Kiezen tussen twee liefdes in mijn leven
DE STEM van de regisseur baste over de geluidsinstallatie: „Stop! De hele scène opnieuw, kinderen. En nu wat meer leven in de brouwerij. Laat de kijker maar huiveren op zijn stoel, laat hem maar denken dat hij Dracula’s volgende slachtoffer zou kunnen zijn!”
Het was juli 1973 en we waren in Londen bezig aan de opnamen voor de film Vampira. Ik was de voornaamste vrouwelijke tegenspeelster van de bekende filmster David Niven. Voor mij vormden deze opnamen de vervulling van een levenslang gekoesterde ambitie.
Reeds vanaf de middelbare school had ik gestreefd naar een succesvolle plaats in de amusementswereld. Toen ik in 1966 van school kwam, sloot ik me eerst aan bij een zanggroep die zich de Doodletown Pipers noemde; we reisden door de Verenigde Staten, Canada en naar Puerto Rico, waar we in enkele van de bekendste nachtclubs en theaters optraden. Maar in 1968 verliet ik de Pipers op zoek naar grotere dingen.
George Schlatter, de producer van Laugh-In, destijds het meest bekeken tv-programma in Amerika, drong er bij mij op aan lid te worden van zijn „kierewiete familie”, zoals hij schertsenderwijs zijn medewerkers noemde. Ik was net herstellende van een auto-ongeval waarbij een vriend om het leven was gekomen, en verkeerde in een zware geestelijke depressie. Dit aanbod was derhalve net het zetje dat ik nodig had. Een heel tv-seizoen kwam ik bij miljoenen Amerikaanse televisiekijkers bekend te staan als het „Bikini-meisje”.
Tal van aanbiedingen begonnen binnen te stromen. In 1969 nam Bob Hope me mee op zijn jaarlijkse tournee naar Vietnam, waar we optraden voor de Amerikaanse troepen. Later trad ik op in Las Vegas met conferenciers als Eddie Fisher, Alan King en Buddy Hackett. Mijn eigen act van dertig minuten omvatte zang, dans en komische nummers.
Op een dag in 1973 ontving mijn manager een telefoontje uit Londen. Jeremy Lloyd, een van de tekstschrijvers van Laugh-In, had het scenario geschreven voor een griezelfilm-parodie en wilde mij voor de hoofdrol. Hij hield vol dat alleen ik de rol van Vampira, de vrouw van Dracula, kon spelen. Met beide handen greep ik dit aanbod aan. Dit was mijn grote kans. Ik was wel eens in twee kleinere films opgetreden, maar iets groots had ik nog nooit gedaan.
Het filmen zou in Engeland gebeuren en twee maanden in beslag nemen. Begin juli had ik mijn koffers gepakt en was onderweg. Hoe weinig besefte ik toen nog wat voor diepgaande veranderingen er zich in mijn leven zouden voltrekken en wat voor moeilijke beslissingen ik nog zou moeten nemen.
Het begin van een nieuwe liefde
Spoedig zouden er mensen in mijn leven komen met wie ik een nog warmer en liefdevoller contact zou hebben dan met de leden van mijn eigen familie. Begrijp me niet verkeerd. Ik kwam uit een gezin waar een geweldige, hechte gezinsband heerste — met een vader die mijn broers en mij goed verzorgde en leidde, en een moeder die ons liefdevol vertroetelde. Maar deze nieuwe vriendschappen hadden een nieuwe dimensie, een geestelijke zijde. Mijn nicht Peggy was er de „aanstichtster” van.
Peggy was ook werkzaam geweest in de amusementswereld en had een nogal vrijgevochten leven geleid, zoals in die kringen algemeen gebruikelijk is. Maar plotseling was er in 1972 een grote verandering in haar leven gekomen. Ze was de bijbel gaan bestuderen, iets waar ik aanvankelijk erg sceptisch tegenover stond, terwijl ik me afvroeg hoe lang ze dat vol zou houden. Maar ze hield vol, en ik stemde er ten slotte in toe met haar de bijbel te bestuderen om te ontdekken waar het allemaal om ging.
We hadden nog maar drie à vier keer gestudeerd, toen ik die telefonische oproep uit Londen kreeg en wegging, met in mijn achterhoofd de aanmoediging van Peggy: „Blijf studeren.” Maandag, de dag nadat ik was aangekomen, belde ik Jehovah’s Getuigen op. De man die me te woord stond was erg vriendelijk, schreef de inlichtingen op en beloofde dat er contact met me zou worden opgenomen.
Diezelfde dag nog belde Una op. „Je moet vanavond komen”, moedigde ze mij aan. „We bereiden ons vanavond voor op onze ’Wachttoren’-studie.” „Wachttoren”-studie? Ik wist echt niet waar ze het over had. Maar in elk geval beloofde ik te zullen komen.
Er waren heel wat jonge mensen aanwezig. Robin en Una hebben vier kinderen, van wie drie ongeveer mijn leeftijd hebben. Ik werd bijna letterlijk als dochter geadopteerd, en hoewel ik in het hotel bleef wonen, at ik vaak bij hen en hielp hen met afwassen en opruimen; men verwelkomde mij als een lid van het gezin en dat maakte grote indruk op me.
Una studeerde de bijbel met mij en gebruikte het hulpmiddel De waarheid die tot eeuwig leven leidt. Voor mij was wel het geweldigste wat ik leerde dat God werkelijk een voornemen heeft en dat de zegeningen van zijn koninkrijk voor de gehele aarde nabij zijn, terwijl ik ook ging beseffen dat God een werkelijke Persoon is, met de persoonlijke naam Jehovah! (Ps. 83:18) Ik raakte zo opgewonden hierover dat ik er met iedereen op de film over begon te praten.
Una vertelde dat er van 1-5 augustus in het Twickenham-stadion een internationaal congres gehouden zou worden en ze moedigde mij aan om ook te komen. Vreemd genoeg waren dat de enige dagen die ik in die hele maand vrij had. Dus ging ik.
Meer dan zeventig nationaliteiten waren vertegenwoordigd, en de mensen omarmden elkaar alsof ze elkaar al jaren kenden. Er stonden geen politieagenten, er lag geen vuil op de grond, er was geen geduw, geen gedrang, geen gevloek, en toch waren er meer dan 50.000 mensen aanwezig! Ongelooflijk! Ik was nog nooit in zo’n omgeving geweest. De lezingen, en vooral ook de bijbeldrama’s, waren erg interessant.
Na op mijn werk te zijn teruggekeerd, rende ik opgewonden de grimeerkamer binnen, en ratelde over alles wat ik gezien en geleerd had. Het vertrek liep leeg. Maar onversaagd bleef ik tot iedereen die maar wilde horen, over deze dingen spreken. Als er werkelijk een ware religie bestond, dan was ik ervan overtuigd dat deze net zulke mensen als Jehovah’s Getuigen zou voortbrengen. Ik begon niet alleen deze mensen, maar ook de God die zij vertegenwoordigden, lief te hebben.
Een andere liefde
„Een beetje meer naar links als je wilt; ik zie graag de juiste lichtval op je lieftallige gezicht.” Dat was D———, de filmer of cineast, die alle scènes op de film vastlegde.
Ik had nooit veel aandacht aan D——— geschonken, tot die middag, dat hij me vanachter zijn grote camera toesprak. Dat had hij tot dan toe maar zelden gedaan. Maar op dat moment was het ook meteen „raak”. Voor het eerst „merkte” ik hem „op”. Hij was werkelijk een bijzonder aantrekkelijke man — lang, donker en knap!
Ik had me altijd al aangetrokken gevoeld tot wat oudere, rijpere mannen — de wat rustiger op zichzelf staande types. En toen ik erover nadacht, was D——— eigenlijk de enige man van de hele ploeg die me nog niet had trachten te versieren. Dat maakte hem natuurlijk extra fascinerend. En bovendien stond hij bekend als een van de topfilmers van Europa.
Op een middag niet lang daarna nodige D——— mij uit voor een cocktail in een nabijgelegen „pub”. Of beter gezegd, ik nodigde mijzelf uit; mijn gedrag was tamelijk vrijpostig. De man bleek ongelooflijk verlegen, nog een eigenschap die me bijzonder in hem aantrok. Elke dag gingen we daarna met elkaar lunchen, terwijl we praatten en lachten over de onbenulligste dingen — het gaf allemaal niks zolang we maar bij elkaar waren. Ondertussen bleef ik ’s avonds mijn bijbelstudie volgen.
Mijn gesprekken kwamen daardoor ook op het terrein van bijbelse onderwerpen. Elke dag was ik er verlangend naar hem te vertellen over de prachtige dingen die God heeft beloofd aan degenen die Hem dienen, en hoe Hij zich ten doel heeft gesteld de aarde tot een paradijs te herstellen. D——— luisterde altijd erg aandachtig en knikte telkens instemmend met zijn hoofd wanneer ik hem vroeg of hij deze dingen ook fijn zou vinden.
We dineerden in de meest luxueuze restaurants van Europa. Geld was geen probleem. En altijd lagen er prachtige, dure geschenken op me te wachten. Die man was werkelijk een juweel! Hij was vriendelijk, edelmoedig, bedachtzaam en gevoelig. Zijn milde humor was typisch Engels — zijn charme was betoverend. Nog nooit had ik iemand als hij ontmoet. En voor de eerste maal in mijn leven ontdekte ik dat ik ernstig over een huwelijk nadacht. Telkens wanneer ik bij hem was, voelde ik mij volmaakt gelukkig.
Het was op een zaterdagmiddag in augustus, toen we langzaam op de Theems voeren, dat D——— mij het voorstel deed om te trouwen. Mijn eerste gedachte was toen: „Zou dat niet werkelijk heerlijk zijn om samen voor eeuwig in een paradijs te mogen leven!” In mijn geest leefde sterk de bijbelse belofte: „De rechtvaardigen zullen de aarde bezitten, en zij zullen er voor eeuwig op verblijven.” — Ps. 37:29.
Beide liefdes groeien
De film was in september klaar en ik keerde terug naar Los Angeles om mijn zaken te regelen. We schreven elkaar geregeld, op zijn minst driemaal per week. Zijn afwezigheid deed me alleen maar meer beseffen hoeveel ik van hem hield. Maar tegelijkertijd ging ik ook steeds meer op in mijn bijbelstudie en de omgang met de Getuigen van de plaatselijke gemeente.
Frank en Annette, het echtpaar dat met mij in Amerika de bijbel bestudeerde, waren in het volle-tijdpredikingswerk en spoedig besteedde ik samen met hen een groot deel van mijn tijd aan ditzelfde werk. Ik genoot er werkelijk van. Ook de inhoud van mijn brieven aan D——— raakte steeds meer beïnvloed door de dingen waarover ik met anderen sprak.
Wat zal het niet fijn zijn, zo schreef ik hem, wanneer Gods koninkrijk werkelijk is gekomen en Gods wil echt op aarde geschiedt, zoals Jezus zijn volgelingen leerde bidden! (Matth. 6:9, 10) De komst van Gods koninkrijk zal het einde betekenen van alle hedendaagse vormen van menselijke heerschappij, zo legde ik hem uit, omdat zoals de bijbel schrijft: „De God des hemels een koninkrijk [zal] oprichten dat nooit te gronde zal worden gericht. . . . Het zal al deze koninkrijken verbrijzelen en er een eind aan maken, en zelf zal het tot onbepaalde tijden blijven bestaan” (Dan. 2:44). Daarna, na de vestiging van zijn bestuur, zal God „elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn”. — Openb. 21:4.
Deze beloften waren zoveel voor me gaan betekenen, en ik wilde zo verschrikkelijk graag dat D——— de bijbel zou gaan bestuderen en die beloften ook zou leren kennen en er geloof in zou stellen, dat ik hem Robins adres en telefoonnummer stuurde. Maar periodieke navraag bij Robin onthulde me dat D——— nooit enige poging ondernam om met hem in contact te treden, en dat deed me verdriet.
Op 5 januari 1974 symboliseerde ik mijn opdracht aan Jehovah God door middel van de waterdoop. Ongeveer drie maanden later arriveerde D——— in de States. Hij werkte aan een film en het was zijn bedoeling mij na de voltooiing ervan met hem mee terug naar Engeland te nemen, zodat we daar konden gaan wonen. Hij had een kasteel gekocht en nog meer voor na ons huwelijk geregeld.
Het vooruitzicht hem weer te zullen ontmoeten, was voor mij een schok. Ik wist niet wat ik moest doen. Ik smeekte Frank letterlijk om met me mee te gaan, want ik was me er werkelijk zorgen over gaan maken dat D——— geen enkele belangstelling voor geestelijke zaken toonde. Frank legde tactvol uit dat ik deze situatie zelf zou moeten oplossen, en daarbij moest afgaan op mijn kennis en liefde voor Gods rechtvaardige wetten en beginselen. Hij verzekerde me echter dat Jehovah me zou helpen. — 1 Kor. 10:13.
Het ging precies zoals ik me had voorgesteld. Het moment dat ik D——— in het oog kreeg, begon mijn hart luid en snel te kloppen. En ik was er zeker van dat iedereen in het vertrek het kon horen (Hoogl. 4:9). Dat gevoel was er dus nog altijd! Plotseling snelde hij op me toe, al gereed voor een innige omhelzing. Onmiddellijk stak ik mijn rechterhand uit . . . en we gaven elkaar de hand. Op zijn knappe gezicht kwam een verbaasde blik!
Duidelijk maken wat mijn standpunt was
D——— nodigde me uit voor een lunch om onze plannen verder te bespreken. Ik wilde er absoluut zeker van zijn dat het restaurant goed verlicht was en gevuld met mensen. En uiteindelijk belandden we buiten op het straatterras van een café.
„Er is heel wat gebeurd sinds we de laatste keer samen waren”, vertelde ik hem. „Ik schreef je al over mijn pasgevonden geloofsovertuiging en hoe aan Jehovah’s vereisten voldaan moet worden wanneer we zijn gunst willen genieten. Dus zou ik het erg op prijs stellen wanneer je me nu zonder onderbreking alles laat vertellen wat ik je moet vertellen.”
Toen legde ik hem uit dat het huwelijk een goddelijke instelling is, ontworpen door God, en dat daarom zijn wetten betreffende het huwelijk gerespecteerd moeten worden als we van het huwelijk een succes wilden maken (Gen. 1:27, 28; 2:22-24; Matth. 19:4-6). Ik vertelde hem ook dat wanneer ik aan Jehovah gehoorzaam wilde zijn, ik slechts met iemand kon trouwen die zelf een dienstknecht van de ware God was. De bijbel draagt christenen op „alleen in de Heer” te trouwen en zegt ook: „Komt niet onder een ongelijk juk met ongelovigen. Want wat voor deelgenootschap hebben rechtvaardigheid en wetteloosheid? Of wat heeft licht met duisternis gemeen?” — 1 Kor. 7:39; 2 Kor. 6:14.
Bovendien legde ik nogmaals de nadruk op de bijbelse maatstaf van gedrag voor ongehuwde personen. Dat zij geen recht hebben op seksuele betrekkingen; dat dat voorrecht enkel aan gehuwde personen is voorbehouden (Hebr. 13:4). Ook legde ik uit hoe de bijbel waarschuwt tegen onreinheid en losbandig gedrag. — Gal. 5:19-21.
De hele ochtend had ik tot God gebeden of hij me wilde helpen deze dingen uit te leggen. En hoe dankbaar was ik nu dat alles wat ik wilde zeggen, weer in mijn herinnering terugkwam! Maar het was tijd voor D——— om terug te gaan naar zijn werk. „Kom alsjeblieft vanavond met mij dineren”, zei hij. „Dan praten we nog wat verder. Er is zoveel dat ik niet begrijp, liefste.” Hij leek zo oprecht.
Terwijl ik langzaam naar huis reed, was ik erg tevreden over mezelf, maar ook bitter teleurgesteld in D———. Ik had zo gehoopt dat hij zou zeggen: „Wanneer kan ik met een bijbelstudie beginnen?” Dus vroeg ik Jehovah in gebed of hij, indien dat nodig was, volledig het verlangen en de liefde die ik ten aanzien van deze man koesterde uit mijn hart wilde bannen.
Dankbaar voor mijn besluit
Om half acht belde D——— op en wilde langskomen om me af te halen. Ik had echter het vaste besluit genomen dat ik eerst wilde weten wat zijn bedoelingen waren voor ik opnieuw met hem op stap zou gaan. Dus stond ik erop dat hij me precies zou vertellen waarom hij geen contact had opgenomen met Robin om de bijbel te bestuderen, en waarom hij, in al zijn brieven, nooit had gereageerd op de geestelijke zaken waarover ik hem zoveel geschreven had. Ik zei hem dat hij me dat precies moest vertellen of dat hij anders alles wel kon vergeten — onze verhouding en alles. Toen was het lange tijd stil aan de andere kant van de lijn.
Ten slotte zei hij: „Als ik je de reden zou vertellen, zou je je een ongeluk schrikken.” De conversatie krabbelde nog enkele ogenblikken voort, tot hij er, op mijn aandringen, uitgooide: „Ik bezoek een spiritistische kerk; al jaren.”
Toen vertelde hij me dat hij al twintig jaar een nauw en constant contact onderhield met zijn overleden vader. Dat hij geloofde dat zijn vader in de een of andere geestelijke gedaante nog steeds in leven was, en dat de veelvuldige gesprekken die hij had, gesprekken met zijn vader waren. En ten slotte bleek dat hij eigenlijk niet in God geloofde.
Ik was met stomheid geslagen. Al die maanden had hij voor mij zijn echte overtuiging en gevoelens ten aanzien van God verborgen gehouden, kennelijk in het besef dat ik dan niet met hem zou trouwen! Ik voelde me het slachtoffer van bedrog. Bijna was ik een verhouding aangegaan die me nooit had kunnen brengen wat ik van het huwelijk verwachtte — wat Robin en Una en Frank en Annette hadden! Terwijl ik rustig zat en luisterde, ebde alles weg wat ik voor hem had gevoeld.
Toen begon ik tegen hem te praten zoals ik dat zou doen tot iemand die ik zojuist tijdens het predikingswerk aan de deur had ontmoet. Ik legde uit in welk ernstig gevaar hij geestelijk verkeerde en beschreef wat de bron van spiritisme was. Ik zei hem dat zijn dode vader zich van niets bewust was en dat er geen deel van hem ergens anders in leven was. De bijbel zegt: „De levenden zijn zich ervan bewust dat zij zullen sterven; maar wat de doden betreft, zij zijn zich van helemaal niets bewust.” — Pred. 9:5; Ezech. 18:20.
Dus, zo legde ik uit, het was niet zijn vader met wie hij contact had, maar een boze geest die zich als de persoon van zijn vader voordeed (2 Kor. 11:14, 15; Ef. 6:11, 12). En vooral beklemtoonde ik dat er beslist wel een ware God is en dat ongeacht wat hij in het verleden had gedaan, God hem vreugdevol zou aanvaarden wanneer hij zich tot Jehovah keerde met het verlangen Hem te dienen. — Jes. 55:7.
Toen ik gedag zei en ophing, dankte ik Jehovah onmiddellijk voor de wijsheid van zijn beginselen die mij ervoor hadden behoed een ernstige misstap te begaan die ik de rest van mijn leven betreurd zou hebben. En hoewel D——— nog pogingen ondernam onze relatie voort te zetten, heb ik hem nooit meer gezien. Hoe dankbaar ben ik dat ik heb vastgehouden aan mijn besluit gehoorzaam te zijn aan het bijbelse beginsel om „alleen in de Heer” te trouwen! — 1 Kor. 7:39.
Een onverwachte ontwikkeling
Omstreeks diezelfde tijd ontving ik echter plotseling een oproep van de televisie-afdeling van de American Broadcasting Company. Maanden daarvoor, nog vóór mijn doop, had ik een proefshow gedaan en nu wilde men mij in een geregelde serie hebben. En zo stond ik van de ene op de andere dag onder contract voor het spelen van de karakterrol Christie Love. Ik was wettelijk gebonden en kweet mij derhalve van deze verplichting, maar ik weigerde pertinent scènes te spelen waarin schriftuurlijke beginselen geweld werden aangedaan. De New York Sunday News bevatte hierover het volgende commentaar:
„Toen de serie in produktie ging, weigerde ze gestalte te geven aan het swingende, luie karakter van Christie Love. Ze eiste dat alle geweld uit de draaiboeken geweerd zou worden. Ze wilde niet meedoen aan bedrog- en leugenscènes, ook al had Christie Love dat als geheim agente nodig. Ze wenste haar stem niet tegen een superieur te verheffen. Ze stond erop voortdurend bescheiden te zijn en onderdrukte haar natuurlijke sensualiteit.”
De serie liep zesentwintig weken op de nationale televisie. Soms moest er met koortsachtige haast gewerkt worden om de wekelijkse aflevering van een uur op tijd klaar te krijgen, maar allen wisten dat ik op de avonden dat er christelijke vergaderingen waren, om 5 uur ’s middags weg moest, ongeacht waarmee we bezig waren. Dat was contractueel vastgelegd. Nooit sloeg ik vergaderingen over, en ondanks het zware schema, slaagde ik er ook in veel tijd aan het predikingswerk te besteden.
Een rijk en gelukkig leven
Ik kan naar waarheid zeggen dat ik thans bijzonder gelukkig ben. Ik bezit tal van liefdevolle vrienden en vriendinnen en heb fantastische ervaringen mogen beleven. Eén daarvan was dat ik mede publiciteit kon geven aan de afschuwelijke vervolging van Jehovah’s Getuigen in Malawi, Oost-Afrika en Benin. En sinds het afgelopen jaar ervaar ik de vreugde van de gewone pioniersdienst, zoals de volle-tijdpredikingsdienst door Jehovah’s Getuigen wordt genoemd. Wat een vreugde was het bovendien toen drie personen met wie ik de bijbel had bestudeerd, zich aan Jehovah opdroegen en zich lieten dopen!
Ik ben ervan overtuigd dat het opvolgen van de raad uit Gods Woord de beste levenswijze tot resultaat heeft. En wat het allerbelangrijkste is: het heeft mij een rein geweten verschaft ten opzichte van God. Ja, Jehovah is stellig getrouw en het volgen van zijn liefdevolle leiding kan ons alleen maar tot voordeel strekken. — Ingezonden.
[Inzet op blz. 18]
„We dineerden in de meest luxueuze restaurants van Europa. Geld was geen probleem.”
[Inzet op blz. 19]
„Hij had een kasteel gekocht en nog meer voor na ons huwelijk geregeld.”
[Inzet op blz. 20]
„Uiteindelijk belandden we buiten op het straatterras van een café.”
[Inzet op blz. 20]
’Ik wilde eerst weten wat zijn bedoelingen waren voor ik opnieuw met hem op stap zou gaan.’
[Illustratie op blz. 21]
Ik ben vele malen voor de radio en televisie verschenen om bekendheid te geven aan de vervolging van Jehovah’s Getuigen in Afrika