Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g80 22/5 blz. 25-28
  • Hoe mijn droom om God te dienen in vervulling ging

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Hoe mijn droom om God te dienen in vervulling ging
  • Ontwaakt! 1980
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Het leven in het klooster
  • Een onverwachte teleurstelling
  • De invloed van een nicht
  • Mijn eerste bijbel
  • Verstandige beslissingen
  • Mijn ouders verlieten me — God houdt van me
    Ontwaakt! 2001
  • Ik was een katholieke non
    Ontwaakt! 1985
  • De bijbelse waarheid bevrijdt een non in Bolivia
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1992
  • Ik was een katholieke non
    Ontwaakt! 1972
Meer weergeven
Ontwaakt! 1980
g80 22/5 blz. 25-28

Hoe mijn droom om God te dienen in vervulling ging

OP 14 november 1962 werd een geliefkoosde droom vervuld. Ik trad in de Portugese stad Santo Tirso in het klooster bij de Derde Orde der Franciscanessen van Calais om non te worden. Het leek alsof mijn gehele leven tot dusver mij op dit ogenblik had voorbereid. Toen ik op de drempel van het klooster afscheid van mijn vader nam, bleek duidelijk hoe gelukkig wij beiden waren.

Ik kwam uit een vroom rooms-katholiek gezin. Vader nam altijd de rozenkrans mee naar zijn werk op het veld om zijn gebeden op te zeggen. Elke avond bad ons hele gezin gezamenlijk de rozenkrans.

Van elk goed katholiek gezin werd verwacht dat één kind aan de Kerk werd afgestaan. In ons gezin werd ik daarvoor uitgekozen. Dit werd als een groot voorrecht beschouwd. Ik bestudeerde ijverig de catechismus. De bisschop van Vila Real had een vraaggesprek met mij. Velen van mijn beste vrienden en familieleden waren reeds non of priester.

Het leven in het klooster

Tot mijn verbazing viel het helemaal niet mee mij aan het kloosterleven aan te passen. De wijze waarop wij gehuisvest waren, was het probleem niet. De slaapzaal was met tussenwanden verdeeld, en ieder had een bed, een tafeltje en een stoel. Het waren echter de lange periodes van stilte waar ik het werkelijk moeilijk mee had. Per slot van rekening was ik gewend aan het dagelijkse gezellige gepraat en de levendige sfeer in ons gezin, waar ik drie broers en drie zusters om mij heen had.

Elke ochtend stonden wij om 6.30 uur op en brachten het eerste halfuur in gebed in de kapel door. Feitelijk werd er slechts een uur per week aan religieuze studie gewijd, waarbij wij kerkelijke publikaties gebruikten. Het ontbijt werd, evenals alle andere maaltijden, in volkomen stilte genuttigd. Dan gingen wij in verschillende afdelingen aan het werk.

Na het middagmaal hadden wij iedere dag een uur ontspanning en gedurende die tijd mochten wij met elkaar praten. Wij mochten echter niet rechtstreeks de naam van onze woonplaats onthullen. Wij moesten heel vaag zo iets zeggen als: „Op zekere plaats . . .” Onze binnenkomende en uitgaande post werd gelezen.

Na een maand raakte ik gewend aan de routine en begon ik het kloosterleven fijn te vinden. Wanneer ik wilde praten, sprak ik met God. Elke dag weer beschouwde ik het als een voorrecht de zwarte sluier, de lange zwarte kleding en het kruis te dragen. Gewetensvol leidde ik een vroom leven zoals het kerkelijke ritueel dat voorschreef.

Een onverwachte teleurstelling

Toen de proeftijd van zes maanden ten einde liep, keek ik verlangend uit naar het tijdstip dat ik een ring zou krijgen. Dit zou betekenen dat ik, om zo te zeggen, met Jezus Christus „verloofd” was. Vervolgens zou ik verscheidene jaren later mijn opleiding voltooien en de eeuwige geloften als non afleggen.

Toen ik op een dag in de wasserij aan het werk was, werd mij het teken gegeven dat ik bij onze moeder-overste moest komen. Op een rechtstreekse, doch vriendelijke wijze legde zij mij uit dat ik vanwege mijn gezondheid het klooster moest verlaten. Ik had bronchitis opgelopen en alleen zij die een goede gezondheid genoten, mochten blijven. Woorden kunnen niet beschrijven wat er door mij heen ging. Mijn levensdroom scheen vervlogen te zijn. Ik hield vol dat er toch een mogelijkheid moest bestaan om te kunnen blijven. Maar haar woorden waren beslissend: Ik moest vertrekken.

Na veel tranen te hebben gelaten, vernam ik dat mijn vader buiten wachtte om mij mee naar huis te nemen. Moeder-overste trachtte mij aan te moedigen door te zeggen dat ik veel menslievend werk zou kunnen doen. Zij beloofde er regelingen voor te treffen dat ik in het St.-Maria Ziekenhuis in Porto zou kunnen werken. Vader was ontdaan en zei: „Als mijn dochter geen non kan worden, gaat ze ook niet naar een ziekenhuis. Ze komt thuis en gaat weer bij ons wonen.”

Nadat ik weer thuis was, bleef ik mij ijverig op de kerkelijke tradities toeleggen. Ik beschouwde mij nog steeds als een „bruid” van Christus en bleef al het ritueel in acht nemen, zoals het houden van feestdagen, vasten en het opzeggen van gebeden. Elke avond voor het naar bed gaan, kuste ik het kruisbeeld. Wanneer ik van huis was en er in mijn kamer een kruis aan de muur hing, ging ik op een stoel staan of klom ik zelfs boven op een dressoir om het te kussen. De vurigste wens van mijn leven was God te dienen.

De invloed van een nicht

Uiteindelijk ging ik werken in Lissabon, de grootste stad van Portugal. Tijdens de kerstdagen bezocht ik een nicht die even buiten de stad woonde. Zij had drie kinderen die ik erg graag mocht, en ik nam cadeautjes voor hen mee. Bij deze gelegenheid vertelde zij mij voorzichtig dat zij met Jehovah’s Getuigen de bijbel bestudeerde. Ik had mij voorgenomen om de komende maand mei mijn vakantie bij haar door te brengen, maar nu was mijn reactie om nooit meer een voet bij haar in huis te zetten. Voor zover ik had gehoord, hadden Jehovah’s Getuigen „de ergste religie die er bestond”.

Later bedacht ik mij echter en besloot toch te gaan zoals ik van plan was. Maar ik had een definitief doel in gedachten — haar te helpen weer een goed, praktizerend katholiek te worden. Mijn nicht bleek echter even vastberaden te zijn als ik. Daar ik weigerde om ook maar een stuk lectuur van de Getuigen in te kijken, probeerde zij mij verschillende passages uit een katholieke bijbelvertaling te laten lezen. Toch betwijfelde ik of het wel een „echte” bijbel was. Dus moedigde zij mij aan een bijbel op de kop te tikken die volgens mij „onvervalst” was. Het werd mij duidelijk hoe graag zij wilde dat ik persoonlijk de bijbel ging onderzoeken.

Tijdens mijn laatste vakantieweek zei mijn nicht op een dag dat ik ’s avonds alleen zou moeten eten omdat zij naar een gemeentevergadering ging. Hoewel ik constant met haar van mening had verschild over werkelijk elk religieus onderwerp dat wij bespraken, brandde ik van nieuwsgierigheid om deze vergadering te bezoeken. Ik ging warempel met haar mee naar de Wachttoren-studie en vond het programma zeer interessant. Ik besefte opeens dat ik een aantal Getuigen kende, daar zij tijdens mijn vakantie dikwijls bij mijn nicht op bezoek waren geweest. Ik bemerkte dat het vriendelijke mensen waren en voelde dat er een „familie”-geest onder hen heerste.

Mijn eerste bijbel

Na mijn vakantie zocht ik in Lissabon in menige boekwinkel tevergeefs naar een katholieke bijbel. Ten slotte wist ik er via een religieuze orde een te bemachtigen. Ik ging regelrecht naar huis en begon de schriftplaatsen die mijn nicht mij had opgegeven, op te zoeken. Ik ging er zo in op dat ik tot vier uur ’s nachts bleef lezen. Ik was verbaasd te zien wat de bijbel leerde over beelden, de toestand van de doden en wie God is. Ik vroeg mij af: „Waarom hebben wij in het klooster de bijbel niet bestudeerd? Waarom heeft de Kerk de leringen van de Heilige Schrift niet gevolgd? Waarom heeft men Gods naam, Jehovah, niet op zijn juiste plaats hersteld?”

Ik hield er onmiddellijk mee op beelden bij mijn aanbidding te gebruiken. Na een beschouwing van Hebreeën 10:10 ging ik niet meer ter communie. Van juli tot december 1974 bestudeerde ik de bijbel in mijn eentje, hoewel ik nu gretig gebruik maakte van de publikaties van de Getuigen.

Daar ik een neef had die een prominente priester was en hoofd van de theologische faculteit aan de Katholieke Universiteit te Lissabon, besloot ik datgene wat ik uit de bijbel leerde, aan hem voor te leggen. Tot mijn verbazing gaf hij toe dat het gebruik van beelden bij de aanbidding onschriftuurlijk was. Hij rechtvaardigde het gebruik ervan echter door te zeggen: „Mensen zijn zwak en hebben zichtbare hulpmiddelen nodig, anders zouden zij God vergeten.” Hij gaf grif toe dat Gods persoonlijke naam Jehovah is, maar beweerde zwakjes dat het gebruik van de uitdrukking „God” voor de meeste mensen minder aanstootgevend is. Interessant is dat hij mij niet ontmoedigde om met Jehovah’s Getuigen te studeren. Toch trachtte hij de bijbel te ondermijnen door te zeggen dat deze op veel plaatsen tegenstrijdig was. Klaarblijkelijk was zijn geloof niet al te sterk.

Verstandige beslissingen

Tegen december 1974 nam ik een beslissing: Ik zou de Getuigen om een huisbijbelstudie vragen. Enkele dagen later, op 22 december, bevond ik mij onder de meer dan 39.000 personen die de speciale vergadering in Lissabon bezochten om naar de gastsprekers N. H. Knorr en F. W. Franz, leden van het Besturend Lichaam van Jehovah’s Getuigen, te luisteren. De vergadering maakte een diepe indruk op mij. Hier bevond ik mij te midden van zoveel mensen, die allen de Heilige Schrift onderzochten en vertrouwd waren met de daarin vervatte leringen. Dit is, zo dacht ik, werkelijk de soort van aanbidding die God behaagt, de aanbidding „met geest en waarheid”. — Joh. 4:24.

Ik begon geregeld alle gemeentevergaderingen te bezoeken. In februari 1975 begon ik van huis tot huis te gaan om in gehoorzaamheid aan Matthéüs 24:14 het goede nieuws van Gods koninkrijk aan anderen te vertellen. Op grond van een nauwkeurige kennis van de bijbel droeg ik nu werkelijk mijn leven aan het dienen van Jehovah God op. Ten einde mijn opdracht te symboliseren, werd ik die zomer op de „Goddelijke soevereiniteit”-districtsvergadering gedoopt.

In november werd ik pionierster, zoals een volle-tijdwerker van Jehovah’s Getuigen wordt genoemd. Ik zei tegen de ouderlingen: „Hier ben ik. Ik wil graag Jehovah dienen. Jullie kunnen mij overal waar jullie willen, naar toe sturen. Ik kan als gewone pionierster, speciale pionierster, of zendelinge dienst verrichten. Vertel mij maar wat jullie het beste vinden.”

In november 1977 ben ik getrouwd. Nu smaak ik het geluk om samen met mijn man het „goede nieuws” hier in Portugal te prediken. Zoals anderen geduldig en behulpzaam jegens mij zijn geweest, doe ik nu mijn uiterste best om de geestelijke ogen te openen van velen die nog in dienstbaarheid aan de tradities van de valse religie worden gehouden.

In plaats van „een leven van contemplatie en versterving” te leiden, heb ik ontdekt dat Jezus’ woorden en voorbeeld het allerbeste zijn, namelijk: „Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen” (Hand. 20:35). — Ingezonden.

[Illustraties op blz. 25]

MIJN DROOM BLIJFT ONVERVULD

DE DROOM WORDT VERVULD!

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen