Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g78 22/4 blz. 27-29
  • Is het een zonde de vlag te hijsen of te strijken?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Is het een zonde de vlag te hijsen of te strijken?
  • Ontwaakt! 1978
  • Vergelijkbare artikelen
  • Vragen van lezers
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
  • Wat weet u van de vlag?
    Ontwaakt! 1972
  • ’Redding behoort toe aan Jehovah’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2002
  • Hooggerechtshof van de Filippijnen erkent vrijheid van aanbidding
    Ontwaakt! 1994
Meer weergeven
Ontwaakt! 1978
g78 22/4 blz. 27-29

Wat is de zienswijze van de bijbel?

Is het een zonde de vlag te hijsen of te strijken?

EEN brandweerman in een stad in de Amerikaanse staat Ohio kreeg van een van zijn superieuren de opdracht de vlag boven de brandweerkazerne te hijsen en neer te halen. Met alle respect weigerde hij dit en werd vanwege dat feit voor een dag geschorst. Een andere keer weigerde hij opnieuw, wat hem nogmaals op een dag zonder uitbetaling kwam te staan. En toen hij voor een derde keer weigerde, werd hij ontslagen.

Deze brandweerman bezag het hijsen en strijken van de vlag als een religieuze daad die hij niet met zijn geweten in overeenstemming kon brengen. Voor hem was deze handeling in strijd met de bijbelse geboden betreffende afgodenaanbidding, waarbij hij onder meer dacht aan 1 Korinthiërs 10:14: „Ontvliedt de afgoderij”, en aan het verbod betreffende het maken en dienen van beelden. — Ex. 20:4, 5.

De zaak kwam voor de plaatselijke rechtbank — die zich uitsprak ten gunste van de stad — en daarna in hoger beroep voor het Hof van Beroep van de staat Ohio. Deze hogere rechtbank beraadde zich over de vraag of de brandweerman door zijn ontslag was beroofd van zijn vrijheid van godsdienst, zoals die in de grondwet van de Verenigde Staten was vastgelegd.

Het Hof van Beroep deed de uitspraak van de lagere rechtbank teniet en beval de ambtenarencommissie van de stad de man in zijn oorspronkelijke positie te herstellen. In het slotcommentaar verklaarde deze rechtbank over het hijsen en neerhalen van de vlag: „Wij zijn van mening dat een dergelijke handeling van ceremoniële aard is, aangezien het volgens de regels die door het Congres zijn vastgesteld om eenheid te brengen in patriottische gebruiken, vereist is dat de vlag snel wordt gehesen en op ceremoniële wijze wordt gestreken . . . het hijsen en strijken dient met eerbied en respect te geschieden.”

Bovendien verklaarde dit gerechtshof: „Wij hebben geen reden te twijfelen aan de oprechtheid van het geloof van de aanklager, en evenmin aan de redelijkheid van dat geloof, dat deelname aan dit ritueel of deze ceremonie een overtreding is jegens God.” Het voegde hier nog aan toe: „De vrijheid van het godsdienstig geweten, van geloof en van handelen is slechts aan beperkingen onderhevig indien ze een ernstige en onmiddellijke rechtstreekse bedreiging vormt voor belangen die de staat wettelijk mag verdedigen . . . Daar hebben wij in dit geval geen aanwijzingen van gezien.”

In een enigszins overeenkomstig geval keurde het Californische Bureau voor Onderwijszaken een bepaling goed volgens welke het leerlingen is toegestaan deelname aan de vlaggegroetceremonie te weigeren zonder hiervoor straf te ontvangen. Zij kunnen zwijgen tijdens het afleggen van de eed van trouw. Natuurlijk was hieromtrent al lang geleden door het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten beslist, dat zich in 1943 uitsprak tegen de gedwongen vlaggegroet. De Californische bepaling bevestigde alleen maar de geldigheid van die uitspraak.

Wanneer met betrekking tot de vlag een bepaalde groet en eed zijn vereist, dan gaat het ontegenzeglijk om een ceremonieel ritueel, waarop Exodus 20:4, 5 en 1 Korinthiërs 10:14, alsook andere bijbelteksten, rechtstreeks van toepassing zijn. Vandaar dat Jehovah’s Getuigen niet deelnemen aan vlaggegroetceremonies.

In het hierboven besproken geval van de brandweerman in Ohio werd echter niet van hem vereist dat hij bij het hijsen en neerlaten van de vlag de een of andere eed uitsprak. Niettemin beschouwde hij het hijsen en neerhalen als een zonde of een handeling die in strijd was met zijn geweten. En de rechtbank beschermde zijn recht om te weigeren zolang hij niet het leven, de eigendommen of het welzijn van anderen in gevaar bracht.

Anderen zullen echter even gewetensvol menen dat men wel een vlag kan hijsen en strijken wanneer daar geen plechtige, religieuze ceremonie, een bepaald ritueel, een groet of een eed bij betrokken is. De conciërge van een openbaar gebouw kan bijvoorbeeld elke dag bepaalde handelingen moeten verrichten, waaronder het hijsen en neerlaten van de vlag. En zelfs wanneer hij een christen is die zijn standpunt op de bijbel baseert, kan hij toch van mening zijn dat hij, omdat er in geen enkel opzicht enig ritueel bij betrokken is, deze taak zonder problemen kan verrichten.

Een andere christen zal deze handeling niet willen verrichten omdat zijn geweten gevoeliger is inzake een kwestie waarover niet rechtstreeks iets in de bijbel staat. En het louter hijsen en neerhalen van een vlag is geen handeling waar de Schrift melding van maakt. Als iemand meent dat een dergelijke handeling tegen zijn geweten indruist omdat een vlag bij andere gelegenheden verband houdt met bepaalde riten en ceremonies, dan zou het verkeerd van hem zijn om zijn geweten wat dit betreft geweld aan te doen. Maar het zou voor een andere christen niet verkeerd hoeven te zijn deze handelingen wanneer er geen ritueel bij betrokken is, wel te verrichten — dat zou niet in strijd hoeven te zijn met zijn geweten, omdat God het niet specifiek verboden heeft.

Dit begrip is in overeenstemming met de bijbelse zienswijze ten aanzien van het individuele geweten. In de eerste eeuw was afgoderij bijvoorbeeld heel gewoon. Als deel van afgodische ceremonies werd er soms vlees aan de afgoden geofferd. Personen die dat vlees tijdens zulke ceremonies aten, namen deel aan afgodenaanbidding. Later werden sommigen van deze afgodenaanbidders christenen en keerden de afgodenaanbidding de rug toe. En vanwege de herinnering aan hun vroegere valse aanbidding gevoelden ze een weerzin tegen het eten van zulk vlees wanneer dit later uit de afgodentempels kwam en in het openbaar op de markt werd verkocht.

Toch was er met dat vlees niets aan de hand. Het behoorde niet werkelijk aan de afgod, aangezien een levenloze afgod geen macht had dat vlees te ontvangen of te bezitten. In werkelijkheid bleef dat vlees het eigendom van God, want „de aarde en dat wat haar vult, behoort Jehovah toe” (1 Kor. 10:26). Een andere christen, wiens geweten niet werd gekweld door wat er eerst met dat vlees was gebeurd, zou dat vlees heel goed kunnen kopen en eten zonder tegen zijn geweten te zondigen, aangezien er geen rechtstreekse religieuze daad bij het kopen of het eten van dat vlees betrokken was.

Dus zowel degenen die dat vlees aten als degenen die het weigerden te eten, volgden Christus en dienden God. Beide groepen genoten Gods goedkeuring, aangezien hun daden allemaal binnen de grenzen van zijn wetten en beginselen vielen.

Wanneer natuurlijk een christen door het eten van vlees dat eerst aan de afgoden geofferd is geweest, het geweten van een gevoeliger persoon zou kwetsen, dan zou hij in aanwezigheid van die persoon dat vlees niet willen eten. — 1 Kor. 10:28.

Zo zal ook de vraag of het een zonde is de vlag te hijsen of neer te halen in overeenstemming met de omstandigheden moeten worden beantwoord — erop lettend of er een plechtige ceremonie bij betrokken is en wat het individuele christelijke geweten zegt. Het geweten van de een zal hem er wellicht toe bewegen zijn superieuren te vragen of iemand anders die taak mag verrichten. Maar een ander zal menen dat omdat er geen echt ritueel bij betrokken is, het hijsen en neerlaten van de vlag op hetzelfde neerkomt als de andere dagelijkse bezigheden die hij moet verrichten, zoals het openen en sluiten van ramen en deuren. En elkeen zal door het bewaren van een zuiver geweten in de positie verkeren hetzelfde te kunnen zeggen als de apostel Paulus: „Ik heb mij tot op deze dag met een volmaakt zuiver geweten voor God gedragen.” — Hand. 23:1.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen