„Levenssap”
Toen koning David bij een bepaalde gelegenheid naliet zijn zonde aan God te belijden, ondervond hij hiervan zowel in mentaal als fysiek opzicht schadelijke gevolgen. „Mijn levenssap”, zei David, „is veranderd als in de droge zomerhitte” (Ps. 32:4). Gedurende een droge zomer verliest een boom een aanzienlijke hoeveelheid vocht. Davids poging zijn schuldige geweten te onderdrukken, gepaard met de benauwende angst die daar het gevolg van was, maakten dat hij aan zeer grote spanningen blootstond, die hem van zijn kracht en energie beroofden. — Ps. 32:3.