Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g80 8/8 blz. 20-23
  • Een beroepsbedelaar wordt een gelukkige gever

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een beroepsbedelaar wordt een gelukkige gever
  • Ontwaakt! 1980
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Tragische kinderjaren
  • Het bedrog dat wordt gepleegd
  • Ik verlangde naar een uitweg
  • Ik geef het bedelaarsleven op
  • Bedelaar, bedelen
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Bedelaar, bedelen
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Jezus geneest een blindgeboren man
    Jezus: De weg, de waarheid, het leven
  • Het koppige ongeloof van de Farizeeën
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1988
Meer weergeven
Ontwaakt! 1980
g80 8/8 blz. 20-23

Een beroepsbedelaar wordt een gelukkige gever

MOEILIJK lopend was ik op weg om mijn buren op te zoeken, toen een haveloze bedelaar schreeuwde: „Jorge, bedel je niet meer? Ben je rijk geworden?”

Ja, ik ben Jorge. Vijftien jaar lang ben ik een beroepsbedelaar geweest, maar nu bedel ik niet meer. Ik antwoordde: „Ja, ik ben nu rijker dan de eigenaar van de suikerfabriek.” In het noordoosten van Brazilië behoren suikerfabriek-eigenaars tot de rijkste mensen.

Hij staarde me verbaasd aan. Ik maakte gebruik van zijn stilzwijgen en ging verder: „Kijk! Hier staat waarom: ’De zegen van Jehovah — díe maakt rijk, en hij voegt er geen smart bij’” (Spr. 10:22). Ik legde uit dat, hoewel ik nog steeds weinig aardse goederen had, ik mijzelf als rijk beschouwde. Waarom? Omdat ik de ware God had leren kennen, zijn zegeningen ondervond in mijn leven, echte vrienden had gemaakt, en een baan en genoeg te eten had.

Mijn vroegere bedelmakker was verbijsterd. „Hoe heb je ooit het bedelen op kunnen geven?” vroeg hij zich af. Maar u vraagt zich misschien in de eerste plaats af hoe ik een bedelaar ben geworden. Hier is mijn verhaal.

Tragische kinderjaren

Ik werd in 1930 geboren en was aan beide benen verlamd. In die tijd woonden mijn ouders in een klein stadje in de staat Paraíba, in Brazilië. Wij leefden van de landbouw. Om onze ouders te helpen, moesten mijn elf broertjes en zusjes en ik ook op het land werken. Kruipend over de grond en mijn lichaam met mijn handen ondersteunend, werkte ik zo goed als ik kon. Vader moest elke dag van de week van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat werken. Hij had geen vrije zondagen, geen vakantie. En aan het einde van de oogst, nadat de pacht was betaald, bleef er niet genoeg over om kleren of medicijnen te kopen.

Een lichtpunt was dat ik van mijn grootvader liefde voor muziek had geërfd. Ik leerde viool en accordeon spelen en verscheidene jaren speelden wij op streekfeesten, waar het er vrolijk toeging. Maar toen ik 14 was, werd vader ziek. Om geneesmiddelen te kopen, moesten wij al onze bezittingen wegdoen. Wat heb ik gehuild toen mijn viool verkocht werd. Hij had mij zo veel gelukkige uren bezorgd. Jammer genoeg stierf vader spoedig daarna, en binnen vijf dagen volgde moeder hem. Twaalf wezen bleven achter — arm, hongerig, zonder te weten wat zij moesten doen of waarheen zij moesten gaan.

Mensen die het goed bedoelden maar die de bijbel niet werkelijk kenden, zeiden tegen ons: „Aanvaardt jullie lot, kinderen. Het is Gods wil.” Met dit wanhopig makende vooruitzicht gingen wij uit elkaar en ieder ging zijn eigen weg.

Hoe moest ik me redden? Ik ging naar Santa Rita en nam mijn toevlucht weer tot het spelen van muziek op plaatselijke feesten. Maar ik moest de instrumenten huren en dikwijls had ik niet genoeg geld over om de huur te betalen van de hut waarin ik woonde — gehandicapt en zonder hoop.

Op een dag werd ik uitgenodigd om op een folkloristisch feest te spelen. Mijn uiterlijke verschijning moet wat commentaar hebben veroorzaakt, en ik zette mijn bedroevende situatie uiteen. De één na de ander toonde medelijden met mij en zei tegen mij: „Kom maar naar mijn huis, Ik zal je wel helpen.” En dat deed ik. Ik begon geschenken te krijgen en vond dat het leven van een bedelaar alles wel beschouwd nog niet zo slecht was. Het duurde niet lang of ik had er een gewoonte van gemaakt te bedelen. Daarna vond ik een vrouw die erin toestemde met mij samen te leven. De kleren, schoenen, het voedsel en andere dingen die ik op mijn „route” kreeg, waren voldoende om in ons onderhoud te voorzien.

Mijn lichamelijke handicap was echt, en dat geldt ook voor vele andere bedelaars. Maar ik kwam er al gauw achter dat velen die van liefdadigheid leven, sterk en gezond zijn.

Het bedrog dat wordt gepleegd

Sommige bedelaars verstaan de kunst er zielig en vroom uit te zien en daarmee medelijden op te roepen. Een van mijn vroegere „collega’s” speelde het bijvoorbeeld klaar zijn grote gezin uitsluitend met wat hij aan aalmoezen ontving, groot te brengen. Vaak reisde hij naar Rio de Janeiro, een afstand van bijna 3000 kilometer, om te „werken” in een plaats waar de inkomsten hoger lagen. Eens legde hij de hele weg lopend af, geleid door een van zijn kinderen, terwijl hij bedelend van plaats tot plaats ging en voorgaf blind te zijn. Wanneer ik hem zo nu en dan tegenkwam, zei hij altijd: „Jorge, er is niets met me aan de hand. Ik voel me werkelijk prima.”

Een vrouw die naast mij woonde, deed alsof zij een weduwe was, en ging altijd in het zwart gekleed. In werkelijkheid had zij een man, twee kinderen en een eigen huis. Behalve geld en voedsel kreeg zij meestal ook nieuwe lappen stof voor kleding, die zij onmiddellijk verkocht. Terwijl zij „aan het werk” was, maakte haar gezin het zich thuis gemakkelijk.

Nog een bedelaarster gebruikte weer een andere list. Zij pikte een vuil, huilend kind uit de buurt op en droeg het door de straten, terwijl zij jammerde: „Heb medelijden, in godsnaam. Help me om melk voor mijn kind te kopen.” Natuurlijk wekte het huilende kind medelijden, en vele voorbijgangers gaven haar gauw wat geld. Dan keerde zij naar huis terug, gaf het kind weer aan zijn echte ouders en betaalde hun een klein bedrag voor het „lenen”.

Sommige bedelaars gebruiken gedrukte kaartjes waarop bijvoorbeeld staat: „Zo-en-zo, woonachtig in die-en-die straat [die niet bestaat], is blind en heeft uw hulp nodig om voor zijn kinderen te zorgen.” De bedelaar stapt in een bus, geeft iedere passagier een kaartje, draait zich vervolgens om en haalt de kaartjes op met alles wat erbij gegeven wordt. Anderen laten wonden en andere letsels zien en bedelen om geld voor een operatie. Zij vertellen jaar in jaar uit hetzelfde verhaal, maar laten zich nooit opereren.

Ook wordt het intieme leven van een bedelaar over het algemeen gekenmerkt door vrij geslachtelijk verkeer. Ik vormde hierop geen uitzondering. Zodra ik genoeg had van de ene vrouw of wanneer zij mij ergerde, stuurde ik haar gewoon de laan uit en nam een ander.

Kan zo’n losbandig leven echt geluk brengen? Mij bracht het beslist helemaal geen geluk.

Ik verlangde naar een uitweg

Dikwijls schaamde ik mij voor mijzelf en had ik huilbuien. Ik bleef tegen mijzelf zeggen: „Op een dag zal ik met Gods hulp een manier vinden om dit bedelaarsleven vaarwel te zeggen.” Maar toen kende ik de ware God nog niet.

Bepaalde gebeurtenissen zetten mij ernstig aan het denken. In Campina Grande werd mijn bedelmakker dronken en in één bar schreeuwden de mannen: „Ga werken, luie smeerlap, dronken nietsnut.” Dit sneed me door het hart, omdat ik bedelen als het enige middel beschouwde waardoor iemand in mijn fysieke omstandigheden in zijn onderhoud kon voorzien.

Wanneer ik mij neerslachtig voelde, zeiden sommigen die mij regelmatig hielpen: „Voor ons ben je geen bedelaar. Wij helpen je graag, Jorge.” Maar meestal werd ik heel anders ontvangen. Eén man schreeuwde naar mij: „Loop naar de hel en vraag daar om aalmoezen.” Het maakte mij droevig. Zou ik heel mijn leven zo door moeten gaan?

Op een dag nam ik de bus naar huis na een bedelexpeditie in de hoofdstad van de staat. Een jonge man die naast mij zat, begon een gesprek met mij. Hij haalde een bijbel voor de dag en liet mij zien dat het Gods voornemen is een einde te maken aan alle ziekte, gebrek, honger en zelfs de dood (Jes. 33:24; 35:6; Ps. 72:16; Jes. 25:8). Zo iets had ik nog nooit gehoord. „Het is Gods voornemen om de hele aarde in een paradijs te veranderen”, zei hij. Een paradijs? Dat trok mijn aandacht! Ik dacht bij mijzelf: „Hier is je kans om dit ellendige bedelaarsleven vaarwel te zeggen.” Wij spraken af dat hij mij zou komen opzoeken. Precies op de afgesproken tijd kwam de jonge man naar mijn nederige huis om ons gesprek voort te zetten.

Toen hij wegging, maakten wij een afspraak voor de volgende keer. Maar naderhand herinnerde ik mij dat ik op diezelfde tijd op een bijeenkomst moest zijn in het vodou-centrum waar ik vaak kwam. De hele week was ik aan het peinzen: „Wat moet ik doen — de bijbel bestuderen of naar de vodou-bijeenkomst gaan?” Ik nam mijn besluit: Ik zou Gods Woord bestuderen. En ik heb nooit spijt van dat besluit gehad. In feite kwam ik na een paar weken studie te weten dat de Schepper alle vormen van spiritisme veroordeelt (Deut. 18:9-13; Openb. 21:8). Omdat ik God wilde behagen, verbrak ik al gauw mijn banden met de vodou-cultus en begon om te gaan met de gemeente van Jehovah’s Getuigen, waartoe de jonge man behoorde.

Ik geef het bedelaarsleven op

Ik besefte dat ik niet kon blijven bedelen als ik een christen wilde worden. De bijbelse maatstaf is namelijk: „Als iemand niet wil werken, laat hij dan ook niet eten” (2 Thess. 3:10). Maar hoe zou ik aan werk kunnen komen? In dit deel van het land is het voor iemand met een gezond lichaam al moeilijk om werk te vinden. Hoeveel te meer voor iemand die zijn benen niet kan gebruiken! Wat zou ik kunnen doen? Liefdevol leerde een van de Getuigen mij gekonfijte kokos te maken. Maar ondanks mijn krachtsinspanningen verkocht ik niet genoeg om van te leven. Dus bleef ik bedelen. De moed zonk mij in de schoenen. Was alles verloren?

Op een dag liet iemand mij zien wat de bijbel in Psalm 37:25 zegt: „Eens was ik een jonge man, ook ben ik oud geworden, en toch heb ik een rechtvaardige niet volkomen verlaten gezien, noch zijn nageslacht zoekende brood.” Dat maakte indruk op mij. Had de psalmist gelijk? Dat moest ik zelf uitproberen. Ik moest niet langer medelijden met mijzelf hebben. Dus zei ik tegen mijn vriendin: „Vanaf volgende week ga ik niet langer om aalmoezen bedelen.” Zij was stomverbaasd. „Waar moeten we dan van leven? We zullen van de honger omkomen!”

„Ik vertrouw erop dat Jehovah op de een of andere manier in onze behoeften zal voorzien”, antwoordde ik. „Voordat wij het hem vragen, weet hij al wat wij nodig hebben.” Ik dacht aan Matthéüs 6:31-34 — de belofte dat God zijn zegen zal schenken aan onze krachtsinspanningen om in onze stoffelijke behoeften te voorzien, indien wij maar eerst zijn koninkrijk en zijn rechtvaardigheid zoeken.

Sindsdien is Jehovah erg goed voor ons geweest. Ik heb nooit meer mijn hand opgehouden om om brood te vragen! Ik ben erin geslaagd in onze behoeften te voorzien door te werken. De psalmist had inderdaad gelijk. Wat gebeurde er? De Getuigen in de plaatselijke gemeente gaven mij verdere raad en hulp bij het verkrijgen van grondstoffen voor gekonfijte vruchten, die ik nog steeds verkoop. Bovendien verzamelde ik een paar keer per week oud papier in de stad en verkocht het. Een tijdje later hielpen de Getuigen mij met het aanvragen van een kleine maandelijkse invaliditeitsuitkering. Inderdaad, via de hulp van de christelijke gemeente is Jehovah een liefdevolle verzorger gebleken.

Mettertijd kwam ik Gods maatstaf met betrekking tot het huwelijk te weten en legaliseerde ik de verbintenis met mijn vriendin, met wie ik verscheidene jaren had samengeleefd. Toen, op 13 april 1975, werd ik gedoopt als symbool van het feit dat ik mij door bemiddeling van Christus Jezus aan Jehovah God had opgedragen. Ik ging steeds meer op in gemeenteactiviteiten, en leid nu zelfs iedere week een van de gemeentelijke bijbelstudies. Deze gelegenheid om iets voor anderen te doen, heeft mij erg gelukkig gemaakt. — Hand. 20:35.

Aanvankelijk maakte mijn vrouw zich een beetje bezorgd over al deze activiteit. Maar tot mijn grote vreugde begon ook zij de studie van de bijbel serieus te nemen, en nu gaat zij samen met mij eropuit om anderen te vertellen over de goede dingen die wij leren. Onze aangenomen dochter van tien jaar gaat ook met ons mee.

Soms kom ik vroegere straatvrienden tegen. Wanneer zij mij vragen waarom ik met bedelen ben opgehouden, deins ik er niet voor terug hun dat te vertellen. Bovendien heb ik al die vriendelijke mensen die mij hebben geholpen toen ik in behoeftige omstandigheden verkeerde, uitgelegd wat mij van het nutteloze bedelaarsleven heeft bevrijd. Ik ben werkelijk van een bedelaar in een gever veranderd, doordat ik anderen ertoe aanmoedig ’het water des levens om niet te nemen’. — Openb. 22:17.

Omdat ik weet dat de problemen van oprechte bedelaars die in bedroevende omstandigheden verkeren, in dit huidige samenstel van dingen onoplosbaar zijn, doe ik mijn best hen te helpen inzien wat God voor de nabije toekomst in petto heeft. Sommigen luisteren aandachtig. Anderen lachen erom. Maar ik ben ervan overtuigd dat de beloften van de bijbel betrouwbaar zijn.

De opwindende mogelijkheid om in Gods nieuwe ordening een gezond lichaam te krijgen, vervult mij met een onbeschrijfelijke vreugde. Met zo’n lichaam wil ik — niet gaan bedelen, maar — mijn handen en mijn benen gebruiken bij het verwezenlijken van de hoop die voor mij de aanleiding was om het bedelaarsleven vaarwel te zeggen: Het vooruitzicht eraan mee te helpen de aarde tot een paradijs te maken, waar voor iedereen ’volop koren zal blijken te zijn’ (Ps. 72:16). Dan zal er voor niemand een reden bestaan om te gaan bedelen.

[Inzet op blz. 21]

Toen vader en moeder stierven, bleven 12 wezen achter — arm, hongerig en zonder te weten wat zij moesten doen.

[Inzet op blz. 22]

’Wat moest ik doen — de bijbel bestuderen of naar de vodou-bijeenkomst gaan? Ik nam mijn besluit.’

[Inzet op blz. 23]

„Ik besefte dat ik niet kon blijven bedelen als ik een christen wilde worden.”

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen