest te lopen totdat het jong leert op de juiste plaats zijn behoefte te doen. Naarmate de vogel ouder wordt, is een vastberaden poot op zijn poot en een betekenisvolle blik voldoende om het jong te laten weten dat het in beweging moet komen.

Er blijkt veel tijd te gaan zitten in het grootbrengen van een arend. In feite zullen er 95 tot 100 dagen verstrijken eer de jonge arend zal beginnen te vliegen.

Het arendsjong vliegt

Naarmate het tijdstip voor de eerste vliegles nadert, raakt het arendsjong steeds gefrustreerder door de kleine omvang van het nest. Het slaat andere vogels gade, strekt zijn vleugels en poten uit, klappert met zijn vleugels en hupt op en neer. De veren zijn volledig volgroeid, maar het verenkleed is nog niet zo glanzend zwart als van de oudervogels. De jonge vogel is gevlekt bruin en roodbruin van kleur en zal pas met de rui van zijn derde jaar het verenkleed van een volwassene krijgen. De ouders voelen dat de tijd om uit te vliegen is aangebroken en brengen een dag of zo geen voedsel meer naar het nest. Het is ongetwijfeld het beste dat de eerste vlucht met een lege maag wordt ondernomen!

Wat is het sein tot de eerste vlucht? Gewoonlijk is het een lokroep die een van de oudervogels vanaf een nabijgelegen roestplaats of in het voorbijvliegen laat weerklinken. Als dit alles niet helpt, zal een onverhoedse por het arendsjong het luchtruim doen ’kiezen’. Met de gevoelige slagpennen aan de vleugeleinden voelt het arendsjong de druk en de stroom van de lucht. In dit stadium weet de vogel echter niet hoe hij op de verkregen inlichtingen moet reageren en is de vlucht derhalve van korte duur. Het jonge dier zweeft langs de berghelling omlaag naar de lagere hellingen om daar na een weinig elegante landing met snelkloppend hart uit te rusten. Daarop voorzien de oudervogels hun nakomeling van voedsel. Vervolgens is de jonge vogel, die meer vertrouwen heeft gekregen, klaar om opnieuw een proefvlucht te wagen. Na nog enkele onhandige pogingen begint hij zijn vleugels onder controle te krijgen.

Gedegen onderwijs

Het volgende punt op het onderwijsprogramma is het arendsjong de kunst van het jagen bij te brengen. Vaak geven beide oudervogels een soort luchtshow weg en trekken de aandacht van de klipdassen, die zich graag op rotsen in de zonnewarmte koesteren, daarbij hun vijand, de zwarte arend, scherp in de gaten houdend. Ten slotte zal één arend zich naar beneden laten vallen en terwijl de steile rotsen hem aan het gezicht onttrekken, zal hij snel om een hoek zwenken en een argeloze klipdas van achter grijpen. De dood treedt ogenblikkelijk in. Met de kracht van de snelvliegende vogel erachter, slaat de nagel van de achterteen in het lichaam van de prooi. De voorste nagels klemmen zich om het dier en de dode klipdas wordt in dezelfde zwaai opgetild en in die ene klauw naar het „slagersblok” gevoerd, vaak een rots, waar de prooi onthoofd en aan stukken gescheurd zal worden. De jonge arend observeert al deze handelingen.

Er gaat heel wat werk in zitten om de jonge arend tot een bedreven vlieger op te leiden. De vogel moet leren zich te laten optillen door de winden die door een rotswand worden omhooggebogen, hij moet leren duiken en zweven. Voor lange tochten kiest de arend een dag waarop de windrichting tegengesteld is aan de richting van zijn vlucht. Wanneer de zon vervolgens is opgegaan en de lucht in de dalen verwarmt, duikt hij van een rotshoogte af. Al heel gauw vindt hij een grote verwarmde luchtbel. Door binnen die luchtbel te cirkelen stijgt de arend misschien 4000 meter omhoog. Wanneer de opwaartse druk afneemt, zet de vogel koers naar zijn plaats van bestemming. Door zich in glijvlucht te laten zakken behoudt de arend zijn snelheid. Tegelijkertijd verleent de windstroom over de vleugels de vogel een opwaartse druk. Op deze wijze kan hij honderden kilometers afleggen die hem enkel bij de start enige vleugelslagen kosten.

Volledig voor zijn levenstaak toegerust wordt de jonge arend door zijn ouders uitgeleide gedaan. Ze brengen hun nakomeling heel ver van huis waarna ze hem achterlaten om een levensgezel te zoeken en een eigen gezin te stichten.

Wanneer wij een arend in de lucht zien, hebben wij alle reden om onder de indruk te zijn. Een studie van de dierenwereld kan werkelijk boeiend zijn. Wij zijn verbaasd over het prachtige ontwerp dat daarin zo duidelijk te zien is. Zulke dieren nemen niet slechts een noodzakelijke plaats in in het algehele evenwicht in de natuur, maar ze doen dit met een bevalligheid en schoonheid die de eigenschappen van hun Schepper weerspiegelen. Net als de bijbelschrijver Agur kunnen wij alleen maar bewondering hebben voor „de weg van een arend in de hemel”. — Spr. 30:18, 19.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen