Mijn eerste marathon
Bij het 23-mijl-punt vroeg ik me af: „Wat doe je hier? Je lijkt wel gek!”
IK BEGON met hardlopen om een vriend gezelschap te houden. Ik vond er niets aan. Het was koud en mijn spieren deden pijn. Toen begon ik het prettig te vinden. Ik voelde me verkwikt, sliep beter, verloor gewicht, het ademen ging gemakkelijker en mijn rugpijn hield op.
Ongeveer een jaar deed ik met tussenpozen aan hardlopen; toen begon ik over de Newyorkse marathon te denken. Zou ik die kunnen uitlopen? Ik wist dat het niet mee zou vallen. Daarom was het waarschijnlijk zo’n uitdaging. Elke mijl die ik liep ging me gemakkelijker af. Ten slotte, op een dag, twee en een halve maand vóór de gebeurtenis in kwestie, liep ik 22 mijl (35 km) en wist ik dat ik het kon. Ik liet me inschrijven.
De dag van de wedloop was ik om 5.30 uur op, ik ontbeet met pannekoeken met het oog op de koolhydraten, deed strekoefeningen en vertrok met mijn vrouw naar de wedstrijd.
De eerste drie mijl keek ik om mij heen naar de andere hardlopers: jongeren, ouderen, sommigen helemaal in stijl gekleed, anderen in afgeknipte spijkerbroek. De mensen stonden twee en drie rijen dik langs de straten. Sommigen riepen aanmoedigingen, anderen hielden borden op met teksten als: „We zijn trots op je, pa!” of „Je haalt het, Bob!” Een vader en een zoon van tien jaar liepen samen. „Waarom doet u dit?” vroeg ik aan de vader. „Om iets samen met mijn zoon te doen.” Vier uur later bereikten zij samen de finish.
Toen ik het 11-mijl-punt passeerde, liep ik met gemak — gewoon een gemakkelijk zondags eindje. Vóór mij kon ik hoofden op en neer zien dansen, achter me zag ik hetzelfde beeld, een zee van op en neer gaande hoofden. Mijn oren waren vol van het geluid van duizenden stampende schoenen. Ik voelde me een onderdeel van een speciaal leger dat New York binnentrok.
Het grootste deel van de weg dacht ik aan wat ik had gelezen over het lopen van lange afstanden. Ontspan je, adem goed, overschrijd je grenzen niet, luister naar je lichaam. Pas op voor oneffen wegen en gaten in het wegdek. Drink water voor de wedstrijd en om de drie mijl. Hoe help je een slachtoffer van warmtestuwing? Hoe weet je of je er zelf het slachtoffer van dreigt te worden? Ik kwam bij een man die twee waterposten had overgeslagen — hij was oververhit, kreeg kramp en liep de wedstrijd niet uit.
Bij het 20-mijl-punt komt voor vele hardlopers „de man met de hamer”. Je hebt het idee dat je geen stap meer verder kunt, je spieren worden stijf en je denkt dat je krampen krijgt. Vanaf dat moment is het een kwestie van wilskracht. Voor mij kwam dit moment toen ik Central Park indraaide, op het 23-mijl-punt. Ik vroeg me af: „Wat doe je hier? Je lijkt wel gek!” Elk heuveltje werd een berg.
Ik begon het gezichtje van mijn vrouw te zoeken — dan zou ik weten dat de finish nabij was. Er kwam een ambulance uit de tegengestelde richting en ik dacht: „Dat had ik kunnen zijn.” Toen schreeuwde iemand me toe: „Je haalt het!” en gooide me een halve sinaasappel toe. De hele weg hadden de mensen twee en drie rijen dik langs de straten gestaan, maar nu vormden ze een corridor van vijf en zes rijen dik en juichten je toe alsof je de winnaar was.
Ik lag een uur achter op de winnaar, maar ik haalde het en werd overstelpt door het gevoel iets bereikt te hebben. Bij de finish kreeg ik iets te drinken, m’n tijd werd geregistreerd en ik kreeg een medaille als bewijs dat ik de eindstreep had gehaald. Mijn vrouw stond daar klaar om me te omhelzen en te kussen en met schone kleren voor me.
Die avond thuis lag ik in bed in het donker naar het plafond te kijken en ik glimlachte. Ik had de langste marathon ter wereld gelopen en ik voelde me geweldig!
Er bestaat echter nog een wedloop en daar ben ik nog veel enthousiaster over. De apostel Paulus sprak erover: „Alle hardlopers in het stadion trachten te winnen, maar slechts één van hen krijgt de prijs. Gij moet net zo hardlopen, met de bedoeling om te winnen. Alle deelnemers aan de vuistkamp leggen zichzelf een streng trainingsprogramma op; hun enige reden hiervoor is dat zij een krans willen winnen die zal verwelken, maar wij doen het voor een krans die nooit zal verwelken. Wel, zo loop ik dan ook, ik wil winnen. Zo boks ik dan ook, ik wil niet in de lucht slaan.” — 1 Kor. 9:24-26, The Jerusalem Bible.
Ik besteed misschien een uur of twee per week aan jogging, maar als bedienaar van het evangelie besteed ik ruim 50 uur per week aan een wedloop zoals die waarover Paulus sprak. De marathon vergt drie of vier uur volharding; de christelijke wedloop duurt een leven lang. Laten wij „met volharding de ons voorgestelde wedloop lopen”, zei Paulus. Elders vermaande hij: „Het woord des levens stevig vasthoudend, opdat ik op de dag van Christus reden tot juichen kan hebben dat ik niet tevergeefs heb gelopen of tevergeefs hard heb gewerkt.” — Hebr. 12:1; Fil. 2:16.
Lichamelijke oefening heeft wel wat nut voor me, maar ik houd het altijd op een ondergeschikte plaats, in het besef dat oefening in godvruchtige toewijding veel nuttiger is omdat die tot eeuwig leven leidt (1 Tim. 4:8). Ik zou willen dat alle hardlopers dit beseften. — Ingezonden.