Jagen en vissen — zoals men dat ook heel vroeger deed
MISSCHIEN wel de meeste mensen die vissen, hebben daartoe een net of een hengel in hun uitrusting. De jacht beoefent men gewoonlijk met een geweer. Maar als lid van de Mandaya-stam in het zuiden van de Filippijnen heb ik leren jagen en vissen zonder dat alles!
Mijn opleiding begon toen ik vijf jaar oud was. De methoden die wij toepasten, zullen door velen misschien als primitief bestempeld worden, maar ons gezin verheugde zich in een overvloed van vlees en vis uit de provisiekast van het oerwoud. Soortgelijke methoden werden waarschijnlijk duizenden jaren geleden gebruikt toen God, na de vloed van Noachs dagen, tot het mensdom zei: „Al het zich bewegende gedierte dat leeft, mag u tot voedsel dienen.” — Gen. 9:2, 3.
Vissen volgens de oerwoudmethode
Als wij bijvoorbeeld gingen vissen, gebruikten wij geen hengels of netten. Wat gebruikten wij dan? Dikwijls alleen onze blote handen! Mijn vader leerde mij tussen de rotsen en de begroeiing van de rivierbedding met mijn handen vissen, garnalen, kreeften of krabben te vangen. Ook leerde ik een mand van bamboe of doornen te gebruiken. ’s Avonds deed ik daar dan aas in en de volgende morgen zat er — hopelijk — een vangst in.
In onze stam werd bij het vissen dikwijls van pijl en boog gebruik gemaakt. Ik leerde op een over het water hangende tak te hurken en het geluid van bepaalde vissen na te bootsen. Als ze aan de oppervlakte kwamen, schoot ik mijn pijl af en dook er achteraan om mijn vangst op te halen.
Een andere manier waarop wij vis vingen, was door een gat in de rivieroever te graven, ongeveer 60 centimeter breed, 75 centimeter lang en 30 centimeter diep. Vóór deze inham maakten wij een hek van bamboelatjes. In het hek zat een deurtje dat zo was gemaakt dat de vis gevangen zat als hij, op zoek naar voedsel, naar binnen zwom.
Weer een andere methode was dat vijf of tien personen samenwerkten. Wij maakten dan eerst een soort opvangplaats aan het eind van een vijver of riviertje en waadden daar langzaam door het water naar toe, terwijl wij voortdurend met stokken op het water sloegen. Vissen, schildpadden en zelfs kleine krokodillen werden de afsluiting binnengedreven. Jazeker, óók de krokodillen aten wij op!
Grote palingen zwommen dikwijls onder boomstronken, wortels, takken of bladeren. Om ze te vangen, staken wij eenvoudig met een lange speer in deze rommel. Als daar een paling zat en wij raakten hem, dan kwam hij vanzelf boven drijven.
Als de nachten donker waren, lokten wij de prooi met een licht. Wanneer deze dicht genoeg genaderd was, gebruikten wij het passende wapen om hem af te maken.
Technieken van de oerwoudjager
Mijn vader leerde mij ook de jachttechnieken voor het oerwoud. De jacht was van levensbelang voor ons, want daarvan konden onze gezinnen eten. Eén ding dat ik al gauw leerde, was dat een oerwoudjager niet de veelbetreden paden volgt, omdat de dieren die mijden. Dus moesten wij leren ons een weg door het kreupelhout te banen, waarbij wij schrammen opliepen van doornen en bladeren en ondertussen probeerden de muskieten, mieren, bijen en slangen uit de weg te blijven.
Aangezien het volgen van het spoor van een dier meer dan een dag in beslag kan nemen, leerde ik hoe ik veilige plekjes om te slapen kon vinden, en vuur kon maken om eten te koken. Ik moest weten welke planten, vruchten en bessen veilig waren om te eten, en wanneer er eieren in een vogelnest liggen. Ik kwam er ook achter hoe je drinkwater kunt krijgen uit rotanstengels en andere planten. Ja, het oerwoud kennen zou het verschil kunnen betekenen tussen een volle en een lege maag, en zelfs tussen leven en dood!
Waarom verdwalen inheemse jagers niet in het oerwoud? Omdat wij leren de windrichting te lezen en de zon en sterren te gebruiken om de richting te bepalen.
Ook de zintuigen moeten ontwikkeld worden. Scherpe ogen zijn onontbeerlijk om een prooi te midden van veel plantengroei te onderscheiden. Het gehoor is ook uiterst belangrijk om rondscharrelende dieren te kunnen ontdekken. Ja, ik kon het zelfs ruiken als er apen, zwijnen, vogels, vleermuizen of slangen in de buurt waren!
Jagen — en gejaagd worden
Soms was de jacht een gemeenschapsgebeuren. Dan verspreidde het hele dorp zich in een grote cirkel, die langzaam gesloten werd rondom een soort omheining die zij hadden opgezet, waarbij zij op de struiken sloegen, zodat zij wilde zwijnen en herten in de richting van deze kraal dreven. Was de prooi eenmaal binnen, dan verdeelde het dorpshoofd de buit naar de grootte van de gezinnen.
Een andere methode om op herten te jagen was een stukje woud platbranden en dan maar afwachten. Herten likken graag aan de as van verbrand hout, dus bij zonsondergang kwamen ze dan een likje halen. Door een licht werden ze naar de jager gelokt.
Mijn vader leerde mij dierengeluiden goed na te bootsen. Net zoals wij vissengeluiden nabootsten, verstopten wij ons ook in de buurt van een vruchtboom en deden de roep van verschillende vogels na. Als ze dan op die roep kwamen aanvliegen, schoten wij ze met onze pijl en boog neer, wat beslist niet gemakkelijk is.
Om wilde hoenders te vangen, zetten wij een tamme haan in een met takjes en bladeren gecamoufleerde kraal. De jager deed het gekraai van een haan na, en onze tamme huishaan gaf antwoord. Zijn antwoord werd door de wilde hanen in de buurt als een uitdaging opgevat en ze kwamen aanrennen voor een vechtpartijtje. Wanneer ze eenmaal binnen de kraal waren, hadden wij ze te pakken.
Soms moest de jager voorzichtig zijn. Wij waren niet de enige oerwoudbewoners op zoek naar een etentje. Soms hoorden wij bijvoorbeeld een soort gekraai, net als dat van een wilde haan. Maar in werkelijkheid was het een zwarte slang, die probeerde de haan voor zijn diner te verschalken. En hij was er allerminst over te spreken wanneer de mensen zich met zijn jacht kwamen bemoeien.
Nog altijd jagen en vissen
Ik heb het oerwoud al vele jaren geleden achter mij gelaten. Maar er leven nog altijd stamgenoten van mij in het oerwoud, die enkele van de oude technieken en tradities gebruiken.
Omdat ik zelf jager ben geweest, heb ik een grote waardering voor de vaardigheden die daarbij te pas komen. Maar al bijna dertig jaar houd ik mij nu vol vreugde bezig met een andere soort van ’jagen en vissen’. Mijn vrouw en ik gebruiken onze vaardigheden in een levengevend werk, de jacht op degenen die een oprecht hart jegens God bezitten en hem wensen te dienen. Gelukkig krijgt de „prooi” die wij nu vangen de gelegenheid om voor eeuwig in een rechtvaardige nieuwe ordening te leven (Matth. 13:47, 48). — Ingezonden.