Wat is de zienswijze van de bijbel?
Waarom ’beproeven of gij in het geloof zijt’
HET was aan belijdende christenen te Korinthe dat de apostel Paulus schreef: „Blijft beproeven of gij in het geloof zijt, blijft bewijzen dat gij goedgekeurd zijt” (2 Kor. 13:5). Waarom is het toepassen van deze raad noodzakelijk? En hoe kan men haar toepassen?
Eerst zouden we kunnen beschouwen waarom de apostel Paulus bovenstaande raad gaf. Zekere christenen te Korinthe veronderstelden dat zij in het geloof waren. Niettemin handelden zij in strijd met het voorbeeld en het onderwijs dat Christus Jezus hun had gegeven. Paulus vreesde dat hij hen, wanneer hij hen bezocht, in „twist . . . jaloezie, gevallen van toorn, ruzies, achterklap, influisteringen, gevallen van opgeblazenheid [en] wanordelijkheden” zou aantreffen (2 Kor. 12:20). Gezien zulk een slechte geestelijke toestand onder de leden van die gemeente, bestond er voor allen de noodzaak te bepalen of zij werkelijk leefden zoals van christenen verlangd wordt.
Mensen zijn geneigd om hun eigen tekortkomingen veel minder ernstig te nemen dan de tekortkomingen van anderen, en zichzelf te willen verontschuldigen. Aldus bestond het gevaar dat enkele christenen te Korinthe zichzelf zouden bedriegen door te denken dat zij in het geloof waren, terwijl zij zich in werkelijkheid in een geestelijk zieke toestand bevonden. De apostel Paulus stelde er belang in dat de Korinthiërs zich zouden herstellen, en daarom drong hij er bij hen op aan zichzelf te onderzoeken om te zien of zij wel werkelijk christenen waren, zoals zij beleden.
Enige leden van de gemeente liepen zeer zeker het gevaar dat hun geloof wegens zelfbedrog schipbreuk zou lijden. De woorden van Christus Jezus aan de gemeente te Laodicéa illustreren dat hun handelwijze tot een volledig verlies van hun verhouding met God en Christus zou kunnen leiden. De Zoon van God waarschuwde: „Ik ken uw daden, dat gij noch koud noch heet zijt. Waart gij maar koud of anders heet. Omdat gij lauw zijt en noch heet noch koud, daarom ga ik u uitbraken uit mijn mond. Omdat gij zegt: ’Ik ben rijk en heb rijkdom verworven en heb in het geheel niets nodig’, maar gij niet weet dat gij ellendig en beklagenswaardig en arm en blind en naakt zijt.” — Openb. 3:15-17.
Gezien het ernstige gevaar van zelfbedrog, doen alle christenen er goed aan te blijven beproeven of zij in het geloof zijn. De discipel Jakobus gaf in dit opzicht een uitstekende vermaning: „Wordt echter daders van het woord en niet alleen hoorders, uzelf met valse overlegging bedriegend. Want indien iemand een hoorder van het woord is en geen dader, dan gelijkt zo iemand op een man die zijn natuurlijke aangezicht in een spiegel bekijkt. Want hij bekijkt zich en daar gaat hij heen en vergeet prompt wat voor soort van man hij is. Wie daarentegen tuurt in de volmaakte wet, die tot de vrijheid behoort, en daarbij blijft, die zal, omdat hij geen vergeetachtig hoorder maar een dader van het werk is geworden, gelukkig zijn wanneer hij het doet. Indien iemand meent een vormelijke aanbidder te zijn en toch zijn tong niet in toom houdt, maar zijn eigen hart blijft bedriegen, diens vorm van aanbidding is waardeloos.” — Jak. 1:22-26.
Dus indien een christen zichzelf niet nauwkeurig in het licht van Gods Woord blijft onderzoeken, kan hij als iemand worden die enkel een snelle blik in de spiegel werpt. Zo’n christen zou gemakkelijk zijn hart kunnen bedriegen. Hij zou kunnen redeneren: ’Ik pak het toch goed aan. Ik bezoek de christelijke vergaderingen, lees de bijbel, bid en vertel anderen wat ik geloof.’ Maar afgezien van zulke uitwendige aspecten van zijn vormelijke aanbidding, zou het toch kunnen zijn dat hij zich weinig inspant een christelijke persoonlijkheid te ontwikkelen. Wellicht dat hij zich weinig bekommert om geestelijke smetten en vlekken, en in dezelfde sleur voortgaat, al die tijd denkend dat hij werkelijk in het geloof is. Vooral voor zo’n persoon is de geïnspireerde waarschuwing toepasselijk: „Wie daarom denkt te staan, moet oppassen dat hij niet valt.” — 1 Kor. 10:12.
Wat zo’n christen niet beseft, is dat zonder werken die in overeenstemming zijn met de gehele christelijke leer, zijn aanbidding waardeloos is, en niets heeft te betekenen.
Met de tong kan men bijvoorbeeld niet constant kleinerende uitlatingen blijven doen. De tong dient in bedwang te worden gehouden. De woorden die uit de mond voortkomen onthullen precies hoe iemand in zijn hart is. Christus Jezus zei: „Want uit de overvloed des harten spreekt zijn mond” (Luk. 6:45). Iemand die er dus een gewoonte van maakt anderen te kleineren en hen zelfzuchtige beweegredenen toe te schrijven, toont dat er iets mis is wat betreft zijn bewering in het geloof te zijn. Zijn vormelijke daden van geloof zijn dan waardeloos.
Vandaar dat een christen bij het beproeven of hij in het geloof is, moet bepalen of zijn woorden en daden in overeenstemming zijn met wat hij belijdt. Wanneer hij moeite doet om zich in alle aangelegenheden van het leven te laten leiden door Gods Woord, bewijst hij een ’dader van het woord’ te zijn. Dit kan hem grote vreugde schenken, want de Ontwerper van de richtlijnen in de Heilige Schrift is Jehovah God, de Bron van „elke goede gave en elk volmaakt geschenk” (Jak. 1:17). Daarom is het naleven van de ’wet die tot de christelijke vrijheid behoort’, stellig iets wat iemand het grootste geluk en eeuwig welzijn zal schenken. Het bewaren van geluk is daarom nog een extra reden om te beproeven of men wel in het geloof is.
Maar behalve dat men zich aan de hand van de Schrift moet blijven onderzoeken, dienen hedendaagse christenen ook, net als de Korinthiërs werd geleerd, te ’blijven bewijzen dat zij goedgekeurd zijn’ (2 Kor. 13:5). Hoe kan dit in de praktijk worden gebracht? Een illustratie zal dit duidelijk maken: misschien dat iemand een zaag heeft. Zijn kennis van hoe de zaag is gemaakt en welke materialen er zijn gebruikt, zal voor hem niet voldoende zijn om te bepalen of zijn zaag werkelijk van superieure kwaliteit is. De zaag zou een verborgen gebrek kunnen hebben. Slechts door de zaag over een langere periode en bij verschillende karweitjes te gebruiken, zal hij kunnen vaststellen of het werkelijk een goed stuk gereedschap is. Zo kunnen ook wij op een van de beste manieren bewijzen wie we als persoon zijn, door ons christelijke geloof in alle aangelegenheden van het leven aan het werk te zetten, vooral onder moeilijke omstandigheden.
Vraag uzelf eens af, hoe reageer ik op onvriendelijkheden en beschimpingen? Weiger ik die te vergelden? Houd ik, wanneer anderen oneerlijk zijn, rechtvaardige beginselen hoog? Een christen zal bewijzen dat hij oprecht is, wanneer hij niet bezwijkt onder de druk om in gedrag, woord en daad gelijk aan de wereld te worden.
Wat brengt zulk een druk over u aan het licht? Kunnen anderen zien dat u zich werkelijk overeenkomstig de raad in 1 Petrus 3:8, 9 gedraagt? We lezen daar: „Tenslotte, weest allen een van zin, betoont medegevoel, oefent broederlijke liefde, weest teder genegen, nederig van geest, vergeldt geen kwaad met kwaad of schimping met schimping, maar, integendeel, schenkt een zegen.”
Christenen hebben waarlijk goede redenen om te blijven beproeven of zij in het geloof zijn, om te blijven bewijzen dat zij werkelijk goedgekeurd zijn. Dat zal hen beveiligen tegen zelfbedrog en het verlies van een goedgekeurde positie bij God. Het resultaat zal zijn dat zij positieve stappen gaan ondernemen om zelfs nog meer overeenkomstig Gods Woord te leven, hetgeen reeds nu grote vreugde zal brengen en rijke zegeningen voor de toekomst zal afwerpen.