De oorsprong van speelkaarten
’IEMAND zin in kaarten?’ In iedere taal zal men direct begrijpen wat de bedoeling is, want speelkaarten zijn internationaal en er kan naar waarheid worden gezegd dat ze de aardbol van noord naar zuid en van oost naar west omspannen. Van de buitenposten in de kale leegte van het poolgebied tot de vochtig warme jungle aan de evenaar kan men een pak speelkaarten vinden. En wat niet onvermeld mag blijven, is dat kaarten een reusachtige invloed hebben gehad op menselijke aangelegenheden. Beslissingen, in het midden gelaten of het goede waren, zijn genomen met behulp van speelkaarten. Vermogens zijn gewonnen en verloren door de uitkomst van een spelletje kaarten.
Hoe komt het dat een pak speelkaarten zo’n populariteit geniet, en dat mensen over de hele wereld zich ermee kunnen vermaken? Laten we eens wat feiten op een rijtje zetten.
Allereerst zou het handzame formaat genoemd moeten worden. Een modern pak speelkaarten neemt heel weinig plaats in en weegt ook praktisch niets. Ten tweede het aantal spelers dat nodig is om te kunnen kaarten. In tegenstelling tot de meeste andere spelen kan iemand al in zijn eentje kaartspelen. Patience kan heel wat eenzame uren vullen en een welkom tijdverdrijf vormen voor hen die gedwongen zijn lange perioden alleen door te brengen. Aangezien kaartspelen zo algemeen zijn, is er, onder zowel ouderen als jongeren, haast altijd wel iemand voor een potje kaarten te vinden.
Bij kaartspelen wordt vaak gebruik gemaakt van 52 kaarten in vier ’kleuren’: schoppen, klaver, harten en ruiten. De veertien kaarten van elke kleur zijn dan aas, heer, vrouw, boer en de genummerde kaarten 10 tot 2. Terecht zou nu de vraag kunnen rijzen: ’Waar zijn deze kaartvormen ontstaan? Door wie zijn ze uitgevonden en wanneer? Hebben ze altijd al de vorm gehad die wij nu kennen?’ Dit zijn boeiende vragen. Zullen we eens kijken wat een onderzoek ons oplevert?
The New Funk & Wagnalls Encyclopedia vermeldt dat speelkaarten omstreeks 800 G.T. in Hindoestan hun oorsprong hebben gevonden en dat de kaarten met koning, koningin en boer uit de middeleeuwen dateren. Een Chinees woordenboek uit 1678 G.T. verklaart dat ze in het jaar 1120 v.G.T. werden uitgevonden om Seun-Ho’s bijvrouwen wat afleiding te bezorgen. Sommige oudheidkundigen zeggen dat speelkaarten in Europa werden geïntroduceerd door de binnendringende Saracenen die in 711 G.T. de Middellandse Zee overstaken. Anderen beweren dat de kruisvaarders ermee uit het Oosten terugkwamen. Hooguit is men het erover eens dat kaarten in Europa niet vóór de eerste helft van de vijftiende eeuw in zwang zijn gekomen. Sommige onderzoekers zijn van mening geweest dat speelkaarten op dezelfde manier hun weg hebben gevonden van het Oosten naar het Westen als dat met schaken het geval is geweest — meegenomen door de leden van het zwervende zigeunervolk. Vermeldenswaard is trouwens dat op veel plaatsen schaak met kaarten is gespeeld. Door toedoen van Spanje leerde de „Nieuwe Wereld” van Noord- en Zuid-Amerika speelkaarten kennen; dat was toen Cortez Mexico veroverde. Koning Montezuma schiep er veel behagen in de Spaanse soldaten te zien kaartspelen.
Ondertussen moet u wel tot de conclusie zijn gekomen dat er heel wat onenigheid bestaat over de oorsprong van het kaarten, over de nauwkeurige tijd en plaats van herkomst. Maar ondanks meningsverschillen lijkt vast te staan dat speelkaarten uit het Oosten afkomstig zijn. Men kan een opmerkelijke overeenkomst waarnemen tussen het vroege Chinese papiergeld van de Tang-dynastie en de Chinese speelkaarten.
Ontwikkeling in het verleden
Ongeacht de rol die de zigeuners hebben gespeeld bij de eerste kennismaking van het Westen met speelkaarten, het is interessant op te merken dat zij ze hoofdzakelijk gebruikten voor waarzeggerij, waarvoor men ze trouwens ook nu nog gebruikt. Het oude Italiaanse tarocchi telde 78 kaarten, aanvankelijk zonder ’kleuren’ en eenheden. Met ’kleuren’ en een rangorde van de kaarten maakte men in Europa gedurende de 14de eeuw kennis. De 22 taroks of speciale figuurkaarten werden gebruikt voor waarzeggerij. Ze toonden allegorische voorstellingen van de verschillende hemelse en aardse machten, de deugden en verdorvenheden. Onder de afbeeldingen waren bijvoorbeeld een koning die een ster in zijn hand houdt, de dood met een kardinaalshoed en mantel, twee cupido’s en figuren uit sprookjes. Zelfs spreekwoorden werden geïllustreerd.
Een van deze speciale kaarten stond bekend als de nar of joker. Deze kaart had een bijzonder sterke invloed op de uitkomst van de voorspellingen, aangezien ze diende om de betekenis van de eraan voorafgaande kaart te vergroten. Als men in een bepaalde kaart een aanwijzing zag voor geluk en de nar was de volgende kaart, dan werd verondersteld dat het goede fortuin zich nog sterker zou doen gelden. Als daarentegen slecht nieuws werd voorzien, zou de joker dat slechte nieuws nog verergeren, zodat elk goed nieuws dat bij die gelegenheid werd voorzegd er toch door zou worden overschaduwd.
De overige 56 kaarten waren verdeeld in vier ’kleuren’ met als aanduidingen: beker, munt, zwaard en stok. Deze vertegenwoordigden alle klassen van de maatschappij. Bekers vertegenwoordigden de priesterklasse of de regeerders. De munten stelden de kooplieden voor. De zwaarden wezen duidelijk op de klasse der militairen. De stok ten slotte duidde op de boer of arbeider. Elke ’kleur’ had vier figuurkaarten, een koning, een vizier, een ruiter en een voetknecht, met nog tien genummerde kaarten. De vier figuurkaarten stelden de verschillende rangen of graden van autoriteit voor. Zo was de koning de hoogste vorst, de vizier een hoogwaardigheidsbekleder, de ruiter iemand die een militaire rang bekleedde (een opperbevelhebber of generaal), en de voetknecht ten slotte een leider onder het volk. Deze vier ’kleuren’ vormden een passende afbeelding van de klassen in de menselijke maatschappij, zoals die vroeger en ook nu in hun onderlinge wedijver elkaar gebruiken om er zelf beter van te worden.
De gelijkenis met menselijke aangelegenheden is duidelijk te zien in het verloop van het kaartspel. Iedere speler kreeg 14 kaarten van diverse soorten, overeenkomend met misschien een paar kooplieden (munten), wat boeren (stokken), een paar krijgers (zwaarden), en enkele regeerders (bekers), en wellicht nog een koning als hoogste vorst en een ridder als militair bevelhebber om zijn kaarten nog meer kracht te geven. Om te winnen, moest hij nu zijn mankracht, zoals die door zijn kaarten was vertegenwoordigd, zo bekwaam mogelijk ontplooien.
Moderne ontwikkeling
Uit de Encyclopædia Britannica blijkt dat er vroeger verschillen bestonden in de gebruikte aanduidingen en het aantal kaarten. Het Angelsaksische spel bestond uit 52 kaarten met vier kleuren van 13 elk. In Italië bestond het uit 36 kaarten, en de oudere Duitse kaartspellen telden slechts 32 kaarten. De eerste Portugese zendelingen troffen in China een spel aan dat uit 30 kaarten bestond, drie ’kleuren’ van ieder negen kaarten met nog drie hogere kaarten. Het Franse spel van 52 kaarten dat nu vrijwel algemeen is, heeft zich ontwikkeld uit het tarokspel dat inmiddels genummerde kaarten bevatte. Moderne kaartspelen waarbij het aantal kaarten kleiner moet zijn dan 52, speelt men met een standaardpak waaruit kaarten zijn verwijderd.
Allerlei afbeeldingen hebben er al in diverse landen op de beeldzijde van kaarten gestaan: ruiters, olifanten, havikken, schellen, bloemen, vogels en vele andere. In de „Nieuwe Wereld” vervaardigde men in 1848 in New York een spel waarin geen heer, vrouw en boer voorkwamen. In plaats van een hartenheer was er een hartenpresident, George Washington. De drie anderen waren John Adams, Benjamin Franklin en Lafayette. In plaats van vier vrouwen bevatte dit spel de godinnen Venus, Fortuna, Ceres en Minerva. De boeren werden vertegenwoordigd door Indiaanse opperhoofden.
Oude speelkaarten werden met behulp van houtsneden gedrukt en met de hand beschilderd. Gedurende de 15de eeuw was echter de in Duitsland uitgevonden etstechniek zo verbeterd dat met etsplaten gedrukte speelkaarten de met de hand geschilderde kaarten gingen vervangen. De vier ’kleuren’ die wij tegenwoordig kennen, hebben hun oorsprong in de 16de eeuw in Frankrijk gevonden. Het klaverblad met zijn drie blaadjes was in het Frans trèfle. In de Engelstalige wereld heeft men dit figuurtje weliswaar overgenomen maar spreekt men van „clubs” (knots, stok). De punt van een piek, pique, vertoonde gelijkenis met een schop en de Engelse en Nederlandse aanduidingen zijn respectievelijk „spades” en „schoppen”. De derde ’kleur’ was coeur, het Franse woord voor „hart”. De vierde ’kleur’ werd carreau (vierkant) genoemd en is in het Nederlands „ruiten” geworden, en in het Engels „diamonds”, omdat men er de vorm van een diamant in zag.
Ook de afmetingen van de moderne speelkaart — 8,7 bij 5,6 centimeter — zijn een voortzetting van de Franse stijl, aangezien de Chinese speelkaart lang en smal was, en het Indische type rond. De nauwe relatie tussen schaken en kaarten, die we reeds hebben opgemerkt, is ook nog waar te nemen aan de twee kleuren, rood en zwart, waarin de kaarten te verdelen zijn.
Een van de redenen waarom het kaarten zich in zo’n universele populariteit mag verheugen, is de enorme variëteit in spelen, elk met zijn eigen spelregels, waarbij dan hetzij een enkel of een dubbel pak kaarten wordt gebruikt en vaak ook nog het aantal spelers mag variëren. De meeste spelen die vroeger in zwang waren, zijn heden ten dage totaal onbekend en hun namen worden alleen nog in oude boeken aangetroffen. Uit de 18de en 19de eeuw hebben zich nog enkele spelen, zoals piket en omber, gehandhaafd. Men kan proberen kaartspelen in verschillende groepen in te delen: (1) gokspelen als poker, baccarat en zwikken; (2) gezelschapsspelletjes zoals pandoeren of zwartepieten; (3) spelen die door hun ingewikkeldheid hoge eisen aan de spelers stellen, waarbij zeker bridge en skat genoemd moeten worden; en (4) patience, waarvan op zich al meer dan 350 varianten bestaan.
Het aantal spelers is verschillend. Cribbage kan met twee of vier personen gespeeld worden bij poker kunnen het er tien zijn, bij canasta twee of meer, met een maximum van zes. Whist en bridge kunnen door twintig tot veertig personen gespeeld worden, vier aan een tafel, waarbij elk winnende paar opschuift naar een volgende tafel.
De oorsprong van whist is onbekend. Een eerste vermelding van het spel komt voor in een geschrift uit 1529. Edward Hoyle publiceerde in 1742 een korte verhandeling over whist, maar het spel vond pas ingang in de hogere kringen in de jaren 1860 ten gevolge van de inspanningen van Henry Jones en William Pole.
Volgens de Encyclopedia van Funk en Wagnalls is bridge een variant van whist, die voor het eerst verscheen in Griekenland in het begin van 1880. In 1886 kende men het in Londen als Russische whist. Het spel werd meer en meer populair en tegen 1900 had het het oude whist verdrongen.
Vroeg in het begin van de 20ste eeuw kwam auction-bridge tot ontwikkeling. In dit spel bieden de spelers tegen elkaar op voor het recht om de speelsoort te bepalen — klaver, ruiten, harten, schoppen of sans-atout (zonder troef). Het gaat er vervolgens om het geboden aantal slagen te halen. Wedstrijdbridge kan net als whist door 20 tot 40 spelers worden gespeeld, verdeeld in viertallen, waarbij elk winnende paar naar een volgende tafel verhuist. Ten slotte werd in 1925 door een lid van de beroemde Amerikaanse Vanderbilt familie het contractbridge ontwikkeld.
De toevalsfactor
Ons beeld van de gevarieerdheid van het kaartspel zou niet volledig zijn zonder vermelding van de toevalsfactor die bij 52 kaarten een rol speelt. Het Guinness Book of World Records verklaart dat de kans dat iemand bij het delen 13 kaarten van één kleur krijgt, 1 op 158.753.389.899 is. De kans dat alle vier spelers kaarten van uitsluitend één kleur krijgen, is 1 op 2.235.197.406.895.368.301.559.999.
Hoewel bij het kaarten heel wat kundigheid komt kijken, speelt het toeval dus ook een grote rol. Zonder twijfel is dit een van de redenen waarom kaartspelen zo populair zijn — ze bezitten aantrekkelijkheid voor een wijd scala van spelers, sommige voor bedreven spelers en andere voor hen die zich eenvoudig willen ontspannen en de tijd willen verdrijven. Bovendien voorzien kaarten in een goedkope afleiding.
Maar als de uitnodiging wordt gehoord, ’Iemand zin in kaarten?’, is het goed te bedenken dat kaartspelen net als iedere andere vorm van vermaak veel tijd kunnen opslokken. Wanneer enig amusement of vermaak uitgroeit boven het verschaffen van wat ontspanning, dan wordt de daarvoor gebruikte tijd, verspilde tijd — tijd, waarin belangrijkere zaken aandacht hadden moeten krijgen. Als gevolg ondervinden de betrokken personen vaak zowel materieel als geestelijk schade. Als iemand dit blijft beseffen en zelfbeheersing oefent, zal hij niet toelaten dat dit vermaak voor hemzelf en voor anderen tot een strik wordt. En natuurlijk wordt het gebruik van kaarten voor waarzeggerij veroordeeld in de bijbel, waar wij lezen dat alle vormen van waarzeggerij en spiritisme verfoeilijk zijn in Gods ogen. — Deut. 18:9-14.