Van voetbalidool tot een leven van godvruchtige toewijding
IK BEN opgegroeid in een dorpje in de mijnstreek van Yorkshire (Engeland). Hoewel ik een verschrikkelijke hekel aan school had, was er één ding waar ik plezier in had — sport. Vooral voetballen deed ik graag.
Op een dag zag een talent-scout mij in het schoolelftal spelen, waarop hij mij vroeg of ik voor de Wolverhampton Wanderers Football Club wilde spelen. Ik was niet erg onder de indruk. Ik verwachtte uiteraard na mijn schooltijd in de plaatselijke kolenmijn te zullen gaan werken, maar mijn moeder opperde dat wij met het oog op hun aanbod op z’n minst naar Wolverhampton konden reizen om te horen wat de club te zeggen had. Dus stemde ik daarmee in.
Het bezoek zou mij lang bijblijven. Ik voelde een sfeer van opwinding. De manager was een oprechte man en hij overreedde mij om voor de „Wolves”, zoals de club werd genoemd, te tekenen.
Ik was 17 toen ik de kans kreeg om in het eerste elftal te spelen. De wedstrijd vond plaats in Leicester en wij wonnen. De volgende wedstrijd was een thuiswedstrijd en ik maakte een doelpunt. Koppen op de sportpagina’s verkondigden: „Nieuwe ster aan het firmament!”
Mijn leven als voetbalidool
Ik was alleen echt gelukkig wanneer ik voetbalde, en vooral wanneer ik doelpunten maakte. Ik herinner mij één gelegenheid in Preston dat ik vanaf zo’n 32 meter schoot. Nu nog zie ik de bal als een raket in de bovenhoek van het doel verdwijnen. Toen rende ik die 32 meter naar de supporters van de Wolves achter het doel en wierp mijn armen met gebalde vuisten triomfantelijk in de lucht. In feite vroeg ik hun of zij zo iets ooit eerder hadden gezien. De menigte reageerde door in koor telkens weer mijn naam uit te roepen.
Ik werd een aantal malen uitgekozen om in het nationale jeugdelftal (tot 18 jaar) te spelen, terwijl ik na verloop van tijd voor het nationale elftal voor jongeren onder de 23 werd uitgekozen. Velen zeiden dat het nu nog slechts een kwestie van tijd was voordat ik in het echte nationale team zou mogen uitkomen.
Dat ik nu een voetbalidool was, bracht echter niet de oplossing voor mijn persoonlijke levensproblemen. Ik kampte met een opstandige houding; wat anderen overkwam, liet mij koud. Het was zo erg dat de manager er regelingen voor trof dat ik naar een psychiater ging. Maar ik veranderde niet. Toen ontmoette ik op zekere dag Jean en al gauw besloten wij te trouwen. De clubmanager haalde opgelucht adem. Hij hoopte dat het huwelijk mij evenwichtiger zou maken.
Ik mocht Jean graag omdat zij een leuke meid was. Zij mocht mij wel, zoals zij zei, omdat ik haar liet lachen, maar wij hielden niet echt van elkaar. Jean zei dat verkering hebben met een voetbalidool heel iets anders was dan ermee getrouwd te zijn. Na een paar weken werd ons huwelijk buitengewoon stormachtig. Bij één gelegenheid gooide ik in een vlaag van woede een theepot naar Jean, die haar dij raakte en toen een glazen deur verbrijzelde. Daarom nam zij een schaar en knipte zij een pak dat ik net gekocht had aan stukken. Ik overwoog om bij Jean weg te gaan, en vanwege mijn manier van optreden dreigde zij zelfs met zelfmoord.
Contact met Jehovah’s Getuigen
Nadat wij twee maanden getrouwd waren, werd er op de deur geklopt en stelde een man die ik later als Ken leerde kennen, zich als een van Jehovah’s Getuigen voor. Zodra ik besefte dat hij een godsdienst vertegenwoordigde, zei ik hem dat ik geen belangstelling had. Maar voordat ik de deur dichtdeed, vroeg hij mij of ik graag op een vredige aarde zou willen leven. Ik beantwoordde zijn vraag niet, maar ik kreeg opeens het gevoel dat ik hem wilde vertellen hoe mijn vader en mijn kleine zusje waren gestorven. En dat deed ik ook.
Mijn vader was een populaire, alom gerespecteerde man van nog maar net 42, toen hij aan kanker stierf. Ik kon mij nog steeds het gevoel van verbitterdheid herinneren dat mij overweldigde toen ik aan zijn graf stond. Net twee weken later stierf mijn zusje. Mijn moeder was helemaal kapot van verdriet. En ik kon niet vergeten hoe ik als jongen van elf met de dode baby in mijn armen de trap opliep en haar op bed legde. Waarom waren deze dingen gebeurd?
Ken vroeg mij of ik dacht dat God alles weer in orde zou kunnen brengen. Ik herinner mij dat ik uitriep: „Dat geloof ik nooit!” Toen liet Ken mij 2 Timótheüs 3:1-5 zien en één zinnetje trok mijn aandacht, namelijk „mensen zullen zichzelf liefhebben”. Ik zei: „Zo zijn de mensen tegenwoordig.” In feite gaf ik toe: „Ik ben zelf zo!” Hij legde verder uit welke toestanden er zouden heersen in de tijdsperiode die de bijbel de „laatste dagen” noemt. Hij stelde voor dat wij ons gesprek de daaropvolgende week zouden voortzetten en ik stemde daarmee in. Wij begonnen de bijbel te bestuderen met behulp van het boek De waarheid die tot eeuwig leven leidt. Jean lachte mij uit omdat ik de bijbel las, maar toen zij de vierde week dat ik studie had door de kamer liep, stelde zij een vraag en Ken beantwoordde deze. Dus stelde zij nog een vraag, en het duurde niet lang of Jean nam aan de studie deel.
Spoedig begon Ken ons uit te nodigen naar de Koninkrijkszaal te komen. Omdat ik erg egocentrisch was, vroeg ik mijzelf af wat voor indruk ik zou maken. Tijdens mijn eerste vergadering sprak ik met degene naast mij op een naar mijn idee fluisterende toon, maar een zaalwachter vroeg mij vriendelijk of ik misschien stil zou willen zijn. Dit was niet bepaald strelend voor mijn ego. Na afloop van de vergadering stelden heel wat mensen zich aan mij voor en vroegen mijn naam. Verbaasd dat zij mij niet herkenden, vertelde ik hun dat ik Peter Knowles was. Zij wisten niet eens dat ik voetbalde. Toen zij vroegen „Voor wie speel je?” brak mijn klomp. Ik dacht dat iedereen in Wolverhampton mij kende. De ervaringen van die avond waren de eerste uit vele die ertoe zouden leiden dat ik mijzelf in het juiste perspectief zou gaan zien.
Jean en ik studeerden verder, maar ons probleem was Gods Woord in ons leven toe te passen. In ons huis werd het beginsel „Laat de zon niet ondergaan terwijl gij in een geërgerde stemming verkeert”, nooit toegepast (Ef. 4:26). Ik had er moeite mee om mij te ontspannen. Ik was altijd geprikkeld, één bonk zenuwen. Zelfs tijdens onze bijbelstudie wipte ik van de ene stoel op de andere, terwijl ik aan het eind veelal op de grond zat. Voetballen bracht een bepaalde druk met zich mee. Als gevolg daarvan was ik gespannen, en dit leidde tot ruzies met Jean. Ik was een voetbalidool, maar dit deed ons huwelijk geen goed.
Liefdevolle hulp op het moment dat wij het nodig hadden
Iets wat gedurende deze periode grote indruk op ons maakte, was de vriendelijkheid van de gemeente. Men betoonde ons buitengewone gastvrijheid. Wat verschilde dit van mijn omgang met andere voetballers! Wij waren nog nooit bij hen thuis genodigd, noch hadden wij er ooit over gedacht hen bij ons uit te nodigen. Maar hier troffen wij mensen die werkelijk in de nieuwe ordening zouden kunnen leven waarover wij in onze studie hadden geleerd.
Het seizoen 1968-1969 was achter de rug en wij waren met verscheidene andere Britse clubs overeengekomen om gedurende deze pauze mee te doen aan een toernooi in de Verenigde Staten, dat bedoeld was om de voetbalsport daar grotere populariteit te bezorgen. Terwijl ik daar was, nam ik contact op met Jehovah’s Getuigen. Een van hen in het bijzonder keek die zes weken dat wij in Kansas waren, veel naar mij om en nam mij mee naar de vergaderingen en naar de kantoren waar vrijwilligers bezig waren een congres van Jehovah’s Getuigen voor te bereiden. Terugblikkend, besef ik nu dat dit een bijzonder belangrijke fase in mijn geestelijke vooruitgang is geweest.
Twee verschillende levenswijzen
Weer thuisgekomen, was de training voor het nieuwe seizoen begonnen, maar de gemeente zag ernaar uit naar het Wembley Stadion te gaan, niet om naar voetballen te kijken maar om het internationale „Vrede op aarde”-congres van Jehovah’s Getuigen bij te wonen. Die week zal ik nooit vergeten, want behalve dat ik mijn eerste congres bezocht, moest ik ook drie voetbalwedstrijden spelen. Dit was een unieke gelegenheid om de sfeer in de kleedkamers tegenover de familiesfeer van het congres te stellen. Ik keek bij de wedstrijden die ik speelde, naar de menigten en vergeleek ze daarna met de 82.000 personen die ’s zondags het congres van Jehovah’s Getuigen bijwoonden. Die week werd mij heel duidelijk wat een enorm verschil er bestond tussen het leven van een voetbalidool en godvruchtige toewijding.
Ik vond het voor mijzelf echter nog steeds niet tegenstrijdig om te voetballen en een getuige van Jehovah te zijn. Op een avond nodigde ik de presiderende opziener van onze gemeente uit om te komen kijken als ik speelde. Wij wonnen en ik maakte één van de doelpunten. Later die avond kwam hij bij ons thuis en praatten wij een poosje. Ten slotte vroeg ik hem hoe hij de wedstrijd had gevonden. Het gaf mij een schok toen hij zei dat ik op het veld een andere persoon was dan degene die de vergaderingen in de Koninkrijkszaal bezocht. Ik vertelde dat ik voor elke wedstrijd Jehovah bad of hij mij wilde helpen niet mijn zelfbeheersing te verliezen. Hij vertelde mij echter dat ik mij op het veld soms als een gladiator gedroeg. Maar ik was niet overtuigd.
Toen wij later tegen Manchester United speelden, gaf de menigte mij een geweldige ovatie. Zij zongen: „Geef de bal aan Knowles; wij willen goals!” En als ik dan scoorde, raakten zij buiten zichzelf en schreeuwden mijn naam nog vaker. Langzaam begon ik mij te realiseren dat wat de opziener had gezegd, waar was. Velen in de menigte behandelden mij bijna als een god. Het was een vorm van afgoderij, en ik wist dat het verkeerd was. Maar ik wilde de voetbalsport nog steeds niet vaarwel zeggen. Ik herinner mij dat ik vóór een wedstrijd tot Jehovah bad: „Helpt u me alstublieft om deze twee zaken te kunnen combineren. Helpt u me alstublieft om m’n zelfbeheersing te bewaren, en helpt u me alstublieft, Jehovah, om drie doelpunten te maken, in de naam van Jezus. Amen.” Maar in mijn hart wist ik dat mijn dagen als voetbalidool geteld waren.
Mijn keus — de resultaten
Op een dag zei ik in een interview tegenover een sportjournalist van een landelijk blad dat ik overwoog mij uit de voetbalsport terug te trekken. Hij haastte zich om er een fotograaf bij te halen, en de volgende ochtend stonden alle sportpagina’s in de krant er vol van! „Peter Knowles wordt Jehovah’s Getuige — overweegt met voetballen op te houden!” Vanaf dat moment verliep alles snel. Ik wist dat een van Jehovah’s Getuigen te zijn en Jehovah met godvruchtige toewijding te dienen, mij de beloning van eeuwig leven zou kunnen schenken. Dat zou voetbalroem mij nooit kunnen geven. Ik stelde daarom een datum vast en gaf mijzelf nog een paar weken. Mijn laatste wedstrijd was toen wij tegen Nottingham Forest speelden.
Drie weken later werden Jean en ik als symbool van onze opdracht aan Jehovah gedoopt. Behalve een later nog gespeelde galawedstrijd ter ere van mijn broer Cyril, waarmee ik een belofte inloste die ik hem gedaan had, ben ik nooit meer naar mijn vroegere leven in de voetbalwereld teruggekeerd.
Er waren toentertijd in de gemeente twee volle-tijdpredikers van de bijbel en wij gingen veel met hen mee om van huis tot huis het goede nieuws van Gods koninkrijk te prediken. Wij werden vaak binnengenodigd en lieten dikwijls een exemplaar van het Waarheid-boek achter. Maar het was moeilijk om over de bijbel te praten, en meer dan twee jaar lang konden wij met niemand een bijbelstudie beginnen. Iedereen wilde alleen maar over voetballen praten. Er werd van alle kanten grote druk op mij uitgeoefend om mij te overreden weer te gaan voetballen. Maar behalve brieven waarin mij werd gesmeekt weer terug te keren in de voetbalsport, ontving ik ook vele brieven van Getuigen uit de hele wereld die mij aanmoedigden mijn geloof niet te verzaken. Wij voelden echt dat wij nu deel uitmaakten van een wereldwijde gemeenschap van broeders en zusters. Wij gingen door, en binnen zes maanden hadden wij het voorrecht om al onze tijd aan de prediking van het goede nieuws van Gods koninkrijk te besteden. Vervolgens kreeg ik na negen jaar het voorrecht om in onze gemeente als ouderling te gaan dienen.
Het staat buiten kijf dat, als wij Jehovah niet waren gaan dienen, Jean en ik niet langer samen zouden zijn. Ons geloof heeft ons werkelijk verenigd. Nu zijn wij tevreden omdat wij weten wat de toekomst inhoudt. Wij hebben natuurlijk nog steeds onze ups en downs, maar dank zij de raad uit Gods Woord zijn wij in staat aan elk probleem dat zich op onze weg voordoet, het hoofd te bieden.
Een bijbeltekst die werkelijk indruk op mij maakte, was 1 Timótheüs 4:8, waar staat: „Lichamelijke oefening is nuttig voor weinig, maar godvruchtige toewijding is nuttig voor alle dingen, daar ze een belofte inhoudt voor het tegenwoordige en het toekomende leven.” Wanneer ik aan het „toekomende leven” denk, zie ik er vooral naar uit in de nabije toekomst in Gods nieuwe samenstel van rechtvaardigheid mijn vader en mijn zusje, met nog vele miljoenen anderen, hier op aarde terug te zien nadat zij uit de doden zijn opgewekt. En wat het „tegenwoordige leven” betreft, ik ben nu veel tevredener dan ik ooit was toen ik nog voetbalde.
Sommigen vinden misschien dat zij beroepsvoetballer kunnen zijn en tegelijk christen, maar ik kon dat niet. Tijdens de wedstrijd wordt zelfbeheersing oefenen moeilijk, zo niet onmogelijk. Het is een sport met een keiharde wedijver, die daarom vaak afgoderij bevordert. Wanneer ik terugdenk aan de tijd dat de menigten in koor mijn naam uitriepen en mij haast als een god bezagen, besef ik hoe gevaarlijk dat kan zijn. Ik heb nu mijn rust gevonden. Het aanbidden van Jehovah heeft mij vrede des geestes gebracht, alsook vele echte vrienden. Het heeft mij geholpen niet alleen mijzelf lief te hebben maar ook mijn vrouw, en bovenal Jehovah God. — Matth. 22:37-39.
Ik heb als voetbalidool geleefd. Nu wil ik alleen maar een leven van godvruchtige toewijding leiden. — Ingezonden.