De orkaan David — Een boze wind die niets goeds bracht
De donkerste dag in de geschiedenis van Dominica. Zo noemde Jenner Armour, de president van het eiland, de 29ste augustus (1979), de dag waarop de verwoestende winden van de orkaan David het eiland acht uur lang beukten. De plaatselijke Ontwaakt!-correspondent geeft hier zijn verslag.
SLECHTS weinigen van de 70.000 bewoners van Dominica schonken serieuze aandacht aan de orkaan David, toen deze zich nog mijlenver naar het oosten op de Atlantische Oceaan ophield. Ondanks orkaanwaarschuwingen voor het gehele gebied van de Bovenwindse Eilanden, geloofden maar weinig mensen dat David werkelijk Dominica zou treffen. De dag begon net als alle andere dagen, maar halverwege de ochtend waren er al zulke krachtige windstoten dat hoge kokospalmen als lucifershoutjes afknapten. Evenals andere Caribische eilanden zou ook Dominica niet ontkomen aan de winden van deze „killer”, die met een snelheid van wel 240 kilometer per uur voortraasden.
In de omgeving van Grand Bay kwamen zes mensen om het leven toen David tekeerging tegen de gebouwen en 90 percent van de huizen beschadigde. Een vader van negen kinderen maakte zich daar klaar om naar zijn werk te gaan.
„Ik was boven en hoorde het luide gieren van de wind. Het werd steeds sterker. Het was angstaanjagend, dat geluid. Het kwam van alle kanten. Eerst uit het noorden, toen uit het oosten en westen. Ik zag hoe de muur van mijn eetkamer, die op het zuiden ligt, begon te bewegen en ging overhellen. Op de een of andere manier speelde ik het klaar om hem tegen te houden en vast te spijkeren. Toen begon de andere muur los te raken.”
De hele dag door maakten zij de ene verschrikkelijke situatie na de andere mee, maar ondanks zware schade aan het dak bleef het huis gespaard.
Eén man bevond zich in het huis van zijn zwager in Roseau.
„Ik zette een pan op tafel en begon te eten. Maar de anderen kregen geen hap door hun keel — en vroegen steeds maar hoe ik op een tijd als deze kon gaan zitten eten. Ik lachte hen uit omdat zij bang waren. Toen voelde ik het hele huis bewegen en schudden alsof er een aardbeving aan de gang was. Ik stond op en probeerde de deur dicht te houden. De wind werd sterker en het dak begon omhoog te gaan. Op een bepaald moment keek ik naar buiten en daar zag ik mijn kleine bestelwagen letterlijk in de lucht zweven! Ik zette de vrouw van mijn zwager met haar baby achter een deur en bleef er zelf voor staan om hen te beschermen. Wij wisten dat als het dak de lucht in ging, wij voor bescherming ergens anders heen zouden moeten rennen.”
Een andere ervaring is die van twee bejaarde zendelingen, de een 74 en de ander 80 jaar oud. Zij bevonden zich alleen in hun woning op de eerste verdieping van de Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen in Roseau. Een van hen vertelt:
„Het water gutste onder de deur van de eetkamer door. Ik trok mij terug in een aangrenzende slaapkamer en riep Gust dat hij daar ook naar toe moest komen. Hij had zich schrap gezet tegen de bolstaande deur om te voorkomen dat deze het zou begeven. Ik ging het toilet in om aan alle kanten beschut te zijn, maar ik hoorde een vreselijke knal in mijn slaapkamer. Het raam was eruit gewaaid. Ik bleef op het toilet totdat het dak van het huis vloog en ging toen de douchecel in, omdat ik daar aan alle kanten beschermd zou zijn. Er zat geen dak meer boven en een gebroken dakspant sloeg wild heen en weer. Ik ving een glimp van Gust op, die in een hoek boven op het aanrecht stond, met een gele plastic wastobbe over zijn hoofd. Hij had deze positie ingenomen voor de veiligheid, nadat de deur die hij had proberen te houden, het had begeven en hem tegen de grond had gesmakt. Hij zei dat buiten tegen de achtergrond van de donkere hemel stukken gegalvaniseerd plaatijzer van de daken als reusachtige roofvogels door de lucht zeilden.
Tegen de middag ging de wind even liggen en wij gingen naar beneden, de Koninkrijkszaal in. Die nacht zochten meer dan 30 mensen daar hun toevlucht.”
De hele dag werden de mensen door de hevige winden van de ene plaats naar de andere gedreven. Telkens wanneer een woning gedeeltelijk instortte, snelden degenen die zich erin bevonden, weer naar een andere schuilplaats. Daar brachten zij dan de rest van de dag door, in gezelschap van andere doorweekte en rillende slachtoffers van de storm. Op hun vlucht zagen sommigen hoe de schuilplaats die zij op het oog hadden, werd verwoest terwijl zij nog aan het worstelen waren om er te komen. Anderen hadden nog minder geluk. In La Plaine, aan de oostkust, vertelde een jongeman het volgende:
„Wij konden zien dat de golven van de zee erg hoog waren. Na een tijdje hoorden wij het gerommel van donder en het volgende ogenblik was het net alsof er een aardbeving plaatsvond. Mijn moeder en ik hielden de deur tegen. Mijn zuster raakte in paniek en duwde mij opzij en schreeuwde dat de wereld verging. Zij rende naar buiten. Ik zag het huis verschuiven, wankelen, en zij rende er vlak langs. Ik zag het huis boven op haar terechtkomen. Wij probeerden het huis van haar af te krijgen, maar het ging niet. Toen gilde zij: ’O God! Mama, ik ga dood!’”
Onmiddellijk na de orkaan was Dominica 24 uur lang van de buitenwereld afgesloten. Twee weken voordien was er een einde gekomen aan een zes maanden durende algemene staking, die de invoer van bitter noodzakelijke levensmiddelen had beknot. De straten van Roseau lagen vol afval. En kort voordat de algemene staking was afgekondigd, hadden politieke oppositiegroepen de regering van de eerste premier van de zes maanden oude republiek ten val gebracht. De 70.000 bewoners van Dominica bevonden zich dus in een hachelijke situatie, vooral nu de gehele landbouw was uitgeschakeld en er weinig of geen vooruitzichten bestonden op enige produktie van betekenis vóór 1980.
Verschillende landen begonnen per luchtbrug een grote verscheidenheid aan goederen naar de luchthaven Melville Hall, aan de noordkant van het eiland, te vervoeren. Terwijl de reliefgoederen zich opstapelden, ontstond een nieuw probleem — er kwam een golf van plunderingen opzetten. Hoewel de mensen misschien door bezorgdheid en wanhoop werden gedreven, leek het er niettemin op alsof een of andere boze kracht zich van velen begon meester te maken. Eén waarnemer bericht:
„Tegen de namiddag drongen mensen met allerlei soorten voertuigen de luchthaven binnen en begonnen onder de ogen van de politie te plunderen. Ik zag hoe een predikant van een plaatselijke kerk met veel moeite een zak in zijn auto stond te tillen. Ik riep naar hem en vroeg wat er in die zak zat, maar hij gaf geen antwoord.”
Een van Jehovah’s Getuigen die bij J. Astophan NV werkt, vertelde welke toestand er heerste twee dagen nadat de orkaan David gewoed had:
„De weg werd letterlijk geblokkeerd. Overal waren mensen. Ik heb mijn hele leven nog nooit zo iets gezien. Mensen die alles wat zij maar te pakken konden krijgen — timmerhout, cement, koelkasten — meesleepten of op een kar meenamen. Ik was stomverbaasd. Wat moet je nu met een koelkast of een televisie beginnen als er geen elektriciteit op het eiland is? Zij sleepten 100 nieuwe koelkasten weg. De eerste dag droegen zij ze op hun nek of gebruikten zij een kar. Een paar dagen later kwamen zij met vrachtwagens en auto’s. Ik zag mensen die met een koelkast langs de weg zaten te wachten totdat iemand hen meenam landinwaarts.
Het plunderen van de magazijnen heeft wel meer dan een week geduurd en ging dag en nacht door. Alle nieuwe auto’s werden gestolen of compleet gesloopt. Zij namen de motor eruit en haalden de banden eraf.
Alle losse onderdelen, goederen ter waarde van meer dan een miljoen dollar, die in de orkaan gespaard waren gebleven, werden tot de laatste toe weggehaald. Honderden meters timmerhout, rondstaal en cement werden meegenomen. Tonnen diepvriesprodukten werden op klaarlichte dag lopend of met auto’s weggehaald. Andere magazijnen in de omgeving werden op dezelfde manier geplunderd.”
De voorzitster van de gemeenteraad van Marigot Village, die had gezien hoe mensen grote hoeveelheden dekens en andere dingen wegsleepten, zei dat ze niet had kunnen slapen nadat zij met haar eigen ogen had gezien hoe personen die zij kende en respecteerde, plotseling in dieven veranderden.
De storm heeft sommigen er werkelijk toe gebracht zich van hun slechtste kant te laten zien, hoewel er gelukkig ook mensen waren die blijk gaven van moed en bezorgdheid voor de veiligheid en het welzijn van anderen. Maar de hele bevolking van dit liefelijke eiland en andere eilanden stond nu voor de zware taak hun verwoeste huizen te herbouwen en hun velden opnieuw te beplanten.
Wat de orkaan David zelf betreft, op Dominica had hij 42 doden, honderden gewonden en meer dan 60.000 daklozen in zijn spoor achtergelaten. Op zijn weg naar het noordwesten trof hij de Dominicaanse Republiek en doodde daar nog eens 1000 mensen.
Een jonge getuige in Los Alcarrizo vertelde:
„Wij keken vanaf de veranda toe hoe zinkplaten van de huizen werden losgescheurd en door de lucht vlogen. Toen er één plaat een beetje te dichtbij kwam, gingen wij naar binnen, maar daar werden wij nog nerveuzer door het gerammel van onze eigen zinken platen. Wij keken naar buiten en zagen twee huizen in het blok aan de overkant instorten. Vervolgens gingen er, de één na de ander, nog eens zeven. Wij konden het niet geloven! Even daarvoor had er nog een blok huizen gestaan; nu lag er alleen nog maar een hoop puin!”
In Bani bood het zendelingenhuis van Jehovah’s Getuigen beschutting aan 40 mensen, plus honden, katten en een papegaai. Ongelukkig genoeg bleken niet alle schuilplaatsen veilig te zijn. Vijf personen kwamen om toen de katholieke kerk in Guaybin instortte. In Malpaéz bij San Cristobal zochten 100 personen hun toevlucht in een kerk die instortte, waarbij 16 mensen werden gedood en 50 gewond raakten. In Villa de Ocoa stortte nog een katholieke kerk in en werden 400 mensen onder haar puin begraven.
Het woord „hurricane” (orkaan) is afgeleid van een Indiaans woord dat „boze geest” betekent. De mensen van Dominica zullen er volledig mee instemmen dat de orkaan David een boze wind was die niets goeds bracht.