De lijkwade van Turijn — het doodskleed van Jezus?
Is dit het gezicht van Jezus Christus? Miljoenen mensen over de gehele aarde geloven dit. Waarom?
DIT gezicht is een deel van de beeltenis op een stuk linnen dat wordt betiteld als „de belangrijkste relikwie in de geschiedenis van het christendom” — de lijkwade van Turijn.
Men beweert dat dit doek van 4,3 bij 1,1 meter het „fijne linnen” (Mark. 15:46) is dat na Jezus’ dood werd gebruikt om er zijn lichaam in te wikkelen. Op dit stuk stof staat vaag de beeltenis van een met bloed bevlekt lichaam met wonden die zouden overeenkomen met de wonden die Jezus werden toegebracht. Men beweert dat het doek in de lengte over en onder het lichaam was uitgespreid, zodat men tussen twee donkere strepen die door brandschade zijn ontstaan, de voor- en achterzijde van een man ziet.
De relikwie kwam in het brandpunt van de belangstelling te staan toen, na een langverwachte openbare vertoning die miljoenen toeschouwers trok, een groep geleerden toestemming kreeg de lijkwade aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen. Gedurende vijf dagen en nachten in oktober 1978 bogen deze 45 geleerden zich gewapend met vier ton aan ingewikkelde, hypermoderne instrumenten over de relikwie. Het tijdschrift Science News berichtte:
„Vier en een halve meter linnen op een altaar van de Turijnse kathedraal is waarschijnlijk nauwkeuriger wetenschappelijk getest dan welk ander religieus relikwie maar ook.”
Zelfs nog voordat de bevindingen van de geleerden gepubliceerd werden, begroetten kranten en boeken de lijkwade als:
● „Een bewijs voor het bestaan van God”
● „Het vijfde evangelie — geschreven met bloed”
● „Een letterlijke ’momentopname’ van de opstanding”
● „De foto van Christus”
Welke christen zou niet willen weten hoe Jezus er heeft uitgezien? De gedachte dat er, naar sommigen beweren, een tastbaar bewijs van de opstanding zou bestaan, is beslist opwindend. Hoe zou u zich daarentegen voelen wanneer zou blijken dat de lijkwade bedrog is? Wat misleidend! Zou deze lijkwade, door zo veel aandacht te trekken, personen op een zijspoor kunnen brengen, waardoor zij belangrijkere zaken negeren?
Zou u niet alle feiten willen weten? Wat betekent deze relikwie voor een christen?
Laten wij eerst eens onderzoeken waarom de lijkwade bij zo veel geleerden opwinding veroorzaakt.
Waarom opwinding bij sommigen?
Het visgraatweefsel van het doek was in Christus’ tijd in Palestina erg algemeen, en men heeft ontdekt dat stuifmeel dat zich op de lijkwade bevond, afkomstig is van planten die eens in dat land hebben gegroeid. Dat linnen uit de dagen van Jezus bewaard is gebleven, is niets buitengewoons, want er bestaat zelfs linnen van nog oudere datum. Wat dit stuk stof uniek maakt, is de beeltenis erop.
In 1898, toen de lijkwade voor het eerst werd gefotografeerd, gebeurde er iets totaal onverwachts dat de aandacht van geleerden trok. Toen de foto’s werden ontwikkeld, ontdekte men dat de beeltenis in werkelijkheid een negatief was. (In de fotografie is het negatief de ontwikkelde film, waarop u licht en donker verwisseld ziet.) De vage tekening op de lijkwade bleek op de negatieven tot leven te komen. Met een uitzonderlijke gedetailleerdheid gaven ze een complete mannengestalte te zien.
Aan pols en voet werden tekens waargenomen als waren ze doorboord geweest. Bovendien zag men een grote bloedvlek aan de rechterzijde van de borst en talrijke haltervormige verwondingen, met dezelfde vorm als de stukjes lood aan de Romeinse gesels zoals die ten tijde van Christus werden gebruikt. Bovenop het hoofd werden bloedvlekken waargenomen die veroorzaakt zouden kunnen zijn door een doornenkroon.
Het grootste raadsel is hoe de beeltenis is ontstaan. Recente onderzoekingen hebben geen enkel spoor aan het licht gebracht van kleurstoffen waarvan bekend is dat ze werden gebruikt in de Middeleeuwen, in welke tijd de lijkwade volgens gedocumenteerde gegevens voor het eerst verschijnt. Door middel van krachtige microscopen ontdekte men dat de beeltenis uit kleine „geelrode tot oranje korrels” bestaat die op het weefsel zitten. Door welke inwerking de beeltenis dan ook ontstaan mag zijn, ze is niet in de stof ingedrongen. Kennelijk, zo concludeert de als autoriteit geldende Ian Wilson, „moet er een ’droog’ proces hebben plaatsgevonden, en moet een of andere natuurkundige kracht zo op de buitenste vezels van de draden van de lijkwade hebben ingewerkt dat de korrels als het ware uit de vezels zelf gevormd werden”.
De nieuwste theorie, die van fysisch scheikundige en lijkwade-autoriteit Ray Rogers, is dat de beeltenis „gevormd werd door een hevige uitbarsting van uitstralende energie”. Sommigen zijn van mening dat deze zich voordeed toen Jezus werd opgewekt. Zijn allen echter overtuigd?
Waarom sommigen ernstige twijfels hebben
Een aantal serieuze bijbelgeleerden trekt op grond van het bijbelverslag de authenticiteit van de lijkwade in twijfel. Het beeld dat de bijbel geeft van de omstandigheden tijdens Jezus’ begrafenis is in strijd met wat de lijkwade te zien geeft. Wil de lijkwade authentiek zijn, dan moeten de volgende twee omstandigheden hebben bestaan toen de beeltenis werd gevormd: (1) het lichaam had niet gewassen kunnen zijn, want de bloedvlekken zijn duidelijk zichtbaar, en (2) het linnen kleed zou los over het lichaam gelegd moeten zijn, en niet ertegenaan gedrukt. „De afbeeldingen [op de lijkwade] zijn niet ontstaan louter doordat het linnen met menselijk vlees in aanraking is geweest”, verzekert Edward Wuenschel, een van de verdedigers van de authenticiteit van de lijkwade. Hij voegt eraan toe: „Zulk een contact zou tot aanzienlijke vervormingen hebben geleid, en de afbeeldingen op deze lijkwade vertonen weinig of geen vervorming.”
De verslagen van Jezus’ begrafenis door Matthéüs (27:59, 60), Markus (15:46) en Lukas (23:53) zijn nogal kort. Maar alle drie zeggen dat men het lichaam in „fijn linnen” „wikkelde”. Gebeurde dit zo snel dat het lichaam niet eerst werd gewassen? Van de kant van joden zou een dergelijke behandeling heel ongebruikelijk zijn geweest. Waarom? De joodse historicus Josephus die in diezelfde tijd leefde, zegt dat in tegenstelling met sommigen van hun vijanden „de joden gewoon waren erg veel zorg te besteden aan de begrafenis van mensen”.
De apostel Johannes, die een ooggetuige was, verschaft enkele aanvullende details en bevestigt dat er „veel zorg” aan Jezus’ lichaam werd besteed alvorens het begraven werd. Hij schrijft:
„[Jozef van Arimathéa] kwam . . . en nam zijn lichaam weg. Ook Nikodémus . . . kwam en bracht een rol mirre en aloë mee, ongeveer honderd pond. Zij dan namen het lichaam van Jezus en bonden het met de specerijen in windsels, zoals bij de joden gebruikelijk is ter voorbereiding voor de begrafenis.” — Joh. 19:38-40.
Waarin bestond het ’gebruik’ van de joden ter voorbereiding voor de begrafenis? Vrijwel de enige bewijzen uit die tijd zijn in de Griekse Geschriften te vinden. Daarin wordt aangetoond dat het lichaam eerst werd gewassen en dat er vervolgens olie en specerijen werden gebruikt om het te zalven (Hand. 9:37; Matth. 26:12). Het feit dat Jozef en Nikodémus gebruik maakten van mirre, aloë en windsels en het lichaam ’inbonden’, geeft te kennen dat zij op z’n minst aan de gebruikelijke joodse voorbereiding van de doden begonnen waren.
Ook niet-bijbelse oude joodse geschriften geven te kennen dat het hun gewoonte was het lichaam te wassen en specerijen te gebruiken. Dit gebeurde niet om het lichaam tegen bederf te behandelen of te balsemen, zoals sommigen beweren, maar in plaats daarvan, zoals de talmoed zegt ’dienen de specerijen om de slechte geur te verdrijven’. Zulke voorbereidingen van het lichaam waren zelfs op de sabbat niet verboden; in overeenstemming hiermee zegt de misjna (2de eeuw G.T.): „Zij mogen [op de sabbat] alle noodzakelijke dingen voor de dode gereedmaken en hem zalven en wassen.” — Sabbat 23:5.
Dat de twee mannen stappen ondernamen om het lichaam voor de begrafenis voor te bereiden, wordt ook te kennen gegeven door wat er na Jezus’ opstanding in het lege graf werd aangetroffen. Johannes vertelt ons:
„Hij [Petrus] zag de windsels liggen, ook de doek die op zijn hoofd was geweest, niet bij de windsels liggende maar afzonderlijk opgerold op één plaats” (Joh. 20:6, 7).
Er wordt niet gesproken over het „fijne linnen” (Grieks: sindon), maar er wordt gewag gemaakt van „windsels” (Grieks: othonia) en een „doek die op zijn hoofd was geweest” (Grieks: soudarion). Het kan zijn dat men de „windsels” had gemaakt door het „fijne linnen” in repen te scheuren. Al deze windsels moesten om het lichaam gewikkeld worden. Wanneer dit echter het geval is, zouden de windsels de lijkwade dicht tegen het lichaam houden en een „contactafdruk” bewerkstelligen, en niet de geprojecteerde beeltenis die men op de lijkwade aantreft. Als de windsels zich onder de lijkwade bevonden, zouden zij al evenzeer de beeltenis vervormen.
Dat er over een afzonderlijk stuk doek wordt gesproken dat „op zijn hoofd” was, toont aan dat zijn hoofd bedekt werd door een ander stuk doek, terwijl de lijkwade daarentegen duidelijk de afbeelding van het hoofd en het lichaam op hetzelfde doek vertoont. Sommigen trachten evenwel te betogen dat deze hoofddoek feitelijk de lijkwade is. Toch wordt dit Griekse woord op verschillende manieren vertaald met „handdoek” (AV) of „zakdoek” (Catholic Confraternity Version), en in Lukas 19:20 wordt het van toepassing gebracht op een stuk doek waarin iemand geld bewaart. Hoe zou dit vereenzelvigd kunnen worden met een lijkwade van 4,3 meter! Anderen zijn van mening dat deze hoofddoek een kinband was om de mond van de dode op zijn plaats te houden. Als dit zo is, zou dit betekenen dat Johannes er geen melding van heeft gemaakt dat de lijkwade in het lege graf lag. Schijnt het niet voor de hand te liggen dat hij stellig het „fijne linnen” of de lijkwade, indien daar aanwezig, zou hebben genoemd, aangezien hij apart melding maakt van de „windsels” en de ’hoofddoek’?
Het schriftuurlijke verslag geeft te kennen dat het lichaam volgens het joodse gebruik werd gewassen en omwikkeld, met gebruik van mirre en aloë. Alle voorbereidingen waren klaar, behalve het zalven met olie en specerijen,a wat de vrouwen de volgende zondagmorgen wilden doen (Luk. 23:55, 56; Mark. 16:1). Zulke voorbereidingen zouden de huidige beeltenis op de lijkwade onmogelijk hebben gemaakt. Het bijbelse verslag brengt Rodney Hoare, een ondersteuner van de authenticiteit van de lijkwade, tot de erkenning:
„Dit gedeelte uit het evangelie van St. Johannes is jarenlang het voornaamste argument tegen de authenticiteit van de Lijkwade geweest en het is inderdaad een sterk argument.” — The Testimony of the Shroud, blz. 120.
Vroege christelijke schrijvers bewaren een ongewoon stilzwijgen
Bent u niet van mening dat wanneer het doodskleed van Jezus zijn beeltenis had gedragen, dit zou zijn opgemerkt en een onderwerp van gesprek zou zijn geworden? Toch wordt er, buiten wat dan in de evangeliën staat, in het Nieuwe Testament verder met geen woord over de doodskleren gesproken.
Zelfs de zich christelijk noemende schrijvers uit de derde en vierde eeuw, van wie velen hebben verhaald over een menigte zogenoemde wonderen in verband met talrijke relikwieën, maken geen melding van het bestaan van een lijkwade die de beeltenis van Jezus draagt. Sommigen beweren dat de lijkwade gedurende al deze jaren verborgen is geweest. Toch wordt, ook nadat volgens zevende-eeuwse schrijvers het vermeende doodskleed van Jezus was „ontdekt”, geen gewag gemaakt van een beeltenis erop. P. A. Beecher, die in de echtheid van de lijkwade gelooft, somt een aanzienlijk aantal personen op die de lijkwade tussen de zevende en dertiende eeuw hebben gezien. Een van hen „kuste” de lijkwade zelfs en toch heeft niemand melding gemaakt van de beeltenis. Dit valt moeilijk te begrijpen, aangezien mensen in de vijftiende en zestiende eeuw die de lijkwade hebben gezien, volgens de jezuïtische geleerde Herbert Thurston, „de afdrukken op de lijkwade, wat details en kleuren betreft, beschrijven als zo helder dat ze nog maar kort geleden aangebracht hadden kunnen zijn”.
Pas in 1205 berichtte Robert de Clari, een Frans soldaat, dat hij „het sindaal [de lijkwade] waarin onze Heer werd gehuld [had gezien] . . . verticaal uitgespannen, zodat men gemakkelijk de gestalte van onze Redder kon zien”. Ian Wilson, die de lijkwade als echt beschouwt, stelt met betrekking tot deze lange periode van stilzwijgen enkele zeer onderzoekende vragen:
„Hoe zou zulk een fascinerend stuk doek als de Lijkwade van Turijn, als ze tenminste echt is, meer dan dertien eeuwen totaal onvermeld kunnen blijven om plotseling in het Frankrijk van de veertiende eeuw op te duiken?
Zou ze al die tijd verborgen hebben kunnen blijven vanwege eerst de joodse en Romeinse christenvervolgingen en daarna de periode van de beeldenstrijd (725-842) waarin gevaar dreigde voor alle van een beeltenis voorziene voorwerpen? Dit was zeer onwaarschijnlijk.
Er verliepen vierhonderd jaar vanaf de bekering van Constantijn de Grote tot het begin van de beeldenstrijd, gedurende welke periode vele voorheen ’verborgen’ relikwieën aan het licht kwamen, met inbegrip van het volledige Echte Kruis, de doornenkroon, de spijkers, de purperen mantel, de rietstok, de grafsteen en vele andere. Er was voor zulk een belangrijk en onmiskenbaar relikwie als de Turijnse Lijkwade gelegenheid te over om aan het licht te komen. Toch wordt er geen enkele melding van zulk een voorval gemaakt.”
Met het oog op de betekenis van deze relikwie kan men zich slechts afvragen waarom het bijna 1200 jaar heeft geduurd voordat er gewag werd gemaakt van de beeltenis erop.
Wetenschappelijke en historische problemen
Er zijn veel theorieën opgesteld en weer verworpen over de vraag hoe de beeltenis is ontstaan. De meeste geleerden zijn het erover eens dat de nieuwste ontdekkingen hebben aangetoond dat de gehele beeltenis is ontstaan door een en dezelfde oorzaak, misschien door een of ander „schroei”-proces.
Deze wetenschappelijke conclusie levert enkele problemen op, daar erdoor te kennen wordt gegeven dat de afdruk op de lijkwade in de grond der zaak één kleur zou moeten hebben, met alleen wat variatie in intensiteit. Toch hebben personen die de beeltenis in de 16de eeuw hebben gezien, erop gewezen dat deze uit twee verschillende kleuren bestond. Niet alleen lieten toenmalige artistieke weergaven zien dat ze meerkleurig was, maar Chifflet, een van de waarnemers, zei:
„De afbeelding van Turijn laat bijna niets anders dan donkere karmozijnen vlekken zien, . . . de tekens van de wonden schijnen over de dunne geelbleke afdruk van het lichaam aangebracht te zijn.”
Iemand zou zich kunnen afvragen of de hedendaagse lijkwade dezelfde is als het kleed dat reeds in de 14de eeuw werd tentoongesteld, en dat door de toenmalige rooms-katholieke bisschop Henry de Troyes (Frankrijk) als bedrog werd bestempeld en waarvan gezegd werd dat het „knap beschilderd” was. Joseph Hanlon oppert in het tijdschrift New Scientist een interessante mogelijkheid:
„Maar zou er sprake geweest kunnen zijn van een dubbele zwendel, één in de 14de en nog een in de vorige eeuw? De lijkwade werd in de 15de en 16de eeuw wijd en zijd vertoond, doch later niet meer. Zou het kunnen zijn dat het eerste bedrog te duidelijk werd? . . . Zouden de eigenaars van de lijkwade intussen misschien beter werk hebben geleverd, door gebruik te maken van de moderne technologie en de medische wetenschap, met inbegrip van proefnemingen zoals die van Barbet, en door antiek linnen uit het Midden-Oosten te gebruiken? Zou er misschien speciaal voor dit doel een beeld zijn vervaardigd en, nadat het verhit was om een afdruk op het doek achter te laten, vervolgens weer vernietigd? . . . Wij kunnen niet stilzwijgend aan deze mogelijkheid voorbijgaan, daar er in de Victoriaanse tijd een aantal malen geperfectioneerd archeologisch bedrog is gepleegd.”
Anderen hebben gesuggereerd dat er een mengsel van mirre en aloë, gewreven over een bas-reliëf (een afbeelding met driedimensionale kenmerken) gebruikt is om een soortgelijke beeltenis voort te brengen. Adam Otterbein, voorzitter van het Gilde van de Heilige Lijkwade, concludeert echter: „Hoe de beeltenis is ontstaan, zal misschien tot het einde der tijden een mysterie blijven. . . . Het valt te betwijfelen of de wetenschap ooit zal kunnen bewijzen hoe men dit heeft gedaan.”
Is het van invloed op uw geloof?
Klaarblijkelijk zal de discussie over de lijkwade nog enige tijd voortduren. Maar is dit volgens u Gods manier om de opstanding van zijn Zoon te bewijzen? Hoe zijn personen in de eerste eeuw hiervan overtuigd geraakt? In plaats van zich te verlaten op een doek dat eens een dode man omhulde, heeft Jehovah erop toegezien dat meer dan 500 levende ooggetuigen getuigenis aflegden van de opgestane Christus (1 Kor. 15:3-8). In het licht van zulke bewijzen vallen de doodsklederen helemaal in het niet.
Zou de publiciteit rondom de lijkwade, zelfs al was ze authentiek, deze werkelijke bewijzen van de opstanding toch kunnen overschaduwen? Zou het personen op een zijspoor kunnen brengen doordat zij hun geloof op dit stuk doek baseren? Zelfs John Jackson, een geleerde die zich met de lijkwade bezighoudt, zei:
„Maar als iemand zijn geloof volledig zou moeten gronden op een ongewoon stuk doek, zou dat in werkelijkheid een vorm van afgoderij zijn.” — The Catholic Digest, april 1979.
Het kan heel gemakkelijk gebeuren dat iemands hart verlokt wordt door de intrigerende mogelijkheden van de lijkwade. Maar zal belangstelling voor de lijkwade waar geloof teweegbrengen? Zullen wij erdoor worden geholpen te blijven „wandelen door geloof, niet door aanschouwen”? (2 Kor. 5:7) En als er nu eens bewezen wordt dat er bedrog in het spel is? Zou u uw geloof in de opstanding verliezen of zouden er op z’n minst enkele twijfels opkomen? Wanneer u door de lijkwade gefascineerd bent, hoe komt dat dan eigenlijk? Heeft uw geloof zo iets nodig om op te steunen? Zou het in werkelijkheid een zwakke stut kunnen blijken te zijn? Dit zijn zinvolle vragen die elke christen dient te overdenken.
Wij leven in een tijd dat mensen op spectaculaire dingen uit zijn, maar hoe vaak is hierdoor niet de aandacht van belangrijkere zaken afgeleid. Franco Barbero, een rooms-katholiek priester, merkte bijvoorbeeld op: „Ik vraag me af wat er in de Turijnse kerk gebeurd zou zijn wanneer al die energie die men aan deze onderneming heeft besteed, nu eens op de prediking van het Woord geconcentreerd was geweest!” (Wij cursiveren.)
Ja, de „prediking van het Woord” en niet het tentoonstellen van relikwieën zal waar geloof opbouwen. Hierdoor zal een hoop ontstaan die zeker is en die ’niet tot teleurstelling leidt’ (Rom. 5:5). Deze hoop geeft ons de verzekering dat dezelfde Persoon die Jezus heeft opgewekt, opnieuw handelend zal optreden, niet door een stuk doek te „zenden” om de wereld verbaasd te doen staan, maar door zijn verheerlijkte Zoon te gebruiken om een einde te maken aan een corrupte wereld die het aan waar geloof ontbreekt. Terzelfder tijd zal hij mensen met een zuiver geloof in een nieuwe ordening van rechtvaardigheid brengen. — 2 Petr. 3:13.
[Voetnoten]
a Zulk een zalving zou het niet noodzakelijk hebben gemaakt de doodskleren te verwijderen, want zij zouden de welriekende oliën gewoon over het lichaam hebben kunnen uitgieten. (Zie Markus 14:3, 8; deze tekst toont dat Jezus bij zijn leven voor de begrafenis werd „gezalfd” terwijl de vrouw toch alleen maar ’de olie over zijn hoofd goot’.)