Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g79 8/11 blz. 24-26
  • Wat is uw zienswijze omtrent de doden?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Wat is uw zienswijze omtrent de doden?
  • Ontwaakt! 1979
  • Vergelijkbare artikelen
  • Er is een toekomst voor de doden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1968
  • Wat gebeurt er bij de dood?
    U kunt voor eeuwig in een paradijs op aarde leven
  • Oefen geloof tot eeuwig leven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
  • Moet u bang zijn voor de doden?
    Ontwaakt! 2009
Meer weergeven
Ontwaakt! 1979
g79 8/11 blz. 24-26

Wat is uw zienswijze omtrent de doden?

EEN vrouw staat te treuren bij het graf van haar man, die door een ongeluk om het leven is gekomen. Het is 2 november, een dag die in de christenheid bekendstaat als Allerzielen. Bij deze gelegenheid bezoeken miljoenen personen over de hele wereld de kerkhoven om de graven met bloemen en kransen te versieren.

Wat is de reden hiervoor? Velen zijn van mening dat de „zielen” van hun geliefde doden er baat bij vinden wanneer zij op die dag aan het graf staan. Rooms-katholieken geloven dat op Allerzielen bepaalde religieuze activiteiten en gebeden verlichting kunnen schenken aan de zielen die in het „vagevuur” lijden ondergaan. Volgens de katholieke leer is het vagevuur een plaats van tijdelijke straf om de ziel te zuiveren voordat haar toegang tot de hemel wordt verschaft.

Hoewel protestanten geen leer van een vagevuur kennen, vieren sommige van hun kerken toch Allerzielen. In feite is deze dag de laatste van drie opeenvolgende dagen die de christenheid beschouwt als dagen die op een speciale wijze met de doden in verband staan. De dag voor Allerzielen, 1 november, is Allerheiligen, ter ere van de zielen van „heiligen”, die naar men gelooft de hemel reeds hebben bereikt. En de avond vóór Allerheiligen, 31 oktober, wordt in Engelstalige landen „Halloween” genoemd, de vooravond („eve”) van „All Hallows’ [Saints] Day”.

Ook Halloween staat in verband met de doden. Op de kalender van de oude Kelten viel oudejaarsavond op 31 oktober. De Kelten en hun priesters, de Druïden, geloofden dat de zielen op de vooravond van het nieuwe jaar op de aarde rondzwierven. Men was van mening dat voedsel, drank en offers deze ronddolende zielen gunstig konden stemmen. Een typerend kenmerk voor Halloween waren ook de vuren die op deze avond werden gestookt om de boze geesten te verdrijven.

Over vuren in die tijd van het jaar lezen we in Curiosities of Popular Customs (Curiositeiten van populaire gebruiken): „Men ontstak ook vuren op verschillende tijden en plaatsen op de avond van Allerheiligen, dat is de vooravond van Allerzielen, en op Allerzielen zelf, 2 november. Bij deze gelegenheden werden de vuren als het zinnebeeld van onsterfelijkheid beschouwd en men geloofde dat ze hielpen, ten minste als een uiterlijk en zichtbaar teken, om de zielen uit het vagevuur te leiden [dat wil zeggen hen te helpen vrij te komen].”

Wat is uw zienswijze omtrent de doden? Gelooft u dat hun zielen nog steeds in leven zijn in een of ander onzichtbaar rijk, en vreugde of pijn kunnen ervaren? Kunnen de doden, wanneer men hen niet door bepaalde religieuze handelingen of offers gunstig stemt, mensen op aarde kwaad berokkenen? Kunnen de levenden de doden op een of andere manier baat verschaffen?

Het zal u misschien verbazen te vernemen dat de bijbel niet zegt dat mensen een ziel hebben die bij de dood het lichaam verlaat. In plaats daarvan lezen wij dat ’de mens een levende ziel werd’ (Gen. 2:7). De ziel is de gehele persoon, niet een onzichtbaar gedeelte van hem. Dat betekent dat wanneer iemand sterft, zijn ziel sterft (Lev. 23:30; Num. 31:19; Ezech. 18:4, 20; Luk. 6:9). Wat betreft de toestand van de doden, de bijbel beschrijft die als een toestand waarin men helemaal niet bij bewustzijn is: „Wat de doden betreft, zij zijn zich van helemaal niets bewust.” — Pred. 9:5; Ps. 146:3, 4.

Hoewel de doden geen bewustzijn bezitten, bestaat er echter wel een schitterende hoop voor hen. Gods Woord verzekert dat „er een opstanding zal zijn van zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen” (Hand. 24:15). Lijkt dat moeilijk te geloven? Wel, de Schrift vermeldt verscheidene opstandingen die reeds hebben plaatsgevonden. Laten we er eens drie beschouwen die door Jezus Christus werden bewerkstelligd. Over de eerste lezen wij:

„Kort hierop reisde hij naar een stad die Naïn heette, en zijn discipelen en een grote schare reisden met hem mee. Toen hij nu in de nabijheid van de stadspoort kwam, zie! daar werd een dode uitgedragen, de eniggeboren zoon van zijn moeder. Bovendien was zij weduwe. Er was ook een talrijke schare uit de stad bij haar. En toen de Heer haar gewaar werd, werd hij met medelijden jegens haar bewogen en hij zei tot haar: ’Houd op met wenen’. Vervolgens trad hij naderbij en raakte de baar aan, en de dragers bleven staan, en hij zei: ’Jongeman, ik zeg u: Sta op!’ En de dode ging overeind zitten en begon te spreken, en hij gaf hem aan zijn moeder. Toen werden allen door vrees aangegrepen, en zij verheerlijkten God, zeggende: ’Een groot profeet is onder ons verwekt’, en: ’God heeft zijn aandacht op zijn volk gericht.’ En dit nieuws omtrent hem verbreidde zich in geheel Judéa en overal in de omtrek.” — Luk. 7:11-17.

De tweede opgetekende opstanding die door Jezus werd verricht, betrof het dochtertje van Jaïrus, de presiderende dienaar van een synagoge in Galiléa. Toen het meisje stervende was, smeekte Jaïrus Jezus in zijn huis te komen om haar van haar ziekte te genezen (Luk. 8:40-42). Het bijbelse verslag verhaalt:

„Terwijl [Jezus] nog sprak, kwam een zekere vertegenwoordiger van de presiderende dienaar van de synagoge zeggen: ’Uw dochter is gestorven; val de leraar niet langer lastig.’ Toen Jezus dit hoorde, antwoordde hij hem: ’Vrees niet, leg slechts geloof aan de dag, en zij zal gered worden.’ Bij het huis gekomen, liet hij niemand met zich naar binnen gaan behalve Petrus en Johannes en Jakobus en de vader en moeder van het meisje. Maar de mensen waren allen aan het wenen en zich in droefheid om haar aan het slaan. Daarom zei hij: ’Houdt op met wenen, want zij is niet gestorven, maar slaapt.’ Hierop lachten zij hem uit, want zij wisten dat zij was gestorven. Hij pakte haar echter bij de hand en riep, zeggende: ’Meisje, sta op!’ En haar adem keerde terug, en zij stond ogenblikkelijk op, en hij beval dat men haar iets te eten zou geven. Haar ouders nu waren buiten zichzelf.” — Luk. 8:49-56.

Hoewel Jezus deze twee personen opwekte kort nadat zij waren gestorven, was dit bij zijn vriend Lazarus van Bethanië niet het geval. Lazarus was al vier dagen dood en in een herinneringsgraf gelegd. Het verslag in het evangelie van Johannes vertelt:

„Na wederom in zichzelf te hebben gezucht, kwam Jezus dan bij het herinneringsgraf. Het was in feite een grot, en er lag een steen tegenaan. Jezus zei: ’Neemt de steen weg.’ Martha, de zuster van de overledene, zei tot hem: ’Heer, hij moet nu al rieken, want hij is reeds vier dagen dood.’ Jezus zei tot haar: ’Heb ik u niet gezegd dat gij de heerlijkheid Gods zoudt zien indien gij zoudt geloven?’ Daarom namen zij de steen weg. Toen sloeg Jezus zijn ogen ten hemel en zei: ’Vader, ik dank u dat gij mij hebt verhoord. Ik wist wel dat gij mij altijd verhoort, maar ter wille van de schare die rondom staat, heb ik gesproken, opdat zij zouden geloven dat gij mij hebt uitgezonden.’ En toen hij deze dingen had gezegd, riep hij met luide stem: ’Lazarus, kom naar buiten!’ De man die dood was geweest, kwam naar buiten, zijn voeten en handen met zwachtels gebonden en een doek om zijn gelaat gebonden. Jezus zei tot hen: ’Maakt hem los en laat hem gaan.’ — Joh. 11:38-44.

Daarom moet u schriftuurlijk gesproken de doden bezien als personen die eenvoudig geen bewustzijn bezitten. Zij ervaren geen vreugde en geen smartelijke omstandigheden. De opstandingen die Jezus verrichtte toen hij op aarde was, vormen echter een hechte basis voor geloof in zijn aanmoedigende woorden:

„Dit is de wil van hem die mij heeft gezonden, dat ik niets van al wat hij mij heeft gegeven, verloren laat gaan, maar dat ik het op de laatste dag opwek. Want dit is de wil van mijn Vader, dat een ieder die de Zoon aanschouwt en in hem geloof oefent, eeuwig leven heeft, en ik zal hem op de laatste dag opwekken.” — Joh. 6:39, 40.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen