Prachtig en pienter
Zinvolle schoonheid
De aanblik van schitterende vlindervleugels ontlokt vaak uitroepen van bewondering aan zowel jong als oud. Maar die vleugels zijn blijkbaar niet alleen een prachtig instrument waarmee vlinders zich verplaatsen. Ze dienen ook als een verfijnd systeem voor temperatuurbeheersing om het koudbloedige insekt warm genoeg te houden om te functioneren. In feite, zo zegt het tijdschrift „Natural History”, „hebben nagenoeg alle vlindersoorten, ongeacht afmeting en kleur, thorax- [borststuk-]temperaturen van 27 °C of hoger nodig om een beheerste vlucht te kunnen aanvangen.
Een onderzoeker ontdekte dat de gemiddelde thorax-temperatuur van 50 vlindersoorten gedurende normale activiteit 35 °C was; bij verscheidene soorten varieerde de temperatuur van 28° tot 41° C. De koudbloedige vlinder houdt dus met behulp van zijn vleugels zijn lichaamstemperatuur binnen een zelfde soort bereik als warmbloedige zoogdieren en vogels (32° — 40° C).
Afhankelijk van soort en omstandigheid kunnen de vleugels zich plat uitspreiden om een maximum aan zonnestraling te absorberen, zich verticaal of onder een hoek uitstrekken of zelfs dienen als een schild voor het borststuk om de noodzakelijke temperatuur te handhaven — een hele prestatie voor een bescheiden insekt!
Het ongelooflijke brein van de bij
De ongelooflijke wijsheid die er schuilt in het brein van een nietige bij, laat geleerden steeds weer versteld staan. Het tijdschrift „Natural History” beschrijft een experiment dat „misschien wel het meest verbijsterende argument verschaft tegen de veronderstelling dat bijen niets meer zijn dan elegante uurwerkjes”. Een bord met een suikeroplossing wordt bij de korf gezet en om de paar minuten verplaatst over steeds grotere afstanden, totdat het per keer wel 30 meter of meer wordt verplaatst. Volgens het artikel hebben onderzoekers allen opgemerkt dat er „een tijd komt tijdens de oefening dat de bijen het beginnen te ’snappen’, gaan voorzien waar het voedsel vervolgens zal staan, die afstand vliegen, en daar wachten”.
De schrijver vraagt zich af: „Ik kan mij niets indenken in verband met [het verzamelen van nectar uit] bloemen dat een reden zou kunnen verschaffen voor het ontwikkelen van zo’n gedragspatroon. Òf de bijen zijn heel erg slim òf ze zijn geprogrammeerd met zo’n uiterste finesse dat wij in twijfel verkeren ten aanzien van de bron van hun vermogens. . . . als wij erkennen dat zelfs het programmeren van een één milligram wegend brein van een honingbij te ingewikkeld is om gemakkelijk onderscheiden te worden van een soort van insekten-’vrije wil’, waar blijven wij dan met betrekking tot het analyseren van de bronnen van ons eigen ongelooflijk gecompliceerde, soortspecifieke menselijk gedrag?” Mensen met waardering blijven bij de erkenning van de „Programmeur” die de Bron is van al deze ongelooflijke scheppingen.