Vreemde offers in katholiek Bolivia
Door Ontwaakt!-correspondent in Bolivia
TIJDENS een recent uitstapje brachten een groepje vrienden en ik een bezoek aan Oruro, een stad in het overwegend katholieke Bolivia, die niettemin over de gehele wereld bekendheid geniet om zijn folkloristische viering van het carnaval, met onder andere een Diablada of dans van de duivels.
„Een dans van de duivels? Staat de katholieke Kerk dat toe?” is wellicht uw vraag. Wel, in feite is heel Bolivia een land van vreemde religieuze gewoonten. En dat geldt vooral, zo vernamen we, in Oruro.
In een bepaalde mijn bidden de mijnwerkers bijvoorbeeld veelvuldig boven de grond tot de Maagd van Socavón, maar offeren zij onder de grond cocabladeren en sigaretten aan el tío, de god van de onderwereld, ofte wel, de Duivel.
Een ander voorbeeld van de vreemde religieuze offers die de katholieken in bepaalde delen van Bolivia brengen, troffen we aan op de top van de San Felipe, die we hadden beklommen om van een zo hoog mogelijk uitzicht over de stad Oruro te kunnen genieten.
Op de top troffen we een familiegroepje aan, bestaande uit een grootmoeder met haar dochter en haar schoonzoon en twee kleinkinderen, een jongetje van vijf en nog een kleine baby. Bovendien hadden ze een volwassen schaap bij zich. We praatten met hen en vernamen dat zij katholiek waren. Maar waarom waren ze met dat schaap helemaal hier naar de top gekomen? De moeder legde uit dat ze het dier aan San Felipe wilden offeren. Maar dat bleek niet waar te zijn.
Het was net of de grootmoeder in zichzelf mompelde. Maar het was ons al snel duidelijk dat ze iets aan het opzeggen was. De rozenkrans? Nee, want ze sprak geen Spaans, maar Quechua. Dit waren Quechua-Indianen. We bleven kijken en zagen hoe de grootmoeder na het einde van haar prevelement, een fles ophief en een teug pure alcohol vermengd met sodawater nam, en vervolgens wat cocabladeren in haar mond stopte. De man deed dit eveneens. Deze combinatie veroorzaakt een zware roes.
Ondertussen was ook de dochter heftig in het Quechua aan het bidden. We hoorden haar herhaaldelijk Pacha Mama noemen (Moeder Aarde) — een godin van de aarde die door deze Indianen aanbeden wordt. Het offer was dan ook niet voor San Felipe, maar voor deze godin. Ze vroegen Pacha Mama hun aardappeloogst te laten toenemen, en ook, hun kudden schapen en lama’s, en of ze de groei van hun gewassen wilde bevorderen. We kregen te horen dat de godin een levend hart nodig had en ook bloed voor ze de gebeden zou verhoren.
Toen zagen we een ander aspect van deze vreemde ceremonie. Met dezelfde soort van alcohol als ze gedronken hadden, werd een klein vuurtje ontstoken. De jonge vrouw wierp speciaal gevormde blokjes roze en witte suiker in het vuur. Daarop waren afbeeldingen aangebracht van demonen, huizen, auto’s en lama’s. Deze mensen vroegen op die wijze Pacha Mama om bescherming, om een groter huis en om meer materiële goederen.
Ondertussen waren de grootmoeder en haar schoonzoon een stukje de heuvel afgegaan, naar een altaar — een vlakke plek overschaduwd door een grote rots, zwart van de rook van de vele offers. We zagen ook poelen met koud schapevet van vorige offeranden. De grootmoeder en haar schoonzoon openden een fles bier en sprenkelden de inhoud over het gehele altaar om dit aldus te „heiligen”. Dit herinnerde ons aan het gebruik van heilig water bij andere religieuze riten. Daarna strooiden ze confetti rond en de jongen werd met papieren wimpels op de rots boven het altaar gezonden. Nu was alles gereed.
Het schaap werd met gebonden poten op een nabijgelegen rots gelegd, en op een teken van de grootmoeder sneed de man het dier de keel door. Daarna gaf hij het mes aan de grootmoeder, die de buik van het dier opensneed, en toen tot onze verbijstering haar hand in de opening stak om het hart eruit te rukken. Dat was nodig, zo legden ze uit, want aan Pacha Mama moest een nog kloppend hart, vol slagaderlijk bloed, geofferd worden. Daarna begroeven ze het hart in de grond. De jongen kreeg bovendien een kop bloed met suiker, waarmee hij de heuvel op rende, om dit aan de voet van het kruis op de heuveltop uit te storten.
De grootmoeder legde nu cocabladeren in de kom van haar van bloed druipende handen en offerde die, met uitgestrekte armen, op het altaar, te zamen met verdere gebeden in de Quechua-taal aan Pacha Mama. Later verbrandden zij delen van het schaap op het altaar. Het restant zou mee naar huis genomen worden en tijdens een twee tot drie dagen durend festijn van dansen, drinken en coca kauwen worden opgegeten — en dat allemaal in de hoop dat deze godin van de aarde hun offer zou aanvaarden en hun geluk en voorspoed zou schenken.
Wij vroegen deze mensen hoe zij het brengen van zo’n offer aan een heidense godin in overeenstemming konden brengen met hun katholieke geloof. Zij antwoordden dat wanneer zij dit offer niet zouden brengen, de godin woedend zou worden. Bovendien moesten ze el tío tevreden houden, de reeds genoemde god van de onderwereld. Deze mensen zagen het brengen van zo’n offer niet als iets dat in strijd was met hun katholieke geloof.
Na de bewuste plek verlaten te hebben, dachten we ernstig na over hetgeen we hadden gezien en gehoord. Deze ceremonie was uitgevoerd door mensen die beleden christenen te zijn, terwijl toch de bijbel duidelijk te kennen geeft dat Jezus’ offer elk dierlijk offer overbodig heeft gemaakt (Dan. 9:27; Hebr. 10:1-10), om nog maar te zwijgen van het aanbidden van de Duivel of enige andere godheid. Jezus verklaarde daarover: „Er staat geschreven: ’Jehovah, uw God, moet gij aanbidden en voor hem alleen heilige dienst verrichten.’” — Matth. 4:10.
We peinsden erover hoe ernstig de katholieke Kerk in vele gebieden in gebreke is gebleven eenvoudige mensen de grondbeginselen van de christelijke leer bij te brengen, en ook hoe zwaar onze verantwoordelijkheid als Jehovah’s Getuigen weegt om elke gelegenheid aan te grijpen de bijbelse waarheid hier in Bolivia met onze naasten te delen.