De voordelen van grondigheid
De beroemde Britse staatsman en schrijver Sir Winston Churchill heeft jaren geleden in een verslag over zijn jeugd een episode beschreven die illustreerde hoe waardevol het is om iets belangrijks ook werkelijk grondig te leren. In zijn autobiografie My Early life (1930) legt hij uit hoe hij als schooljongen de Engelse taal zo meesterlijk leerde spreken en schrijven:
„Omdat ik zo lang in de laagste klas zat [op Harrow School], behaalde ik een enorm voordeel op de knapste jongens. Zij gingen allemaal naar een hogere klas en leerden Latijn en Grieks en nog meer prachtige dingen. Maar ik kreeg Engels. Wij werden als zulke domoren beschouwd dat wij alleen Engels konden leren. Meneer Somervell — een buitengewoon man aan wie ik bijzonder veel verschuldigd ben — had de taak de stomste jongens te onderwijzen in wat het minst belangrijk werd geacht, namelijk het schrijven van de Engelse taal. Hij wist hoe hij dat moest doen. Hij onderwees het zoals niemand anders het ooit heeft onderwezen. Niet alleen leerden wij grondig hoe wij een Engelse zin taalkundig moesten ontleden, maar wij deden dit ook werkelijk voortdurend. Meneer Somervell had hiervoor een eigen systeem. Hij nam een tamelijk lange zin en splitste die in zinsdelen met behulp van zwarte, rode, blauwe en groene inkt. Onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp, betrekkelijke bijzin, voorwaardelijke bijzin, conjunctieve en disjunctieve zinsdelen! Elk had zijn kleur en werd op zijn eigen manier met haakjes aangegeven. Het was een soort exercitie. Wij deden het haast dagelijks. Aangezien ik driemaal zo lang in de Derde Vier zat als iemand anders, kreeg ik er driemaal zo veel van. Ik leerde het grondig. Ik raakte door en door vertrouwd met de wezenlijke structuur van de gewone Engelse zin — hetgeen een nobele zaak is. En toen in latere jaren mijn schoolmakkers die prijzen en roem hadden verworven omdat zij zulke mooie Latijnse poëzie en zulke bondige Griekse epigrammen konden schrijven, weer moesten afdalen tot doodgewoon Engels, omdat zij hun brood moesten verdienen of vooruit moesten komen, toen voelde ik mij geenszins in het nadeel. Natuurlijk ben ik bevooroordeeld ten gunste van onderwijs waarbij jongens Engels leren; ik zou hen allemaal dwingen Engels te leren; en dan zou ik de knappe koppen Latijn laten leren, bij wijze van eer, en Grieks als een traktatie. Maar kastijden zou ik hen alleen als zij hun Engels niet kennen. Daarvoor zou ik hen duchtig kastijden.”