Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g77 22/2 blz. 3-5
  • „Wie denkt u wel dat u bent?” — Hebt u dat ooit gezegd?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • „Wie denkt u wel dat u bent?” — Hebt u dat ooit gezegd?
  • Ontwaakt! 1977
  • Vergelijkbare artikelen
  • Evenwicht bewaren in menselijke betrekkingen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1969
  • Vrees Jehovah, de Superieur
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1952
  • Verenigd dienen als een gemeenschap van broeders
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
  • De christelijke kijk op wat mensen groot maakt
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2004
Meer weergeven
Ontwaakt! 1977
g77 22/2 blz. 3-5

„Wie denkt u wel dat u bent?” — Hebt u dat ooit gezegd?

VEEL Britten waren geschokt toen nog niet zo lang geleden de memoires van wijlen Lord Reith, stichter van de BBC, werden gepubliceerd. „Ik ben briljant, heb intellect en nog meer van dat al”, zo schreef hij, „. . . Ik walg van gewone mensen, en zal maar zelden grootheid aan anderen toekennen.”

Kent ook u maar zelden ’grootheid aan anderen toe’? Dat is een veel voorkomende tekortkoming. In het uitzonderlijke geval van Lord Reith bracht zijn laatdunkende kijk op anderen veel bitterheid en teleurstelling voor hem. Hij schreef bijvoorbeeld hoe verdrietig hij was toen hij tot het niveau van „het gewone volk” werd „verlaagd”, op het moment dat Churchill hem uit het Britse kabinet verwijderde. Hij klaagde erover dat zijn opvolger zijn voormalige regeringswagen overnam en hem, net als ieder ander, in de rij op de bus liet wachten. „Ik had toen met mijzelf een grote strijd te voeren”, aldus zijn woorden. „Verscheidene malen vulden mijn ogen zich met tranen.”

Gelukkig zijn de meeste mensen niet zo extreem in hun zienswijze ten aanzien van anderen. Toch zal gewichtig doen en op eigen belangen staan ook bij de mensen in uw omgeving een algemeen verschijnsel zijn. Of niet? Veel mensen beschouwen agressiviteit en een aanmatigend optreden als de enige manier om in de wereld „vooruit” te komen. Een populair boek, getiteld „Winnen door intimidatie”, verkondigt het idee dat dè manier om in de zakenwereld vooruit te komen, bestaat in het intimideren van anderen — afsnauwen, overbluffen, en tot eigen voordeel manoeuvreren en manipuleren — dus, kortom, door hen als inferieur aan uzelf te beschouwen.

Vaak spreekt zo’n superieure houding uit woorden of daden, die in feite zeggen: „Waarom zou ik me om jouw onwetendheid druk maken?” of: „Wie denk je wel dat je bent?” Misschien denkt u nu terug aan de keren dat u te maken hebt gehad met een gewichtig doende bureaucraat, een arrogante ambtenaar, of een dominerende echtgenoot — of echtgenote.

Al eeuwenlang is deze geestesgesteldheid onder mensen aanwezig. Toen de oude Griekse taal moest worden aangewend om gestalte te geven aan een nieuw christelijk denkbeeld — ’Met ootmoedigheid des geestes de anderen superieur aan uzelf achten’ — stonden de meeste Griekse uitdrukkingen daar zover van af dat de bijbelschrijver een nieuw woord voor „ootmoedigheid des geestes” moest smeden (Fil. 2:3). Eén commentator merkte op: „De gedachte die de schrijver van de brief aan de Filippenzen wilde overbrengen, had voordien nog geen plaats in de Griekse taal of gedachtenwereld gevonden. Er was als vanzelfsprekend aangenomen dat iedereen zichzelf diende te laten gelden, en dat alleen maar een dwaas ten koste van zichzelf een rivaal tegemoet zou komen.” — The Interpreter’s Bible.

Maar is het dwaas of laf om ’anderen superieur aan uzelf te achten’? In het geheel niet. „Het is niet moeilijk”, zo schrijft de Engelse Lord Peterborough, „om op anderen neer te zien; maar op onszelf neerzien, dat geeft wel problemen.” Ja, gevoelens van eigendunk komen bij de meesten van ons gemakkelijk op, maar nederigheid vereist veel meer inspanning, vooral wanneer men bijzonder begaafd is.

Hoe gemakkelijk komt men er niet toe te denken: „Ik heb hard gewerkt om te bereiken wat ik nu heb bereikt”, en dan anderen die niet zo succesvol zijn gebleken, als minder te beschouwen. Maar wanneer u met beperkingen of handicaps was geboren, zou u dan hetzelfde hebben bereikt? Waar hebt u de talenten en het initiatief, of de opleiding en de kennis vandaan, die u thans bezit? De bijbel stelt ons wat dat betreft enkele onderzoekende vragen: „Wie geeft aan u de voorkeur? Wat hebt u dat u niet gekregen hebt? En als u alles gekregen hebt, waarom dan zo groot doen alsof u alles van uzelf hebt?” — 1 Kor. 4:7, Nieuwe Testament in de omgangstaal.

Iemand die anderen superieur aan zichzelf acht, hoeft geen lijdzame volgeling te zijn. Hij zal misschien over goede leiderscapaciteiten beschikken. Maar welke capaciteiten iemand in een verantwoordelijke positie ook mag hebben, vooral zijn nederigheid zal hem het meest geliefd maken bij degenen die hij voorgaat of leiding geeft.

Toen enkelen van Christus’ apostelen erover redetwistten wie de grootste onder hen was, boorde Jezus al hun grootse illusies de bodem in door op te merken dat het voor mensen die autoriteit bezitten, normaal is over anderen „te heersen”. Maar, aldus zijn woorden, „zo moet gij niet doen”. „Wie onder u de voornaamste is, moet als de jongste wezen, en wie bevelen geeft, als iemand die dient.” — Luk. 22:25, 26, Willibrordvertaling.

De wijsheid van dit beginsel wordt duidelijk wanneer u terugdenkt aan de laatste maal dat iemand u behandelde alsof u ver onder hem stond. Voelde u zich genegen met hem samen te werken? Of kwamen er veeleer gevoelens van gereserveerdheid en irritatie naar boven — misschien de reactie: „Wie denk je wel dat je bent?” Denk daar eens aan wanneer u de volgende maal de neiging voelt opkomen iemand met een zekere hooghartigheid te behandelen omdat hij op een bepaald terrein niet zo bekwaam is als u. En misschien is dat ook wel zo; maar geldt dat voor alles? Wellicht dat hij op andere, veel belangrijker terreinen van het leven ver boven u uitsteekt. De bijbel dringt er daarom op aan onszelf „niet te overschatten”, maar onszelf „met nuchterheid te beoordelen”. — Rom. 12:3, Jerusalem Bible.

Zou het dan, met deze beginselen in gedachten, niet goed zijn opnieuw om u heen te blikken, ditmaal met een andere kijk op anderen, door hen ’superieur aan uzelf te achten’? Zou de verhouding met uw familie, uw vrienden, collega’s of de mensen in het algemeen niet erg verbeteren wanneer u dat werkelijk zou doen? Houd de verstandige raad van de apostel Paulus in gedachten: „Bekommer u evenzeer om anderen als om uzelf. Wees niet hooghartig, maar ga om met de nederigen. Blijf niet denken hoe wijs u wel bent.” — Rom. 12:16, New English Bible.

Een man zal misschien het geld voor het gezinsonderhoud verschaffen. Maar zijn vrouw zal bij de besteding daarvan — de aankoop van levensmiddelen en andere huishoudelijke benodigdheden — wellicht veel verstandiger en economischer te werk gaan dan hij. Ze zal wellicht ook een veel betere smaak hebben wat het inrichten en gezellig maken van het huis betreft, terwijl ze voor de kinderen waarschijnlijk de grootste bron van warmte en genegenheid is. Een echtgenoot dient echter niet te menen dat zijn autoriteit wordt bedreigd wanneer hij erkent dat zijn vrouw in deze en misschien ook andere opzichten superieur aan hem is. Het zal, integendeel, haar respect voor hem vergroten en de liefde tussen hen verstevigen.

Zelfs kinderen kunnen aan de gezinsband een niet te overtreffen bijdrage leveren. Hun spontane en ongeremde uitingen van vreugde en genegenheid, hun kleine, eerlijke waarnemingen betreffende bepaalde dingen, kunnen zelfs voor „onderlegde” volwassenen een les vormen.

Vooral christenen dienen te erkennen dat al hun medegelovigen eigenschappen bezitten waarin zij boven hen uitsteken. Sommigen hebben meer kennis en onderscheidingsvermogen, anderen meer ijver en enthousiasme, weer anderen meer warmte en sympathie. Wie zal zeggen welke persoon in Gods ogen het meest geliefd is; zou het niet iemand zijn die wij vanwege zijn nederige houding misschien over het hoofd zien? Vandaar dat de bijbel zegt: „Omgordt u allen . . . met ootmoedigheid des geestes jegens elkaar, want God weerstaat de hoogmoedigen, maar hij geeft onverdiende goedheid aan de nederigen.” — 1 Petr. 5:5.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen