Hebt u zich ooit afgevraagd —
Maakt het werkelijk iets uit wat u gelooft?
IN 1553 stierf de Spaanse medicus Michael Servet in Genève op de brandstapel. Zijn misdaad? Hij had argumenten aangevoerd tegen de leerstelling van de Drieëenheid. Ongelukkigerwijs leefde hij in een tijd dat een geloofsovertuiging een zaak van leven of dood kon zijn.
Er is inmiddels veel veranderd. Het is waar dat er landen zijn waar christenen lijden ondergaan omdat zij hun geloof in het openbaar verkondigen en in landen zoals Noord-Ierland en Libanon leiden religieuze geschillen tot bloedvergieten. Maar in veel landen staat men tegenwoordig opmerkelijk verdraagzaam — zelfs onverschillig — tegenover religieuze aangelegenheden. Het atheïsme viert hoogtij. Velen stellen zich zeer gereserveerd op tegenover dat wat hun kerken leren. En over het algemeen wordt het aan de mensen zelf overgelaten te beslissen welke religie zij zullen aanvaarden, zo zij al enige religie zullen aanhangen.
Aangezien dit zo is, is het beslist passend om te vragen: „Maakt het werkelijk iets uit wat u gelooft? Dient religie niet als een louter persoonlijke aangelegenheid te worden bezien?” Beschouw eerst het volgende:
MAAKT HET WERKELIJK IETS UIT OF WIJ AL DAN NIET IN GOD GELOVEN?
Wel, dat hangt ervan af. Neem eens een man die geregeld de kerkdiensten van een of andere religie bijwoont. In zijn dagelijkse leven is hij echter oneerlijk, vertelt hij leugens en is hij wellicht zelfs een dief of een immoreel persoon. Voor zo iemand zou het naar ons idee niet veel uitmaken wat hij beweert te geloven.
Als wij echter werkelijk geloven dat God bestaat, maakt het wel iets uit. Waarom? Omdat wij zullen vinden dat wij Hem verantwoording verschuldigd zijn. Wanneer wij bijvoorbeeld voor een beslissing of een verleiding komen te staan, zullen wij derhalve niet alleen denken „Wat zou ik willen?”, maar ook bedenken: „Wat zal God behagen?” De apostel Paulus verklaarde eens: „Een ieder van ons [zal] voor zichzelf rekenschap afleggen aan God.” — Rom. 14:12.
’Als dat nu zo is’, zullen sommigen wellicht zeggen, ’dan is het toch veel beter om niet in God te geloven. Wij genieten dan grotere vrijheid om te doen wat wij willen.’ Deze gedachtengang zou echter alleen nut hebben wanneer het bestaan van God louter een hypothetische kwestie was; dat wil zeggen, indien er geen deugdelijk bewijs voorhanden was of God wel of niet bestond. Dit is niet het geval. Er bestaan overweldigend veel bewijzen dat God wel degelijk bestaat en zich om ons bekommert.
Daarom mag dan het feit zich voordoen dat het bestaan van God tot op zekere hoogte onze vrijheid beperkt, toch opent dit niettemin de weg tot zegeningen die anders onbereikbaar zouden zijn. Het beschermt ons tegen verkeerde beslissingen en de slechte gevolgen die veel goddeloze personen door hun zogenaamde vrijheid ondervinden. In deze tijd van spanning en vrees kunnen wij de „vrede van God die alle gedachte te boven gaat” smaken (Fil. 4:7). En in een tijd waarin de toekomst somber en onzeker lijkt, kunnen wij een gevoel van vrede en zekerheid hebben terwijl wij ons vertrouwen op God stellen. De psalmist zei: „Let op de onberispelijke en houd de oprechte in het oog, want de toekomst van die man zal vredig zijn.” — Ps. 37:37.
Het maakt wel degelijk iets uit of wij al dan niet in God geloven. Maar als wij in God geloven, kunnen wij hem dan naar eigen goeddunken op elke willekeurige wijze aanbidden?
MAAKT HET WERKELIJK IETS UIT TOT WELKE RELIGIE WIJ BEHOREN?
Het antwoord is Ja, omdat hetgeen wij omtrent God geloven en de wijze waarop wij hem aanbidden, ons als mensen sterk beïnvloedt.
De meeste mensen worden bijvoorbeeld met afschuw vervuld wanneer zij lezen over de wrede martelingen die de Inquisitie eens toepaste op degenen die in de ogen van de Inquisiteurs ketters waren. Toch werden zulke gruwelen bedreven door personen die geloofden dat God zondaars in een eeuwig hellevuur pijnigde. Per slot van rekening gaven zij hun slachtoffers slechts een voorproefje van datgene wat volgens hun opinie God in het hiernamaals voor eeuwig met hen zou doen.
Ja, de geschiedenis heeft aangetoond welke enorme uitwerking religie op mensen heeft. De vruchtbaarheidsriten van de Kanaänieten uit de oudheid brachten een verdorven en losbandig geslacht voort. De aanbidding van wrede goden droeg ertoe bij dat Assyrië een van de boosaardigste wereldmachten in de menselijke geschiedenis werd. Personen die oprecht in een rechtvaardige en liefdevolle God geloven, hebben daarentegen altijd getracht de raad van de apostel Paulus op te volgen: „Wordt . . . navolgers van God.” — Ef. 5:1.
Er is nog iets om over na te denken. Jezus zelf zei: „De ware aanbidders [zullen] de Vader met geest en waarheid . . . aanbidden” (Joh. 4:23). Waarheid is niet met zichzelf in tegenspraak. Niet alle met elkaar in strijd zijnde leringen van de wereldse religies kunnen waar zijn. Vandaar dat er enkele oprechte religieuze mensen moeten zijn die geen ware aanbidders zijn omdat zij God niet overeenkomstig de waarheid aanbidden.
HOE KUNNEN WIJ ERVAN OVERTUIGD ZIJN DAT WAT WIJ GELOVEN DE WAARHEID IS?
Dit is geen oneerbiedige vraag. Het is geen zonde wanneer iemand in het licht van de bijbel zijn geloofsovertuigingen onderzoekt om zich ervan te vergewissen of ze wel of niet waar zijn. De apostel Paulus gaf de raad: „Vergewist u van alles, houdt vast aan dat wat voortreffelijk is.” — 1 Thess. 5:21.
De bewijzen laten zien dat God wel degelijk bestaat en dat hij zichzelf, zijn naam en zijn voornemens door middel van zijn Woord, de bijbel, heeft geopenbaard. Als wij de bijbel lezen en toepassen wat wij leren, zullen wij tussen de valkuilen van dit leven door worden geleid en zullen wij een wonderbaarlijke hoop op een toekomstig leven verkrijgen. Gelooft u dat? Het maakt stellig iets uit of u dit al dan niet gelooft. Wij nodigen u uit de hulp van Jehovah’s Getuigen te aanvaarden om de proef op de som te nemen. Dan kunt ook u de gelukkige verzekering verkrijgen dat de dingen die u gelooft, de waarheid zijn.