Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g82 22/2 blz. 3-8
  • „Ik heb de ondergang van de Titanic overleefd”

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • „Ik heb de ondergang van de Titanic overleefd”
  • Ontwaakt! 1982
  • Vergelijkbare artikelen
  • De Titanic: Het beroemdste schip uit de geschiedenis
    Ontwaakt! 2012
  • Maar zult u de ondergang van dit stelsel overleven?
    Ontwaakt! 1982
  • Van onze lezers
    Ontwaakt! 1983
  • Angst op zee
    Ontwaakt! 1972
Meer weergeven
Ontwaakt! 1982
g82 22/2 blz. 3-8

„Ik heb de ondergang van de Titanic overleefd”

HET begon allemaal toen ik een bezoek bracht aan mijn bejaarde ouders en oom in Jacksonville, in Florida (VS). Dit was kort voordat mijn oom stierf, nu enkele maanden geleden. Zoals gewoonlijk gingen wij op zondagochtend naar de Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen om een openbare lezing bij te wonen. Wij hoorden een prachtige toespraak met als thema: „Zult u de ’laatste dagen’ overleven?” Op weg naar huis zei mijn oom: „Die lezing deed me denken aan de keer dat ik een verschrikkelijke ramp heb overleefd.” Hij zweeg even en voegde er toen aan toe: „Weet je, ik heb de ondergang van de Titanic overleefd.”

Later vroeg ik mijn oom, Louis Garrett, mij over zijn ervaringen op de Titanic te vertellen.

„Laat me bij het begin beginnen”, zei hij. „Ik ben in 1900 geboren in Hakoor, een klein bergdorpje in Libanon, zo’n 130 à 140 kilometer ten noorden van Beirut. Mijn familie bezat daar een met waterkracht aangedreven stenen molen die tarwe tot meel maalde. Mijn vader was de dorpsmolenaar. Er werd besloten dat het gezin naar de Verenigde Staten zou emigreren. In 1904 verlieten mijn moeder en mijn twee zussen Libanon. Later, in 1906, vertrok mijn oudere broer naar de Verenigde Staten. In 1912 zouden mijn vader, mijn zus en ik naar de Verenigde Staten vertrekken en zo de emigratie van het gezin compleet maken.

In maart 1912 gingen we per schip naar Marseille in Frankrijk. Daar boekten we passage op de Titanic, die zijn eerste reis zou maken naar New York. De datum van vertrek was 10 april 1912. Mijn vader moest in Marseille achterblijven omdat hij wegens een ooginfectie niet door de vereiste lichamelijke keuring heen kwam.” Mijn oom glimlachte en zei nadrukkelijk: „Een heel gelukkige wending in de gebeurtenissen voor hem!”

„Mijn zus was 14 jaar”, vervolgde hij, „en ik was 12 toen we aan boord van de Titanic gingen. We waren verdrietig dat we vader moesten achterlaten, maar opgewonden dat we ons aan boord van de Titanic bevonden, het grootste, snelste en meest luxueuze schip in die tijd — het was, naar men zei, zelfs onzinkbaar! Er waren ruim 2200 mensen aan boord, onder wie enkelen van de rijksten en invloedrijksten van die tijd. Velen bevonden zich aan boord van de Titanic om zijn eerste reis te vieren. Zo iets was erg in zwang in de hoogste kringen. De snelheid van het schip was als verwacht. De aankomst in New York was gepland op woensdag 17 april. Het water was kalm, het weer echt kil, zoals je dat in april kon hebben.

Op zondag 14 april, onze vijfde dag op zee, werd het ongewoon koud — zo bitter koud dat er niet veel mensen buiten op het promenadedek waren. Wij hoorden dat er gewaarschuwd werd voor ijsbergen in dat zeegebied. Er werd niet verwacht dat ze waargenomen zouden worden op de route van het schip, dus voer de Titanic op volle kracht verder. De kapitein van de Californian, een ander schip in het noorden van de Atlantische Oceaan, stuurde echter radiotelegrafisch een waarschuwing naar de Titanic dat er ijsbergen op onze vaarroute gezien waren. Deze waarschuwing werd genegeerd. De prijs die betaald moest worden voor de overmoed van kapitein Smith was beslist erg hoog: bijna 700 mensen van zijn bemanning en ruim 800 passagiers.

Omstreeks 11.45 uur ’s avonds op zondag 14 april werden mijn zus en ik door een schok wakker. Zij lag in de bovenste kooi in de hut en riep: ’Er is iets mis!’

’Ga maar weer slapen’, riep ik haar toe. ’Je maakt je veel te veel zorgen.’ Al gauw kwam een bejaarde man, die wij aan boord hadden ontmoet en die een vaderlijke belangstelling voor ons had opgevat, naar onze hut en zei kalm: ’Kom je hut uit en ga naar het bovendek. Laat je spullen maar hier. Dat komt later wel.’

We hadden tussendeksbiljetten, wat betekende dat we naar het tweedeklasdek mochten. Maar tweedeklas- en tussendekspassagiers konden niet door een bewaakt hek dat naar het eersteklas-bovendek leidde. Er werd ons echter gezegd dat het verstandig zou zijn naar het eersteklas-bovendek te gaan omdat we dan meer kans zouden maken in een reddingsboot te komen. Dit was alleen mogelijk door via een ijzeren ladder vanaf het tussendek beneden langs vijf of zes dekken naar de reddingsboten boven te klimmen. Het kostte ons heel wat moeite, want het was voor mijn zus een hele opgaaf de ijzeren ladder op te klimmen. Maar met de hulp van anderen lukte het.

Wat een aanblik! De meeste reddingsboten waren al weg. De bemanning stond alleen vrouwen en kinderen toe de reddingsboten in te gaan — er waren er niet genoeg voor iedereen. Wij zagen vrouwen huilen omdat zij hun man niet wilden achterlaten; mannen die hun vrouw en kinderen smeekten toch haast te maken en in de reddingsboten te stappen. En midden in dit helse kabaal en de massahysterie stonden mijn zus en ik, twee immigrantenkinderen, geen woord Engels sprekend, doodsbang, huilend en hulp zoekend.

De laatste reddingsboot werd gevuld. Een heer van middelbare leeftijd hielp zijn heel jonge, zwangere vrouw in de reddingsboot, keek toen om naar het dek en zag anderen die aan boord wilden. Hij kuste zijn vrouw vaarwel en pakte bij zijn terugkeer op het dek de eerste de beste die zich op zijn pad bevond. Gelukkig stond ik daar op het juiste moment op de juiste plek en hij zette mij in de reddingsboot. Ik gilde om mijn zus, die versteend was van angst. Met de hulp van anderen werd ook zij in de reddingsboot geduwd. Wie was de ridderlijke heer die deze goede daad had verricht? Ons werd verteld dat het John Jacob Astor IV was. Hij was toen 48 jaar en zijn vrouw, Madeleine, was 19. Zij reisden naar de Verenigde Staten omdat zij wilden dat hun kind daar geboren werd. Er zijn heel wat kranteartikelen geschreven waarin is verteld hoe John Jacob Astor zijn leven gaf voor een jonge immigrant. In de familieannalen van de Astors staat vermeld dat, volgens mevrouw Astor, de heer Astor woorden had met een lid van de bemanning die hem probeerde te beletten zijn vrouw in de reddingsboot te helpen. Hij deed het toch. En, zoals ik al zei, hij kuste haar en begon na zijn terugkeer op het dek anderen in de reddingsboot te helpen.

Ik was blij dat ik in de reddingsboot zat, maar ik voelde me verdrietig om degenen die op de Titanic achterbleven. Terwijl ik omkeek naar dat grote, prachtige schip, kon ik het vanuit een ander perspectief zien en doordat er nog enkele lichten aan waren, zag ik de omvang en schoonheid van het schip. In de stilte van de nacht en omdat het geluid zich over water zo goed voortplant, konden wij de scheepskapel aan dek horen spelen en mensen het ’Nader, mijn God, tot u’ horen zingen. De bemanning roeide zo ver mogelijk van het schip weg. Men was bang dat er een zuiging zou ontstaan als het ten slotte in de diepten van de oceaan zou wegzinken. Dat gebeurde niet en er volgde evenmin een explosie zoals sommigen hadden gedacht. Het water was ongewoon kalm die nacht en dat was maar goed ook, want de meeste reddingsboten waren overladen met mensen.

De Titanic zonk omstreeks 2.20 uur in de nacht van 15 april 1912, zo zeggen de rapporten. Ik heb het afschuwelijke einde van het schip gezien. Het moment waarop het zonk, heeft een herinnering in mijn geest geprent die me tot op de dag van vandaag niet loslaat: Het akelige geluid van de mensen die kermden en buiten zichzelf om hulp gilden toen zij in het ijskoude water werden geslingerd. Bijna allemaal kwamen zij om door het koude water. De geluiden hielden zo’n 45 minuten aan en stierven toen weg.”

Mijn oom zweeg even, in gedachten verzonken. Toen vervolgde hij: „Er was omstreeks middernacht een SOS uitgezonden. Het werd opgevangen door het S.S. Carpathia van de Cunard White Star Line. Het schip was op weg naar Gibraltar en bevond zich op ongeveer 93 km afstand. Het verlegde onmiddellijk z’n koers en stoomde ons met volle kracht te hulp. Het kwam omstreeks 4.30 uur ’s ochtends aan. Een ander schip, het S.S. Californian, was slechts 32 km verwijderd van de plek waar de Titanic zonk, maar de marconist had het SOS-signaal niet opgevangen omdat hij buiten dienst was. Uit latere berichten bleek dat de Californian wel vuurpijlen in de nacht had gezien maar dacht dat de passagiers op de Titanic vuurwerk afstaken om de eerste reis te vieren.

De Carpathia voltooide de reddingswerkzaamheden omstreeks 8.30 ’s ochtends. Wij waren in onze reddingsboot bij de laatsten die gered werden. Nadat ik aan boord was gebracht, in kleren was gewikkeld, hete thee had gekregen en op m’n gemak was gesteld, was ik blij dat ik nog leefde, al had ik dan een jas en schoenen aan die veel te groot waren.

Later riep de kapitein van de Carpathia alle overlevenden aan dek om naar de ijsberg te kijken. Mijn 12-jarige geest registreerde hem als een gevaarte zo hoog als een huis van twee verdiepingen, maar veel breder en met een enorme schoorsteen. Het schip zette ons in New York af voordat het de reis naar Gibraltar voortzette, een zeer vriendelijke daad van de directie van de Cunard White Star Line. Wij kwamen op donderdag 18 april om 8.30 uur ’s avonds in New York aan en werden naar de aanlegsteiger van de Cunard White Star gebracht.

Als ik terugblik naar die lange uren in de reddingsboot, dan schijnt het me nu een wonder toe dat wij veilig op de Carpathia zijn beland. De bittere kou was bijna ondraaglijk. Wij kropen dicht tegen elkaar om warm te blijven. De mensen waren goed voor elkaar. Ik herinner me nog hoe winderig het was op het dek van de Carpathia. De wind was aangewakkerd tot snelheden van verscheidene knopen per uur. Gelukkig was de wind net lang genoeg uitgebleven voor het reddingswerk. Was het water al die tijd niet kalm en vlak gebleven, dan is het twijfelachtig of de reddingsoperaties zo goed zouden zijn geslaagd.”

„Zijn er ook mensen in de reddingsboten gestorven?” vroeg ik.

„Ik weet slechts van één persoon in onze reddingsboot die stierf van de kou. Het lichaam werd in een laken gewikkeld en overboord gezet.”

„Zaten er ook mannen in uw reddingsboot?”

„Alleen vrouwen en kinderen, zoals de bemanning had verordend, met uitzondering van een paar bemanningsleden die als roeiers dienden. Er was één jong echtpaar met een baby dat de bemanning ’ertussen had genomen’. De vrouw was heel listig; zij trok haar jonge echtgenoot dameskleding aan, bedekte zijn hoofd met een sjaal en gaf hem de baby. Hij zat in één reddingsboot en zij zat in de onze. Beiden werden door de Carpathia gered.

Bij aankomst in New York verwachtten wij naar Ellis Island gebracht te worden om de immigratieformaliteiten te vervullen. Dit werd echter achterwege gelaten omdat de overlevenden al zoveel smart en lijden hadden doorgemaakt. Wij werden aan de hoede van het Rode Kruis toevertrouwd om met onze familie verenigd te worden. Mijn oudere broer, Isaac, was in New York en onze ontmoeting was een mengeling van vreugde en droefheid. Mijn vader was nog in Frankrijk. We kwamen echter tot de conclusie dat als hij bij ons op de Titanic was geweest, hij het niet overleefd zou hebben wegens de alleen-vrouwen-en-kinderen-regel. Misschien zouden wij het dan ook niet overleefd hebben. We zouden het moeilijk gevonden hebben vader aan boord van de Titanic achter te laten en ons eigen leven veilig te stellen. Gelukkig voor hem arriveerde hij drie maanden later veilig met een ander schip.”

Mijn oom pauzeerde, in gedachten bij die verschrikkelijke ervaring. Ten slotte verbrak ik zijn mijmeringen. „U hebt die tragedie overleefd. Maar wanneer hebt u nu gehoord over de dreigende verdrukking van de ’laatste dagen’?”

„Dan moet ik je van 1912 meenemen naar 1930”, zei hij. „Een colporteur uit Brooklyn had een bezoek gebracht aan Jacksonville in Florida, waar het gezin van mijn oudere broer en mijn gezin, bestaande uit mijn vrouw, mijn zoon en ik, woonden. Mijn oudere broer had de bijbel bestudeerd met enkele getuigen van Jehovah die Arabisch spraken. Hij was zelf een actieve Getuige geworden. De colporteur, George Kafoory genaamd, belegde verscheidene vergaderingen voor Arabisch sprekenden. Ik kreeg een exemplaar van het boek De harp Gods in het Arabisch. Na veel gedebatteer met mijn broer raakte ik zo van streek dat ik op ’t laatst tegen hem zei: ’Ik verstoot je als broer omdat je je oorspronkelijke Grieks-orthodoxe godsdienst hebt verlaten. Ik kan niet geloven dat je nooit meer het teken van het kruis, het symbool van de Drieëenheid, zult maken.’

Ik hield van mijn broer en ik vond het verschrikkelijk dat er zo’n kloof tussen ons was gekomen. Maanden later kwam ik dat exemplaar van De harp Gods dat ik had gekregen toevallig weer tegen. Het was onder het stof geraakt, maar ik sloeg het open en begon vroeg in de middag te lezen, en ging tot na middernacht door. De waarheid van Gods Woord begon in mijn hart door te dringen. Ik ging meedoen met een studie die voor Arabisch sprekenden werd gehouden en werd in 1933 gedoopt.

Er was nog een gebeurtenis in mijn leven die eruit springt. In 1949 kon ik het mij financieel veroorloven een reis te maken waarvan ik al jaren had gedroomd. In Libanon had ik een oudere halfbroer die ik wilde bezoeken en met wie ik de Koninkrijkshoop wilde delen. Op de vlucht terug naar Libanon, voerde onze route ons over Groenland en ook bijna vlak over de plek waar de Titanic was gezonken. Ik werd overweldigd door mijn emoties toen ik neerkeek op het koude water van de Atlantische Oceaan en mijn gedachten over die droeve gebeurtenis liet gaan.

Een stewardess die opmerkte dat de tranen over mijn gezicht stroomden, boog zich naar mij over, klopte me op de arm en vroeg zacht: ’Scheelt er iets aan? Kan ik iets voor u doen?’ Ik antwoordde: ’Nee, ik dacht alleen maar aan toen ik nog een jongen van 12 jaar was. Ik was op een groot schip, de Titanic, dat zonk en in datzelfde water daar beneden kwamen ruim 1500 mensen om. Ik kan die afschuwelijke ochtend en de kreten om hulp die uit de duisternis en dat ijskoude water opstegen, nog steeds niet vergeten.’ ’Wat erg’, zei de knappe donkerharige stewardess. ’Ik heb wel eens over de ramp met de Titanic gelezen.’

Ik voltooide de reis naar Libanon. Gelukkig interesseerde mijn oudere halfbroer zich voor de bijbel. Later werd ook hij een opgedragen christelijke getuige van Jehovah.”

Mijn oom Louis besloot zijn verhaal met de hoop uit te spreken dat Gods koninkrijk het huidige satanische samenstel van dingen zal vervangen.

„De waarheid van Gods Woord”, verklaarde hij, „is een leidende kracht in mijn leven geweest. Ik ben Jehovah dankbaar dat hij mijn leven bij de ramp met de Titanic heeft gespaard en dat ik de gelegenheid heb gehad hem nu in deze kritieke ’laatste dagen’ te dienen.” Hij woonde dicht bij zijn oudere broer en diens vrouw en samen met hen diende hij Jehovah zo goed als in zijn vermogen lag tot aan de dag van zijn dood. Nooit hield hij op te bidden of Gods wil net zoals in de hemel ook op aarde mocht geschieden (Matth. 6:9, 10). Hij koesterde de krachtige hoop dat, mocht hij vóór Armageddon sterven, God hem door een opstanding tot leven uit de macht van het graf zou verlossen.

[Inzet op blz. 6]

Wij konden de scheepskapel aan dek horen spelen en mensen het ’Nader, mijn God, tot u’ horen zingen

[Inzet op blz. 7]

Ik kan die afschuwelijke ochtend en de kreten om hulp die uit de duisternis en dat ijskoude water opstegen, niet vergeten

[Kader/Kaart op blz. 4]

(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)

VS

NEW YORK

NEWFOUNDLAND

WAAR DE „TITANIC” VERGING

IERLAND

ENGELAND

SOUTHAMPTON

FRANKRIJK

[Kader]

Woensdag 10 april: „Titanic” uit Southampton vertrokken voor eerste reis, met ongeveer 2200 personen aan boord. Na kort oponthoud in Frankrijk en Ierland werd koers gezet naar New York.

Zondag 14 april: Het werd zeer koud. „Titanic”, gewaarschuwd voor ijsbergen op zijn route, stoomde door met snelheid van 22 knopen. Kort voor middernacht stootte hij op een ijsberg, ongeveer 150 km ten zuiden van de Newfoundland Banks.

Maandag 15 april: „Titanic” zonk slechts 2 uur en 40 minuten na botsing, met een verlies van 1500 levens. Het schip was 2570 km ten noordoosten van zijn bestemming.

[Kader/Illustratie op blz. 5]

De „Titanic”, 269 m lang, was het grootste schip ter zee. Zijn bruto inhoud overtrof die van toenmalige slagschepen met 5000 ton. De romp was verdeeld in 16 waterdichte compartimenten en omdat vier daarvan vol konden lopen zonder dat het schip zou zinken, werd het als onzinkbaar beschouwd. „Qua veiligheid, . . . geloofde men, kon niets de ’Titanic’ overtreffen” („New York Times”, 16 april 1912). Maar de fatale ijsberg scheurde over 90 m de zijkant van het schip open, waardoor vijf van zijn waterdichte compartimenten volliepen en de „onzinkbare” „Titanic” ten onder ging.

[Illustratie op blz. 8]

Sommige passagiers weigerden acht te slaan op de waarschuwingen om het schip te verlaten

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen