Katholieken uiten bezorgdheid over hun kerk
ONDANKS haar grijze tweedkostuum was de vrouw toch een non. Zij was zelfs de generale overste van de Zusters van Barmhartigheid van Potomac in de Amerikaanse staat Maryland. Als voorzitster van de „Leiderschap”-conferentie van Vrouwelijke Religieuzen leidde zij paus Johannes Paulus II in toen deze in Washington (D.C.) 5000 van haar medenonnen zou toespreken. In haar welkomstwoorden sprak zij haar diepe bezorgdheid uit over de gedragslijn van het Vaticaan om geen vrouwen tot het ambt toe te laten. Toen de paus naar voren trad om de menigte toe te spreken, stonden 53 nonnen, allen in burgerkleding, als een zwijgend blijk van protest op.
„Ik schaam mij diep voor mijn kerk”, zei een paar maanden later, ditmaal in Europa, de Zwitserse theoloog Hans Küng toen hem werd medegedeeld dat Rome van oordeel was dat hij „niet langer kon worden beschouwd als een rooms-katholiek theoloog”. Waarom niet? Omdat hij onder andere de leerstelling der pauselijke onfeilbaarheid verwierp en hij vraagtekens plaatste bij de godheid van Christus.
Ofschoon veel katholieken de Vaticaanse veroordeling van Küng steunden, schreven 50 Spaanse theologen in een open brief dat zij het niet eens waren met Rome. Inmiddels tekenden 67 Amerikaanse en Canadese theologen een verklaring waarin zij bezwaar maakten tegen het feit dat Küng officieel werd beschreven als iemand die ’niet langer een rooms-katholiek theoloog’ was.
Dit zijn tekenen van een toenemende bezorgdheid die oprechte katholieken uiten ten aanzien van de ontwikkelingen binnen hun kerk. Niet alleen leken maar ook geestelijken gaan in steeds sterkere mate aan de kerk twijfelen. Door het officiële Vaticaanse dagblad L’Osservatore Romano gepubliceerde verklaringen duiden er zelfs op dat de problemen onder de geestelijkheid ernstige vormen hebben aangenomen. Beschouw eens enkele voorbeelden:
Minder priesters
L’Osservatore Romano van 16 mei 1979 zegt: „Wij worden geconfronteerd met een sterk dalend aantal [seminaristen in Italië]. De tendens begon zich ongeveer 10 jaar geleden af te tekenen en heeft zich tot op de dag van vandaag voortgezet. Het verschijnsel vormt een onderdeel van een meer algemene tendens die typerend is voor heel Europa.”
De laatste 10 jaar hebben dan ook volgens het officiële Vaticaanse dagblad een gestadige teruggang in het aantal priesterkandidaten te zien gegeven. Zoals uit bijgaande tabellen blijkt, is de achteruitgang zeer groot geweest. In Italië bedroeg het aantal seminaristen dat zich in 1978 liet inschrijven slechts een derde van het aantal van 1962! In Frankrijk was het aantal priesterwijdingen in 1974 minder dan een derde van het aantal wijdingen in 1965!
Het Vaticaanse dagblad wijst erop dat „de achteruitgang in het aantal seminaristen tot een overeenkomstige daling in het aantal seminaries heeft geleid. In 1970 waren er in totaal 375 tegen 259 in 1978. . . . Van een hoogtepunt van 918 [priesters] die in 1966 [in Italië] werden gewijd, zijn wij in 1978 op een minimum van 384 terechtgekomen”.
Deze gang van zaken is niet slechts tot enkele Europese landen beperkt. Volgens het Italiaanse dagblad La Stampa „is uiteindelijk becijferd dat [over de gehele wereld] tussen 1965 en 1975 ten minste veertigduizend priesters, onder wie diocesane priesters en geestelijken die tot religieuze orden behoren, alsook twintigduizend nonnen, de heilige orden hebben verlaten”.
Dalend kerkbezoek
Hoe staat het ondertussen met de katholieke leken? Sommige katholieken vrezen dat velen straks alleen nog in naam katholiek zullen zijn, en zij hebben uit Italiaanse publikaties de volgende cijfers aangehaald. Het kerkbezoek in Frankrijk en Italië is de laatste 15 tot 20 jaar met meer dan de helft gedaald. In Italië, waar naar schatting 99 procent van de bevolking als katholiek te boek staat, woont minder dan een derde van hen geregeld de mis bij! En dan zijn de Italianen nog trouwere kerkgangers dan de Fransen, van wie slechts 16 procent elke week de kerk bezoekt.
Wanneer de mening van jonge mensen een aanwijzing vormt voor de toekomst, hebben Italiaanse katholieken nog meer reden voor bezorgdheid. Het Italiaanse tijdschrift Panorama heeft jonge Italianen tussen de 16 en 24 jaar geïnterviewd en vastgesteld dat slechts 12,6 procent van oordeel was dat geestelijke waarden het belangrijkste in het leven waren.
Opstandige jonge priesters
Nu het lagere aantal kandidaten voor het priesterschap leidt tot wat men een ’roepingencrisis’ noemt, schijnen de seminaries zich niet te kunnen veroorloven al te kieskeurig te zijn ten aanzien van degenen die zich aanmelden. De gevolgen daarvan zijn voor de katholieken verontrustend geweest, zowel in Italië als in de gehele wereld.
Een katholieke leek schreef in 1976 in het Italiaanse tijdschrift Seminari e Teologia dat „in antwoord op de ’roepingencrisis’ de deuren van de seminaries wijd zijn opengezet en dat er onder meer een zeer bont gezelschap jonge mensen naar binnen is gehaald”. Vervolgens beschreef hij de priesters die van dergelijke seminaries afkwamen als „opstandig, aanmatigend, oneerbiedig en bijna altijd onherstelbaar marxistisch georiënteerd”.
Deze katholieke leek kenschetste de nieuwe generatie Italiaanse priesters als „onruststokers die hun activiteiten ontplooien vanuit ontwijde hoofdkwartieren vol opruiende, omverwerpende aanplakbiljetten” en voegde eraan toe: „En laat de bisschop maar proberen iets tegen deze figuren te ondernemen. Wij hebben gezien wat er dan kan gebeuren — het is bijna een revolutie.” Wiens schuld is het? Deze schrijver verklaart „De fout ligt bij degenen die de teugels stevig in handen zouden moeten hebben maar die ze zich hebben laten ontrukken, hetzij uit zwakheid of lafhartigheid, hetzij omdat ook zij voor de nieuwe moderne ideologieën gewonnen zijn.”
Wat de paus doet
Paus Johannes Paulus II heeft duidelijk te verstaan gegeven dat hij zich als kerkleider door niemand de „teugels” uit de handen wil laten rukken. Religieuze publikaties hebben de laatste maanden gesproken van pauselijke ’disciplinaire maatregelen’ tegen vrijzinnige theologie, morele laksheid en klerikale onrust. Zoals echter uit het begin van dit artikel bleek, ondervindt de paus tegenstand van personen die in kerkelijke aangelegenheden een vooraanstaande positie bekleden.
Illustratief voor zowel de pauselijke aanpak als voor de wereldomvattende aard van het probleem met betrekking tot de geestelijkheid is het bericht in het Italiaanse tijdschrift Avvenire dat de paus de Sociëteit van Jezus (de jezuïeten) flink de les had gelezen. Hij sprak de wereldomvattende orde (27.700 leden in 106 landen) toe en zei: „Stellig ben ik niet onwetend van het feit . . . dat de crisis die in deze tijd het religieuze leven treft, uw Sociëteit niet heeft ontzien.” Op de jezuïeten, die „een reputatie hebben opgebouwd dat zij de theoretische basis verschaffen voor de betrokkenheid van de kerk in politieke en sociale kwesties”, werd een beroep gedaan om niet „te zwichten voor wereldse neigingen”. — New York Times van 7 december 1979.
Een aan het Vaticaan verbonden Amerikaanse priester zei dat de paus ’ontsteld is over de algemene verlaging van de seksuele maatstaven in het religieuze leven, met inbegrip van homoseksualiteit’ en hij voegde eraan toe dat er berichten zijn binnengekomen dat veel jonge jezuïeten in de VS „niet geloven in een leven na de dood, niet geloven dat Jezus de zoon van God is en zelfs ’s zondags de mis verzuimen”.
De Vaticaanse veroordeling van de theoloog Hans Küng is nog een voorbeeld van de wijze waarop de paus ’disciplinair optreedt’ en ook andere theologen staan wellicht moeilijkheden te wachten. In december 1979 werd Edward Schillebeeckx, een vrijzinnige Nederlandse theoloog, door de „Congregatie voor de Geloofsleer” in Rome aan de tand gevoeld. Dit comité, dat Küng veroordeelde, is de moderne vervanging van het Heilig Officie. Andere theologen, zoals de Braziliaanse franciscaner priester Leonardo Boff, zijn ook door de Congregatie voor de Geloofsleer ontboden om een verklaring af te leggen.
Tijdens zijn reizen in de herfst van 1979 deed de paus op wereldomvattende schaal en in welsprekende bewoordingen een krachtig beroep op katholieken om de eenheid te bewaren. Hij beklemtoonde de noodzaak zich te houden aan strikte maatstaven van morele zuiverheid, en nam stelling tegen overspel, homoseksualiteit en abortus. Hiervoor oogstte hij veel lof, zelfs van niet-katholieken.
Terzelfder tijd is de paus echter in gebreke gebleven om officiële kerkelijke standpunten te matigen die bij veel katholieken impopulair zijn, met inbegrip van het verbod van anticonceptie en het verplichte priestercelibaat.
Ironische situatie
Dit alles heeft een ironische situatie doen ontstaan. In zijn stellingname tegen abortus en de toelating van de vrouw tot het ambt, of in zijn verdediging van de strikte seksuele moraal heeft de paus zich op de ondersteuning van de Heilige Schrift beroepen. Terzelfder tijd bleek hij erg gevoelig te zijn voor kritiek op de leerstelling der pauselijke onfeilbaarheid — een leerstelling die niet in de bijbel voorkomt, zoals zijn critici opmerken. Ja, Küng verklaart zelfs dat deze leerstelling een ontwikkeling vertegenwoordigt die totaal in strijd is met de geest van de bijbel.
De critici van de paus beweren dat hij de Heilige Schrift niet ten volle in aanmerking neemt wanneer hij weigert toe te staan dat katholieken op terreinen als anticonceptie hun eigen geweten volgen. Toch bevinden diezelfde critici zich over het algemeen in de voorste gelederen van een „nieuwe stroming” in wetenschappelijk denken die grote delen van de bijbel onder „geïnspireerde fictie” rangschikt.
Welk standpunt zulke geleerden ten aanzien van de bijbel innemen, werd belicht door een artikel in het tijdschrift Newsweek getiteld: „Wie was Jezus?” Daarin werd verklaard dat de „meeste nieuw-testamentici van mening zijn dat op z’n minst enkele uitspraken die aan Jezus worden toegeschreven, werkelijk van hem zijn en dat er plannen worden gemaakt voor een nationale conferentie waarop geleerden tot overeenstemming zullen proberen te komen met betrekking tot de vraag welke passages dan authentiek zijn”. Wanneer dergelijke personen de bijbel als autoriteit aanhalen, moet men zich afvragen hoe ernstig zij hun eigen argumenten opvatten.
„Stelt uzelf op de proef”
De Katholieke Bijbel (door L. Himmelreich) geeft alle christenen de raad „Stelt uzelf op de proef of ge in het geloof zijt, onderzoekt uzelf!” (2 Kor. 13:5) Het is passend dat katholieken zowel zichzelf als de geestelijke staat waarin hun kerk verkeert, aan een onderzoek onderwerpen.
Natuurlijk is de katholieke Kerk geenszins de enige religieuze organisatie die tegenwoordig veranderingen ondergaat. In diverse protestantse denominaties wordt zwaar gedebatteerd over onderwerpen als de toelating van de vrouw tot het ambt, de opneming van homoseksuelen in de kerk, de rol van de bijbel in het kerkelijke onderwijs en de aanvaarding van de eigentijdse morele maatstaven in de gemeente.
Vormen deze zaken ook in uw kerk een punt van discussie? Zo ja, dan bent u het aan uzelf verplicht goed bekend te zijn met de bijbelse beginselen die erbij betrokken zijn. Of u nu katholiek of protestant bent, u zult de op deze bladzijde verschafte bijbelse beginselen wellicht nuttig vinden. Waarom zou u ze niet vergelijken met de uitspraken die de leiders van uw kerk doen?
[Tabel op blz. 9]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
SEMINARISTEN (in Italië)
1962 30.595
1978 9853
[Grafiek op blz. 10, 11]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
VERDWIJNENDE GEESTELIJKHEID
Sinds 1881 is de bevolking van Italië verdubbeld, terwijl het aantal priesters is gehalveerd, van 84.834 tot 40.866
(priesters per 1000 Italianen)
1881 (2,9)
1977 (0,72)
VERDWIJNENDE KUDDE
(percentage Italianen dat geregeld naar de mis gaat)
1956 69%
1977 28%