De buitenwijk die weggleed
VORIG jaar droeg de Nieuwzeelandse Auckland Star van 7 augustus de kop: „DE BUITENWIJK DIE WEGGLIJDT . . .”
„Begin mei sprong in de rustige villawijk Abbotsford bij Dunedin een hoofdwaterleiding”, zette de krant uiteen. Dit, zo vervolgde het artikel, was „het startsein voor het wegglijden van Abbotsford, waardoor 200 mensen uit hun huizen zijn verdreven”.
Abbotsford is een groeiende buitenwijk die tegen een heuvel op is gebouwd en zich tot in bouwland uitbreidt. Begin juni begonnen er scheuren te komen in sommige van de prachtige nieuwe huizen. De grond begon letterlijk te splijten en gedeelten gleden weg, waardoor ten slotte een kloof ontstond. Dringende verzoeken van geëvacueerde gezinnen leidden ertoe dat zij voor korte periodes hun huizen in mochten om wat bezittingen te redden. De plaatselijke autoriteiten vonden een paar huizen zo gevaarlijk dat ze werden gesloopt. Maar dit was niets vergeleken bij de verwoesting die nog zou komen.
Een grote ramp
Op woensdag 8 augustus zat een gezin dat ten westen van de spleet woonde, bijeen in de zitkamer. Een scheurend geluid dat achter de schutting in hun achtertuin vandaan kwam, deed hen naar buiten snellen. Alles was stil, op een vreemd ge-„ping” in de bovengrondse elektriciteitsleidingen na. En toen begon een huis dat wat lager aan de weg lag, „als een auto achteruit te rijden”!
Een gezin dat drie huizen verder woonde, was van plan vrijdag 10 augustus te evacueren. Daar de echtgenoot ongewone geluiden hoorde, tuurde hij in het duister van de achtertuin. Hij kon zijn ogen niet geloven toen hij zag hoe de schimmige vormen van vertrouwde heesters wegzonken en uit het gezicht verdwenen.
Het gezin verliet het huis en ging naar het huis van een buurman. Terwijl zij samen stonden te overleggen wat zij moesten doen, begon een elektriciteitspaal over te hellen tot hij bijna de grond raakte en onder een regen van vonken knapten de draden. Het huis dat zij juist hadden verlaten, helde gracieus over en zakte snel over de rand van een breder wordende spleet.
In het telecommunicatiecentrum op de heuvel sloot de dienstdoende technicus om ongeveer negen uur de dagelijkse radioverbinding. Toen hij door de verlaten straten de helling afliep, hoorde hij brekend glas en andere geluiden van vernielingen. Hij rende in de richting van het lawaai en zag voor zich in de weg een kloof ontstaan. De overzijde gleed weg „alsof het zachte tandpasta was die uit een tube werd geknepen”. Bovenleidingen „floten” en knapten, zodat van het ene moment op het andere heel Abbotsford in duisternis was gehuld.
Daar hij aan de andere zijde van de kloof mensen hoorde schreeuwen, riep hij met behulp van zijn walkie-talkie het hoofdkwartier van de Bescherming Bevolking op en vroeg om hulp. Verbijsterd zag hij in het licht van zijn zaklantaarn hoe de kloof steeds breder werd. De massa bewoog zich zo snel dat de kloof ongeveer 20 meter breed was tegen de tijd dat de brandweer arriveerde — te breed om de mensen aan de overzijde te bereiken.
Aan de andere zijde van de kloof had een gezin zich gereedgemaakt om te evacueren. In het licht van hun koplampen zagen zij de weg voor zich openscheuren. In doodsangst sprongen zij uit hun auto en renden in de richting van het geluid van andere stemmen. Spoedig waren honderden mensen van de BB, brandweer en politie met zoeklichten ter plaatse. In de lucht hing een helikopter om de 17 personen die op het weggegleden stuk land gevangen zaten, op te pikken. Maar onder aan de landverschuiving vonden brandweermannen een weg waarlangs zij hen veilig naar beneden konden brengen.
Een ontzagwekkend tafereel
Het daglicht onthulde een ontzaginboezemend tafereel. Een groot deel van de buitenwijk Abbotsford was langs de berghelling naar beneden gegleden, compleet met twee straten met aan weerszijden huizen, trottoirs, heggen, brievenbussen en geparkeerde auto’s. Een betonnen pad bengelde over de rand van de kloof. Een auto en een caravan lagen in elkaar gedrukt bijeen, half begraven onder de modder. Midden in de geweldige aardverschuiving lag hoog verheven, onberoerd en ordelijk een tuin, maar het erbij behorende huis was verdwenen.
Vreemd genoeg stond te midden van ingestorte en verwrongen huizen een kleine, eenzame broeikas waarvan zelfs niet één ruit was gebarsten. Hoger op de heuvel lag dwars door het ravijn een rij omlaaggetuimelde huizen; de baksteenbekleding van de muren was verdwenen zodat het vakwerkgeraamte zichtbaar was en de huizen nu een merkwaardig ouderwetse indruk maakten die aan de oude Engelse Tudorstijl deed denken.
Hulp en het opnemen van de schade
Vanuit heel Nieuw-Zeeland stroomden voedsel, dekens, geld en aanbiedingen voor onderdak bij het hoofdkwartier van de BB binnen. Vrachtwagens en chauffeurs die naar de plaats van het onheil waren gekomen, bleven twee dagen paraat voor het geval dat hun hulp nodig was.
De financiële verliezen waren enorm; de schattingen spraken van miljoenen guldens. Zo’n 70 huizen waren verwoest of moesten gesloopt worden. Andere waren ernstig beschadigd. Maar verbazingwekkend genoeg was er te midden van al deze verwoestingen niet één persoon gedood. En de enige die een verwonding opliep, was een arbeider die in een spijker trapte.
Na van de eerste schrik bekomen te zijn, veranderde de stemming van velen van de slachtoffers in woede. Er werd bekend dat er zich in die streek in 1870, in 1925, in 1939 en in 1968 reeds minder ernstige aardverschuivingen hadden voorgedaan. Als men dit voordien had geweten, zou dit de bouwplannen van velen misschien hebben beïnvloed. Deze ramp die een tegen een heuvel gebouwde woonwijk trof, kan anderen er wellicht toe aanmoedigen opnieuw te bekijken hoe veilig de plek is waarop hun huis staat. — Ingezonden.