Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g78 22/11 blz. 22-26
  • Ik vond iets beters dan rijkdom

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ik vond iets beters dan rijkdom
  • Ontwaakt! 1978
  • Onderkopjes
  • Kan religie het antwoord geven?
  • Een ander doel nastreven
  • Met succes het hoofd bieden aan problemen
  • Een beter en gelukkiger leven
Ontwaakt! 1978
g78 22/11 blz. 22-26

Ik vond iets beters dan rijkdom

Zoals verteld door Shozo Mima

In 1946 keerde ik terug naar Kioto in Japan, nadat ik in de Tweede Wereldoorlog vier jaar in Mantsjoerije en China had gevochten. Ik bofte — miljoenen kwamen niet meer terug.

Ons eigen land was verwoest. Hele steden lagen in puin. De mensen verkeerden in verwarring en leden honger. Moeders liepen te zoeken naar voedselresten voor hun verhongerende baby’s. Maar de rijken konden altijd wel op de „zwarte markt” kopen wat zij nodig hadden. Ik wist wat het wilde zeggen arm te zijn, en ik wilde nooit meer armoede. Dus werd geld verdienen het hoofddoel in mijn leven.

Maar zoals u zult zien, vond ik iets wat beter was dan materieel gewin.

MIJN moeder stierf toen ik drie was en ik werd door mijn grootmoeder opgevoed. Wij woonden op het platteland, dicht bij Kioto, totdat ik op de leeftijd van 16 van de middelbare school kwam. Leren was niets voor mij en daarom besloot ik te gaan helpen in het bedrijfje van mijn vader, die van stro vervaardigde artikelen verkocht, zoals tassen, touw, matten, enzovoort. Ik bleef daar totdat Japan ging deelnemen aan de Tweede Wereldoorlog. Toen werd ik in 1941 op twintigjarige leeftijd opgeroepen voor het leger.

In die dagen vroeg ik mij vaak af wat er met de mens gebeurt wanneer hij doodgaat. Velen van ons jongeren hielden zich erg met de dood bezig, omdat wij wisten dat wanneer we als jongemannen de oorlog ingingen, we waarschijnlijk de dood zouden vinden. Ik vond het onbillijk dat ouderen van het leven konden blijven genieten en ik op jeugdige leeftijd zou moeten sterven. Hoewel destijds het sjintoïsme in Japan de heersende godsdienst was, had het mij nooit iets verschaft waaraan ik op geestelijk gebied steun had.

Na mijn terugkeer uit de oorlog trouwde ik — in overeenstemming met Oosters gebruik — met de weduwe van mijn broer die in de oorlog was omgekomen. Kort daarna stierf zij aan tuberculose. Opnieuw werd een Japanse gewoonte gevolgd toen mijn vader via een tussenpersoon regelingen trof voor mijn huwelijk met mijn huidige vrouw, Mitsue.

Ik had weinig opleiding genoten. En ik vroeg mij af hoe ik in mijn onderhoud zou kunnen voorzien. Na de meeste van onze bezittingen in de oorlog verloren te hebben, was financiële zekerheid, zoveel mogelijk geld verdienen, voor mij het belangrijkste geworden. Vindingrijkheid en hard werken, en niet zozeer een goede opleiding, waren naar mijn mening de sleutel tot succes. Mettertijd zette ik een onderneming op voor het transport naar de markt van kisten verse groenten en fruit uit de gebieden waar ze werden geoogst.

Dag en nacht werkte ik hard om mijn zaak op te bouwen. En de onderneming begon een succes te worden, hoewel ik niet rijk werd zoals ik had gehoopt. Toen kreeg ik de rekening gepresenteerd voor de onredelijke druk waaraan ik mezelf blootstelde. Ik werd ernstig ziek en moest in een ziekenhuis worden opgenomen.

Wekenlang moest mijn vrouw mij verzorgen. Ik dacht dat mijn ziekte ongeneeslijk was en dat ik zou sterven. Dus begon ik opnieuw over de dood te piekeren en over wat er met iemand gebeurt wanneer hij sterft.

Kan religie het antwoord geven?

Om een antwoord te vinden, wendde ik mij tot religie. Vroeger had ik iets vernomen over het Amida-boeddhisme en daar vatte ik nu opnieuw belangstelling voor op. Het boeddhisme leert dat er een wereld van onsterfelijke geesten bestaat en dat iedereen die sterft, tot deze geestenwereld gaat behoren. Het leert ook dat de geesten van sommige personen in een „hel” gepijnigd zullen worden.

Ik geloofde dit en was er daarom van overtuigd dat iets aan de mens onsterfelijk is en bij zijn dood blijft bestaan om in een geestenwereld voort te leven. Ik verlangde zekerheid dat dit veronderstelde innerlijke leven van mij niet zou overgaan naar een of andere plaats van pijniging, maar na de dood een gelukkige toekomst zou hebben. Tot mijn grote teleurstelling stierf echter degene die mij in het Amida-boeddhisme onderwees en ik was niet in staat de antwoorden te vinden die ik zocht.

Toch bleef ik zoeken naar de weg die tot redding leidt, door andere boeddhistische bijeenkomsten bij te wonen. Ik ging zelfs naar sommige protestantse en katholieke kerken. Ik vond het interessant om te ontdekken dat deze vrijwel hetzelfde leerden als de boeddhisten, namelijk dat iemand na de dood hetzij in een plaats van vurige pijniging moet verblijven, of zich mag verheugen in redding in de hemel, afhankelijk van het soort van leven dat hij heeft geleid toen hij op aarde was. Maar de antwoorden bevredigden mij niet. Bovendien nam ik de zelfzucht en de hebzucht van deze kerken waar en ik hield er mee op ze te bezoeken.

In de tijd dat ik ziek was, kwam Lois Dyer, een Australische zendelinge van Jehovah’s Getuigen, bij mij aan de deur. Zij bood aan om gratis bij ons thuis de bijbel te komen bestuderen, en ik nam dat aanbod graag aan. Maar naarmate de studie vorderde, veranderde mijn vreugde in smart.

Dit kwam vooral door de bijbelse leer dat de menselijke ziel niet onsterfelijk is. Lois las mij teksten voor als Ezechiël 18:4, waar staat: „De ziel die zondigt, díe zal sterven.” Ik was erg boos toen ik dit hoorde, zodat ik zelfs probeerde met de studie op te houden. Ook leek de studie soms moeilijk, wat mij deed vragen: „Waarom moet een mens zulke moeilijke dingen studeren om redding te verkrijgen? Kan het niet eenvoudiger?”

Lois legde uit dat verkeerde ideeën diep in het hart van de mensen geworteld zijn ten gevolge van de onwaarheden die de religies honderden jaren hebben onderwezen. Daarom is er zorgvuldige studie nodig om onderscheid tussen waarheid en dwaling te kunnen maken. Zij zei ook dat alleen waarheid mensen eeuwige redding zal brengen.

Nadat zij dat had uitgelegd, begon ik in te zien dat het werkelijk nodig was ernstig te studeren om Gods waarheden te leren kennen. Deze bijbeltekst trof mij: „Indien gij ernaar blijft zoeken als naar zilver, en gij er als naar verborgen schatten naar blijft speuren, in dat geval zult gij de vrees voor Jehovah begrijpen, en gij zult de kénnis van God vinden” (Spr. 2:4, 5). Nu begon ik van de bijbel te genieten. En terwijl wij de leer ervan bestudeerden, begon de stof betekenis voor mij te krijgen.

Ik zag nu dat het waar is, mensen zijn zielen en bij de dood sterft de ziel. De doden hebben geen bewustzijn (Pred. 9:5, 10; Ps. 146:4). Maar de Almachtige God heeft de macht personen weer tot leven op te wekken, en zijn stellige belofte is dat hij dit ook zal doen (Joh. 5:28, 29; Hand. 24:15). De bijbel leert ook duidelijk dat de aarde waarop wij leven, veranderd zal worden in een prachtig tehuis dat bewoond zal worden door mensen die God zullen gehoorzamen (Openb. 21:3, 4). Deze bijbelse leerstellingen gingen diepe indruk op mij maken, en ze gingen mijn leven beïnvloeden.

Ik herstelde spoedig en kon mijn werk hervatten om mijn tanende bedrijf weer overeind te zetten. Maar niet alleen mijn standpunt ten aanzien van het boeddhisme, maar ook ten aanzien van het verwerven van rijkdom was veranderd. Ik begon tot de boeddhistische priester te prediken over de dingen die ik uit de bijbel leerde. Dit wekte de toorn van mijn vader op en hij zette ons zijn huis uit. Daarom veranderden wij een van de vertrekken van mijn kantoor en trokken daarin.

Een ander doel nastreven

In die dagen kostte het een uur om met de bus bij de vergaderplaats van Jehovah’s Getuigen te komen. In een openbare gelegenheid was een kleine, typisch Japanse kamer van ongeveer vier bij zeven meter gehuurd. Mensen in aangrenzende vertrekken speelden daar gewoonlijk het Japanse spel Go of leerden hoe zij de abacus moesten gebruiken, zodat er altijd een heleboel lawaai was. Ik was onder de indruk van de oprechtheid en het enthousiasme van degenen die de vergaderingen bezochten, onder wie zich ook veel jonge mensen bevonden, en die in weerwil van alle afleidende geluiden nauwgezet aandacht schonken aan het studiemateriaal.

Ik zal me altijd de eerste Gedachtenisviering van Christus’ dood blijven herinneren, die ik in 1955 bijwoonde. Zoals u wellicht weet, wordt deze viering „het avondmaal des Heren” genoemd (1 Kor. 11:20). En aangezien ik niet wist wat voor soort van maaltijd er zou worden opgediend, ging ik er samen met een andere bijbelstudent heen — in mijn beste kleren en zonder thuis iets gegeten te hebben. Wat hadden we allebei een honger toen we na afloop huiswaarts keerden!

Vervolgens begon ik de halfjaarlijkse kringvergaderingen van Jehovah’s Getuigen te bezoeken, die twee of drie dagen duurden. Als ik voor het bezoeken van dergelijke vergaderingen van huis weg was, maakte ik me gewoonlijk zorgen over mijn zaak. Maar de gelukkige omgang met de fijne mensen daar, was belangrijker voor me geworden dan geld verdienen.

Het scheen logisch dat als de bijbel de weg tot redding bevat, het enige juiste wat men doen kan is, de waarheden eruit met anderen te delen. Na verloop van tijd was ik zover dat ik anderen kon helpen in hun eigen huis de bijbel te bestuderen. De eerste met wie ik geregeld studeerde, was een schilder. Toen ik op een avond op weg naar huis was terwijl het hevig sneeuwde, kwamen er allerlei vragen in me op: „Waarom moet ik dit eigenlijk op zo’n laat uur doen? Waarom kan ik me niet gewoon alleen in mijn eigen redding verheugen? Ik weet dat het werk belangrijk is, maar waarom . . .?”

En terwijl ik door de sneeuw voortploeterde, legde ik de kwestie in gebed aan Jehovah voor. Toen herinnerde ik me wat de zendelinge mij gezegd had toen ik haar naar een eenvoudiger weg tot redding had gevraagd. Ze zei: „God is liefde, en zelfzucht en haat zijn uit de Duivel.” Ja, de meeste mensen gaan op in de zelfzuchtige jacht naar rijkdom. Maar nu zag ik in dat dit predikingswerk iets heel onzelfzuchtigs is; het is Gods werk. Door middel van de prediking wil Jehovah mensen die willen luisteren, bijeenbrengen en opleiden tot redding.

Op dat moment kreeg ik een vollediger begrip van Gods liefde alsook van de belangrijkheid van onze werken van liefde. Voordat ik die avond ging slapen, dankte ik Jehovah uit het diepst van mijn hart voor het begrip dat hij mij had geschonken. Die ervaring kan ik me tot op de dag van vandaag nog duidelijk herinneren.

Met succes het hoofd bieden aan problemen

Ik begon nu van de zijde van mijn gezin en andere familieleden, alsook van vrienden en kennissen, meer tegenstand te ondervinden. Dat vond in belangrijke mate zijn oorzaak in het feit dat ik niet meer wilde deelnemen aan activiteiten die vaak religieuze aspecten in zich borgen, zoals bijvoorbeeld bij begrafenissen.

Mijn vrouw bevielen de veranderingen die ik aanbracht, helemaal niet en ze vroeg een echtscheiding aan, wat me bijzonder schokte. Ik kon echter met haar over de dwaasheid van een dergelijke stap redeneren, en later begon ook zij de bijbel te bestuderen. Wat was ik gelukkig toen zij haar leven aan Jehovah opdroeg en in 1957 als een van Jehovah’s Getuigen werd gedoopt.

Het was vooral moeilijk om onze twee dochtertjes in de weg van het ware christendom groot te brengen, want de mensen in onze gemeenschap vieren met bijzondere ijver allerlei onchristelijke religieuze festiviteiten, waartoe kinderen zich erg aangetrokken voelen. Ik probeerde onze dochters te leren waarom bepaalde vieringen en praktijken God niet behagen. We maakten het tot een gewoonte om de dingen die we op onze christelijke vergaderingen hadden geleerd, op weg naar huis nog eens door te praten, en vaak prees ik hen als zij het geleerde goed hadden onthouden. Dit moedigde hen aan om op te letten. Ook waren mijn vrouw en ik er erg gewetensvol in een leven te leiden dat in overeenstemming was met ons onderwijs, en de kinderen altijd een goed voorbeeld te geven.

Een beter en gelukkiger leven

In 1957, op een congres in Osaka, werd de mededeling gedaan dat de zendelingen in Kioto naar andere toewijzingen zouden vertrekken. Tijdens dat congres werd er gesproken over de behoefte aan volle-tijdpredikers of „pioniers”. Ik begon er over te denken of ook ik zou kunnen pionieren door mijn tijd verstandig in te delen.

Toen wij weer thuis waren, probeerde ik op tijdelijke basis te pionieren door part-time in mijn zaak te werken. Vervolgens nam ik een man in dienst om voor de zaak te zorgen terwijl ik aan het predikingswerk deelnam. Na een jaar liep mijn zaak net zo goed als het jaar daarvoor, en ik begon dus op geregelde basis te pionieren. Later, in 1964, besloot ik de zaak te verkopen. Van de opbrengst van de verkoop en door part-time in een viskwekerij te werken, kon ik in de levensbehoeften van mijn gezin voorzien en heb ik tot op deze dag mijn werk in de pioniersdienst kunnen voortzetten.

Ik heb talloze zegeningen ondervonden door Jezus’ raad op te volgen ’niet langer schatten op aarde te vergaren, waar mot en roest verteert, maar veeleer schatten in de hemel te vergaren’ (Matth. 6:19, 20). Een van die zegeningen was dat er in 1965 op mijn erf een Koninkrijkszaal werd gebouwd.

Toen ik pas met Jehovah’s Getuigen omging, waren er in Kioto slechts 10 Koninkrijksverkondigers die in dat kleine gehuurde vertrek vergaderden. Maar nu zijn er in Kioto negen bloeiende gemeenten, met meer dan 700 verkondigers en 96 pioniers! En er zijn zes mooie Koninkrijkszalen. Gedurende de afgelopen 23 jaar ben ik getuige geweest van al deze toename in Jehovah’s aanbidding en heb ik er een aandeel aan mogen hebben.

Een lonende ervaring, die ik nooit zal vergeten, was het internationale congres dat ik in 1958 in het Yankee-stadion en de Polo Grounds in New York kon bijwonen. Bij het zien van de om en nabij 180.000 mensen op de openingsdag, kon ik begrijpen dat Jehovah er inderdaad mee bezig is mensen van alle talen en nationaliteiten als zijn ware aanbidders bijeen te brengen.

Het is een bijzondere vreugde geweest de geestelijke groei te zien van degenen met wie ik de bijbel heb bestudeerd. Sommigen van hen dienen nu als pionier en helpen weer andere personen de weg tot redding te leren kennen. Mijn vrouw is al die jaren een getrouwe metgezellin geweest en wij nemen geregeld samen aan het predikingswerk deel. Onze twee dochters zijn nu getrouwd, en beiden hebben een volledig aandeel aan de pioniersdienst gehad.

Wanneer ik terugdenk aan de tijd toen rijk worden nog het voornaamste doel in mijn leven was, valt mijn leven van destijds niet te vergelijken met het geluk dat mij ten deel is gevallen sinds ik mijn doel veranderde. Er is werkelijk niets dat de tevredenheid en voldoening kan evenaren die men ondervindt wanneer men zijn leven aan het dienen van onze Grootse Schepper besteedt.

[Illustratie van Shozo Mima op blz. 22]

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen