De beste veertig jaar van mijn leven
TOEN ik nog maar vijf jaar was, had ik naast zes oudere ook al vier jongere broers en zusters. Moeder stierf dat jaar — het was 1907 — en ik denk dat de snelle opeenvolging van kinderen wellicht tot haar dood heeft bijgedragen.
Mijn vader, een hardwerkende immigrant, die uit Italië naar de Verenigde Staten was gekomen, was gedwongen zijn vijf jongste kinderen, waartoe dus ook ik behoorde, in een armenhuis te laten opnemen. Als oudste kreeg ik de verantwoordelijkheid om op de andere vier te letten. Vaak werd ik met een riem geslagen wegens dingen waaraan ik niets kon doen, bijvoorbeeld wanneer mijn jongste broer in zijn broek had geplast, iets wat ik dan op de een of andere manier had moeten voorkomen.
Tijdens de geregelde bezoeken die vader ons bracht, zag hij wel hoe ongelukkig wij waren, en dat deed hem ontzaglijk verdriet. Na ongeveer een jaar hertrouwde hij en dat bracht het gezin weer bijeen. Onze omstandigheden verbeterden, maar toch hebben die gebeurtenissen in mijn vroege kinderjaren een onuitwisbare indruk op mij achtergelaten. Ik geloof dat ze me meer bewust hebben gemaakt van alle kleine onrechtvaardigheden die overal geschieden — het liegen en bedriegen bijvoorbeeld dat voor iedereen zo gewoon schijnt.
Religie het antwoord?
Hoewel vader en moeder in God geloofden, kan ik me niet herinneren dat ze ooit naar de kerk zijn gegaan, dus kwam ik daar vanzelfsprekend ook niet. Natuurlijk had mijn vader veel te doen om ons grote gezin reilende en zeilende te houden. Maar er was volgens mij nog een diepere oorzaak waarom hij niet naar de kerk ging. Ik kan me nog herinneren dat hij zei: „De priesters zijn geen mannen met principes.”
Een van de dingen die vader moeilijk kon verkroppen, was dat de priesters altijd naar zijn paard en wagen toeliepen en dan net beste fruit uitzochten dat er was. En wanneer hij het dan naar hun kelder bracht, zag hij daar de beste wijnen en het beste van alles staan. „Zij leven van de room van het land”, zei hij altijd. Ik denk dat zulke ervaringen hem langzamerhand van religie hebben vervreemd.
Het was ongetwijfeld zijn religieuze achtergrond die hem af en toe tot beginselloze daden bracht. Toen ik als jongen in de groenten- en fruitzaak van mijn vader in New Haven (in de Amerikaanse staat Connecticut) werkte, zei hij soms: „Vooruit jong, neem dat ook mee, vooruit, inpakken en wegwezen.” Ook al ging het dan om een kist fruit waarvoor we niet hadden betaald.
Ik verzoende mij dan maar met de gedachte dat als wij dat voor ons gezin nodig hadden, het maar moest. Maar het ging wel altijd tegen mijn principe in. Gelukkig kwamen zulke situaties niet veel voor. Ik vroeg mij trouwens vaak af waarom er zoveel onrechtvaardige en achterbakse dingen in de wereld gebeurden.
Toen ik in de vijfde klas van de lagere school zat, werkte ik na schooltijd voor een ouder echtpaar. Tijdens het schoonmaken, kreeg ik van hen op een dag een King James-bijbel, die ze wegdeden, alsook het boek Fifty Years in the Church of Rome (Vijftig jaar in de Kerk van Rome), geschreven door de ex-priester Ch. Chiniquy. Ik had toen nog nooit een bijbel gezien, maar wilde wel graag iets meer van religie afweten.
Zo jong als ik was, las ik het boek van de ex-priester met grote belangstelling. De haren rezen mij te berge, en van toen af moest ik niets meer van de kerken hebben. Maar vooral de bijbel las en herlas ik met grote vreugde en ijver. Het werd mijn favoriete leesboek, dat mij door zijn inhoud tot een volwassener denkwijze bracht. Ik ontwikkelde een grote belangstelling voor geestelijke zaken en voor de problemen van het leven. Toen ik in de bijbel las over de slechte bovenmenselijke invloed die Satan de Duivel op de wereld uitoefent, werd het mij iets duidelijker waarom er zoveel onrechtvaardigheid op de wereld was.
Wat mij echter vooral veel belang inboezemde was het verslag in Matthéüs hoofdstuk 4, over hoe Jezus driemaal door Satan werd beproefd. Telkens bestreed Jezus de verleidingen van de Duivel door Gods Woord te citeren met de woorden „Er staat geschreven” (Matth. 4:3-10; Deut. 8:3; 6:16; 5:9). Dat maakte diepe indruk op me. ’Als Jezus, de volmaakte Zoon van God, driemaal naar Gods Woord verwees om Satan een antwoord te geven, welk boek kan ik dan nog beter gebruiken’, zo dacht ik.
Ja, die wetenschap was voor mij voldoende om me een hecht gefundeerd geloof in de bijbel te geven, en een grote dorst naar bijbelkennis. Maar als iemand me thuis in de bijbel zag lezen, werd ik uitgelachen en voor een ’heilig boontje’ versleten. Ik kreeg zelfs de waarschuwing dat ik gek zou worden wanneer ik te veel in de bijbel zou lezen.
Mijn eigen weg gaan
Het ging thuis in ons gezin niet al te best. En toen dan ook mijn oudste broer en twee zusters gingen trouwen en uit huis gingen, namen ze mij om beurten bij zich in huis. En als jonge tiener ging ik mijn eigen weg.
Ik zal nooit mijn eerste echte baan vergeten. Het was in een corsettenfabriek. Ik verdiende tien dollarcent per uur en werkte tien uur per dag. Daarna deed ik allerlei soorten werk, van zware handenarbeid met pikhouweel en schop tot het bedienen van allerlei soorten machines aan toe. Na verloop van tijd had ik ervaring opgedaan als voorman in een fabriek, als verkoopleider en zelfs als bedrijfsleider in een groot winkelbedrijf, en was ik ook betrokken geraakt in het politieke leven.
Ondertussen bleef ik mij over allerlei omstandigheden op aarde zorgen maken. Over de diefstal door werknemers aan de ene kant, en de gemene praktijken van zakenlieden en politici aan de andere kant. Het irriteerde mij dat mensen die het goede wilden, altijd aan het kortste eind leken te trekken en degenen die het slechte deden, er altijd op vooruit leken te gaan. Bovendien kwelden mij de knagende vragen: Wat is het doel van mijn bestaan hier op aarde? En: Wat zal de toekomst brengen?
Keerpunt in mijn leven
Ondertussen was ik in 1925 getrouwd met een katholiek meisje uit Meriden (Connecticut), aan wie ik vertelde hoe ik over de katholieke Kerk dacht, maar dat ik wel in de bijbel geloofde, althans in het weinige dat ik er toen van wist. In de eerste vier jaar van ons huwelijk kregen we twee fijne zoons en in 1935 nog een jongen. Maar reeds daarvoor gebeurde er iets dat een keer in mijn leven bracht.
Dat was in 1933, toen mijn vrouw enkele brochures had genomen die over bijbelse onderwerpen handelden. Verscheidene dagen achtereen bleef ik praktisch de hele nacht op om ze te lezen en de schriftplaatsen in mijn bijbel op te zoeken. Dat was nu precies hetgeen waar ik op had gewacht! En ook al vroeg mijn vrouw herhaaldelijk of ik wel wist hoe laat het was, ik ging zo op in hetgeen ik las, dat ik de tijd helemaal vergat.
Wat de kerken over de dood en de toestand van de doden vertelden — dat we een onsterfelijke ziel bezitten die bij de dood ons lichaam verlaat en, wanneer men „slecht” heeft geleefd, voor eeuwig in een hel van vuur wordt gepijnigd — dat had me al nooit juist geleken. En dat vermoeden werd nu bevestigd door hetgeen ik uit de bijbel leerde: dat de ziel wèl kan sterven en ook inderdaad sterft, dat de ziel niet onsterfelijk is, of na de dood een bewust bestaan blijft leiden. Nergens leert de bijbel dat. — Ezech. 18:4; Pred. 9:5, 10.
Bovendien was het iets wonderbaarlijks te leren dat de bijbelse „hel” eenvoudig het gewone graf van de mensheid is. Dat werd me zo helder als glas! Ik zocht in de bijbel de aangegeven schriftplaatsen op, de tekst bijvoorbeeld waar Jakob in rouw over zijn dood gewaande zoon zegt: „Ik zal tot mijn zoon in de hel neerdalen.” En ook de soortgelijke tekst in Job, waar de getrouwe Job tijdens zijn lijden tot God bidt: „Wie zal me dit verlenen, dat gij mij in de hel beschermdet, en me verborgen hield tot uw toorn voorbij is” (Gen. 37:35; Job 14:13, de Engelse katholieke Douay-vertaling). Het is heel duidelijk dat de hel geen plaats van pijniging is, wanneer de getrouwe Job daarheen wenste te gaan!
Opwindend voor mij was het ook dat ik een beter begrip van God kreeg. Hij had, zoals ik in mijn King James-vertaling las, een persoonlijke naam: „Dat de mensen mogen weten dat gij, wiens naam alleen JEHOVAH is, de allerhoogste zijt over de gehele aarde” (Ps. 83:18). Ja, de naam van de Almachtige God is Jehovah, terwijl Jezus Christus zijn Zoon is, degene die Hij naar de aarde zond. Jezus is daarom een persoonlijkheid die geheel van God verschilt en aan hem onderworpen is. Hoe blij was ik ook te leren dat de verwarrende Drieëenheidsleer, die zegt dat God en Jezus dezelfde zijn in wezen, macht en eeuwigheid, geen ondersteuning vindt in de bijbel, maar uit niet-christelijke religies afkomstig is!
Die bijbelse waarheden brachten een volledige keer in mijn leven, vooral omdat ik waardering begon te krijgen voor Jehovah’s voornemen om de doden tot leven terug te brengen, zoals de bijbel belooft: „Er [zal] een opstanding . . . zijn van zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen” (Hand. 24:15). Ja, ik begon nu in te zien hoe Gods oorspronkelijke voornemen, hier op aarde een paradijs te brengen onder een rechtvaardig hemels bestuur, uiteindelijk in vervulling zal gaan, en hoe God iedereen in de gelegenheid zal stellen de zegeningen daarvan te genieten (Matth. 6:9, 10; Openb. 21:3, 4). Wat was ik God dankbaar dat ik die dingen nu wist. Maar hoe zou ik die dankbaarheid kunnen tonen?
Belangrijke beslissingen
Ten eerste besloot ik de mensen op te zoeken die me deze inlichtingen hadden gebracht — Jehovah’s Getuigen. Een groepje van ongeveer 25 van hen kwam geregeld in een bovenkamer in de buitenwijk van New Haven bijeen. En al gauw begon ik samen met mijn hele gezin hun bijeenkomsten te bezoeken. Wegens de vreugde die dat met zich bracht, begon ik de dingen die ik leerde ook met andere mensen te delen door hen thuis op te zoeken, net als Jezus en zijn apostelen dat hadden gedaan. — Luk. 10:2-11.
Het begin van de jaren ’30 was de tijd van de malaise, een moeilijke tijd waarin banken over de kop gingen en ik mijn geld verloor. Ten slotte werden mijn bezittingen wegens hypotheekschuld verkocht. Op dat moment kreeg ik van mijn broer, toentertijd een vooraanstaand advocaat, een nieuwe financiële start aangeboden, compleet met een goed huis buiten de stad en enkele duizenden dollars in contanten. Op voorwaarde echter dat ik ’die onzin van Jehovah’s Getuigen opgaf’.
Terwijl ik nog naar hem luisterde, kwam in mijn geest de gedachte op aan de wijze waarop Jezus door Satan werd verzocht. Daarom was mijn besluit niet moeilijk te nemen. Ik zei mijn broer dat ik zijn aanbod niet kon accepteren, omdat Jezus had gezegd: „Jehovah, uw God, moet gij aanbidden en voor hem alleen heilige dienst verrichten” (Matth. 4:10). Werkelijk, al het geld van de wereld had mij niet tot andere gedachten kunnen brengen. Mijn besluit stond vast; ik zou mijn leven aan Gods dienst opdragen. In 1935 symboliseerde ik mijn opdracht door de waterdoop.
Het jaar daarop werd ik tot presiderende opziener over de kleine gemeente in New Haven aangesteld. Nu stond ik voor een nieuwe beslissing: Hoe zou ik de rest van mijn leven besteden?
Ik was vierendertig jaar oud, had enige ervaring opgedaan in de zakenwereld en bezat bepaalde connecties die ik misschien zou kunnen aanwenden om een gerieflijker leven op te bouwen. Aan de andere kant besefte ik dat er nog heel wat mensen waren die in dezelfde situatie leefden als ik voordien: onwetend van Gods bedoelingen Dus ging ik tot Jehovah in gebed om aan hem mijn intense verlangen kenbaar te maken: zoveel mogelijk mensen te mogen helpen hem te leren kennen en dienen.
Na dit onder gebed overwogen te hebben, begon ik te ’pionieren’, zoals het volle-tijdpredikingswerk door Jehovah’s Getuigen wordt genoemd. En ik kan zeggen dat de afgelopen veertig jaar die ik in deze activiteit heb doorgebracht, de beste jaren van mijn leven zijn geweest. In 1937 werd er een begin gemaakt met het speciale-pionierswerk, en ik behoorde tot een van de 200 eerste pioniers die voor dit werk werden uitgekozen. Ik heb het negentien jaar gedaan.
In materialistisch opzicht zijn we zeker niet rijk te noemen, maar toch heb ik al die jaren voldoende part-time-werk kunnen vinden om in het onderhoud van mijn gezin te voorzien. De afgelopen tien jaar ben ik onderhoudsmonteur geweest bij een kleine gereedschapsmakerij. Soms vragen mensen wel eens, als ze onze niet al te overdadige bezittingen zien: „Hoe kunnen jullie na al die jaren van hard werken nu gelukkig zijn met zo weinig materiële rijkdom?”
Mensen helpen
Maar bedenk: Wat maakt een mens gelukkig — materiële dingen? Misschien in zekere mate, maar er zijn onder rijke mensen beslist heel wat ongelukkige stakkers. Jezus Christus zei: „Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen” (Hand. 20:35). En wat de laatste veertig jaar van mijn leven vooral zo voldoeninggevend heeft gemaakt, is de gelegenheid die ik heb gehad om zoveel gratis te kunnen geven — mensen te hebben kunnen helpen een schat te vinden die hen gelukkiger heeft gemaakt dan wanneer ik hun tien miljoen had geschonken. Hoe dat kan?
Wel, het is zoals de bijbel zegt: „Gelukkig is de mens die wijsheid heeft gevonden, en de mens die onderscheidingsvermogen verkrijgt, want haar als winst te hebben, is beter dan zilver als winst te hebben, en haar als opbrengst te hebben, beter dan het goud zelf.” Het is de afgelopen jaren mijn vreugde geweest een instrument te zijn in de handen van God om mensen te helpen deze wijsheid en dit onderscheidingsvermogen van onvergelijkbare waarde te verkrijgen. — Spr. 3:13-18.
In welk ander werk kan iemand zulke heilzame veranderingen in het leven van andere mensen aanbrengen? Het is werkelijk een genoegen wanneer men ziet hoe de denkwijze van mensen gaat veranderen en zij een gezondere kijk op de dingen gaan krijgen. Een voorbeeld om dit te illustreren, was hetgeen ik in 1955 meemaakte, toen ik in Londen een christelijk congres bezocht. De man van het gezin waar ik verbleef, verklaarde dat hij een atheïst was. Op een avond toen zijn vrouw en twee kinderen al naar bed waren, zei hij tegen me: „U geeft mij antwoord op één vraag en misschien dat ik dan verder naar u luister.”
„Wat is uw vraag?” vroeg ik hem.
„Waar komt God vandaan?”
„O, dat is een gemakkelijke vraag”, antwoordde ik.
Hij keek me verbaasd aan. „Gemakkelijk? Wat bedoelt u?”
Ik sloeg de bijbel open (zij hadden een King James-vertaling) en las Psalm 90:2, waar staat: „Eer de bergen geboren waren, en gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.”
Nadat ik klaar was met lezen, zei hij: „Ah, bah!” met afkeer in zijn stem.
„Wel”, zei ik hem, „hier zitten we nu, man tegenover man. Het antwoord stond u niet aan. Maar ik wil u wat vragen: Veronderstel nu eens dat uw zoon zou binnenkomen en u een vraag zou stellen, en u zou die voor hem beantwoorden, maar hij zou met dat antwoord niet zijn ingenomen, en zeggen: ’Ah, bah!’ Zou u dat leuk vinden?”
Hij keek me aan met een verwarde blik en zei toen: „Nee, dat denk ik niet. Maar waar stuurt u op aan?”
„Wat ik bedoel is dit. U vroeg mij: ’Waar komt God vandaan?’ En ik gaf u het antwoord dat God zelf heeft gegeven, het antwoord dat hij geïnspireerde mannen liet opschrijven. Met dat antwoord bent u niet tevreden, en misschien begrijpt u het ook niet eens. Toch is het een antwoord dat gemakkelijk valt te accepteren op basis van één ding: geloof.”
„Hoe dat zo?” was zijn vraag.
„Wel, veronderstel dat God had gezegd: ’Die-en-die heeft me geschapen” Dan zou u graag willen weten wie dan Die-en-die heeft gemaakt. En veronderstel dan dat Hij zou zeggen: ’Die-en-die werd door Die-en-die geschapen’. Dat zou een gebed zonder eind worden. Maar nu vertelt God u dat hij er altijd is geweest en er ook altijd zal zijn, maar dat antwoord bevredigt u niet. Onze kleine hersenen die we hebben gekregen, kunnen dat niet volledig vatten, niet volledig accepteren, omdat we om ons heen dingen zien komen en gaan, mensen inbegrepen. En omdat u niet kunt begrijpen dat God altijd heeft bestaan, bent u niet tevreden. Maar dat God altijd heeft bestaan, is iets wat we op basis van geloof moeten accepteren — en als we de prachtige schepping met al zijn wonderen beschouwen, hebben we voor het geloof in zo’n altijd bestaande God meer dan genoeg reden.”
Toen veranderde deze zogenaamde atheïst van houding; hij stelde zich open voor een verder gesprek en vroeg als een kleine jongen: „Zoudt u me wat meer willen vertellen uit de bijbel.” Dus begonnen we de bijbel te bestuderen, en toen ik Londen verliet, droeg ik mijn studie met hem aan een andere Getuige over.
Hoe zou u zich na ontvangst van een prachtig geschenk voelen? Dankbaar? Wel, voor mij vormen het begrip en de kennis die ik omtrent God en zijn grootse voornemen heb verworven, een geschenk van onschatbare waarde. En die kennis en dat begrip ook weer aan anderen te mogen uitdragen — door dus het werk te doen dat door Jezus Christus is gedaan en waartoe hij ook zijn volgelingen aanspoorde om het op zich te nemen — dat heeft de afgelopen veertig jaar tot de beste van mijn leven gemaakt. Ja, die kennis heeft mijn geloof en vertrouwen in Jehovah’s beloften opgebouwd, want, zoals de bijbel zegt: „God is niet onrechtvaardig, zodat hij uw werk en de liefde die gij voor zijn naam hebt getoond . . . zou vergeten” (Hebr. 6:10). — Ingezonden.
[Inzet op blz. 20]
„Die wetenschap was voor mij voldoende om me een hecht gefundeerd geloof in de bijbel te geven.”
[Inzet op blz. 20]
„Wat de kerken over de dood en de toestand van de doden vertelden . . . had me al nooit juist geleken.”
[Inzet op blz. 21]
„Al het geld in de wereld had mij niet tot andere gedachten kunnen brengen.”
[Inzet op blz. 21]
„Die bijbelse waarheden brachten een volledige keer in mijn leven.”
[Illustratie op blz. 22]
Mensen te mogen helpen levengevende bijbelkennis te verkrijgen, heeft mij grote vreugde geschonken