De jeugd wil weten
IN DE meeste landen is de beoefening van de formele godsdienst in dalende lijn. Het kerkbezoek is laag. Steeds meer mensen, zowel jong als oud, verwerpen de traditionele aanbiddingswijzen. En in nauwe samenhang hiermee stappen toenemende aantallen zelfs van het geloof in God af.
Natuurlijk hebben communistische samenlevingen de religie al tientallen jaren aangevallen en haar als ’opium voor het volk’ beschouwd. In die landen wordt het atheïsme gestimuleerd. Maar ook in het hartje van de christenheid winnen atheïstische en agnostische ideeën steeds meer veld.
Een deel van het probleem is ook, dat de religies van deze wereld zich door hun ongegronde belijdenissen en eeuwenlange schadelijke gedragingen bespottelijk hebben gemaakt. Het is daarom niet vreemd dat veel denkende mensen geen nut zien in de ceremonies en formalistische gebruiken van de kerken en andere, niet-christelijke religies.
Een voorbeeld hiervan stond in het Westduitse blad Stern, uitgegeven in Hamburg. Het bevatte een negatief artikel, getiteld „De handel rond de maagd Maria”. Het verslag handelde over Altötting, het Beierse pelgrimsdorp, en bereikte een oplaag van een miljoen exemplaren.
Het Beierse Ministerie voor onderwijs en cultuur nam nota van deze kritiek op religieuze gebruiken en zei: „Men heeft succes met het in een kwaad daglicht stellen van de religie, door vroomheid, gebed en aanbidding neer te halen en de toegewijden als clowns af te spiegelen.”
Zijn de jongeren geïnteresseerd?
Het Beierse Ministerie stelde eveneens in zijn publikatie, De school en wij, van december 1975, het volgende: „Dagelijks lezen, horen en zien wij vroomheid bespot als domheid, de Tien Geboden naar de achterste bank geschoven. Is het dan een wonder dat God en Christendom woorden zonder betekenis zijn geworden, lettergrepen zonder gevoel, lege plekken in het leven van vele hedendaagse mensen? Wanneer veel gezinnen angstvallig een gesprek over religie vermijden, is het dan nog een wonder dat het als schoolvak nauwelijks meer enige betekenis heeft?”
Ja, wanneer volwassenen hun religie vaarwel zeggen of nog slechts in naam zijn toegewijd, zal dit onvermijdelijk van invloed zijn op hun kinderen. Ook dezen blijken nu vaak even weinig, of zelfs minder, respect voor formele religie en ceremonies te hebben als hun ouders.
Komt dit echter doordat jonge mensen helemaal geen interesse meer hebben in vragen die betrekking hebben op het bestaan van God, de zin van het leven, of wat er na de dood gebeurt? Integendeel, vaak zijn jonge mensen eerder bereid dergelijke onderwerpen te bespreken dan volwassenen.
Maar wat jongeren steeds meer verwerpen, is de formele religie, omdat zij het nut er niet van kunnen inzien. Ook hebben zij de slechte praktijken van de religies van deze wereld gadegeslagen: de politieke inmenging van de kerken, hun schijnheilige en onredelijke leerstellingen, evenals de immorele en luxe levenswijze van veel geestelijken en andere religieuze mensen. Dit alles bij elkaar heeft de jeugd van de formele religieuze instellingen vervreemd.
Een onthullend onderzoek
In München besloot een jonge onderzoeker, Werner Prawdzik, na te gaan of de jeugd geïnteresseerd was in dingen die betrekking hebben op God. Hij ondervroeg 800 van de 2000 15-jarige scholieren in München.
Zijn resultaten waren dusdanig dat velen hun opvattingen moesten herzien. Men was namelijk van mening geweest dat wegens de ongeïnteresseerdheid van volwassenen in geloofszaken, de jongeren van dezelfde ongeïnteresseerdheid blijk zouden geven. Maar dat bleek helemaal niet het geval te zijn.
Wel trad aan het licht dat het grootste deel van deze jonge mensen in München in een „God-loze” omgeving leefde. Uit de vraaggesprekken met de leerlingen bleek bijvoorbeeld dat slechts 16 percent van de vaders en 24 percent van de moeders religie serieus nam. En twee derde van de ouders bleek zelfs zo ongeïnteresseerd dat het hun niet kon schelen of hun kinderen wel of niet aan religieus onderwijs deelnamen.
Tevens bleek dat 83 percent van de vaders en 74 percent van de moeders zelden of nooit naar een kerk gingen. En in dit opzicht weerspiegelden de kinderen de gewoonten van hun ouders. Maar dat was te verwachten. Kinderen volgen gewoonlijk het gedragspatroon van hun ouders na voor zover het om formele godsdienstgewoonten gaat.
Een van de resultaten van het onderzoek bleek echter voor velen onverwacht. De publikatie De school en wij bracht het als volgt onder woorden:
„Een resultaat waar niemand op had gerekend, was dat in deze religieus apathische omgeving, gekenmerkt door afvalligheid van familievroomheid, jongeren opgroeien die in dit opzicht een geheel ander beeld vertonen dan de volwassenen. De stedelijke jeugd gaf te kennen:
’Ik maak me vaak zorgen over de vraag of God bestaat’ (59 percent).
’Ik heb vaak nagedacht over de zin van het leven’ (64 percent).
’Ik ben erin geïnteresseerd te weten wat er na de dood gebeurt’ (57 percent).”
Het rapport voegde hieraan toe: „Veel jonge mensen die in dit anti-religieuze klimaat leven, en wier ouders precies het tegenovergestelde zijn van getrouwe christenen, worden ondanks dat toch beziggehouden door de grote religieuze vragen: Waar komen we vandaan, waar gaan we heen en wat is de zin van het leven.”
Slechts één vierde van de studenten zei dat zij religieuze zaken een onbelangrijk en onpopulair onderwerp vonden. Een ander onderzoek onder schoolkinderen in de stad Düsseldorf leverde ongeveer dezelfde resultaten op.
Natuurlijke nieuwsgierigheid van de jeugd
Het Beierse Ministerie van onderwijs en cultuur kwam tot deze conclusie: „Voetbal, televisie, motorfietsen — iemand die denkt dat dit de dingen zijn waar de wereld van de 15-jarige om draait, die ziet te weinig en kijkt gewoon niet diep genoeg. Het onderzoek dat in verband met de Münchense kinderen is verricht, laat er geen twijfel over bestaan dat de grote, blijvende thema’s van het religieuze onderwijs zoals vrees, genade, schuld, hoop, lijden, vertrouwen, dankbaarheid en vergiffenis, nog steeds in trek zijn.”
Het is onjuist te denken dat de jeugd niet in God en wat daarmee samenhangt, wil geloven. De werkelijkheid is dat zij tot ongeloof worden gebracht door hetgeen hun ouders en geestelijken onderwijzen of nalaten te onderwijzen, en door het voorbeeld dat zij in het dagelijkse leven ontvangen. Dat is ook een van de redenen waarom het Beierse Ministerie er bij ouders op aangedrongen heeft ’hun angst te laten varen en in het gezin weer over religie te spreken’.
Het is daarom duidelijk dat de interesse in dingen die op God betrekking hebben, onder jonge mensen niet dood is. Het schijnt hier om een aangeboren belangstelling te gaan. Jonge mensen zijn van nature nieuwsgierig naar het leven en zouden graag een antwoord willen hebben op de vragen die ermee verband houden. Maar wanneer zij die antwoorden niet krijgen, of ze op een verwrongen manier krijgen aangeboden, zoals de tegenstrijdige religies van deze wereld ze vaak naar voren brengen, kan de natuurlijke neiging tot aanbidding van de Schepper verstikt raken. Het geweten kan in dit opzicht toegeschroeid worden.
Wat een zware verantwoordelijkheid rust er derhalve op de ouders en ook op degenen van wie verwacht wordt dat zij religieus onderwijs geven! Ouders kunnen hun verantwoordelijkheid wat dit betreft niet geheel op geestelijken afschuiven. Ongeacht wat de geestelijkheid doet, het zijn de ouders aan wie de grootste verantwoordelijkheid is toevertrouwd hun kinderen omtrent God in te lichten. Gods Woord, de Heilige Schrift, zegt: „Ouders, jaag uw kinderen niet tegen u in het harnas, maar breng ze groot met christelijke tucht en vorming.” — Ef. 6:4, Het Nieuwe Testament in de omgangstaal.
Dat zulk een vorming ook inhoudt essentiële dingen over God te vertellen, blijkt duidelijk uit een soortgelijke vermaning die in Deuteronomium 6:5-7 werd opgetekend: „En gij moet Jehovah, uw God, liefhebben met geheel uw hart en geheel uw ziel en geheel uw levenskracht. En deze woorden, die ik u heden gebied, moeten op uw hart blijken te zijn; en gij moet ze uw zoon inscherpen en erover spreken wanneer gij in uw huis zit en wanneer gij op de weg gaat en wanneer gij neerligt en wanneer gij opstaat.” Op die manier zal de van nature aanwezige nieuwsgierigheid van het kind worden bevredigd.
Maar hebben de kerken de ouders toegerust om thuis zulk onderwijs te geven? Neen. En dat is een hoofdoorzaak van de „lafheid” van ouders, hun terughoudendheid om thuis religieuze onderwerpen aan te snijden. Over het algemeen discussiëren mensen niet graag over dingen waarvan ze weinig afweten.
Wie treft de schuld van dit onvermogen om thuis te onderwijzen? In de eerste plaats de ouders zelf, aangezien zij zouden moeten zoeken waar ze zich in dit onderwijs zouden kunnen bekwamen. Het andere deel van de schuld rust op de kerkstelsels en hun geestelijke leiders die in gebreke zijn gebleven ouders, volwassenen en jonge mensen op een juiste manier op te leiden.
Succesvol onderwijs
Wanneer kinderen op een juiste manier op de hoogte worden gebracht van de rechtvaardige dingen in verband met God, zal het resultaat niet uitblijven. Spreuken 22:6 verklaart: „Leid een knaap op overeenkomstig de weg voor hem; ook als hij oud wordt, zal hij er niet van afwijken.”
Met die opleiding dient thuis een begin te worden gemaakt. Ouders dienen er de noodzaak van in te zien hun kinderen de waarheid omtrent God te onderwijzen en zelf in overeenstemming met goddelijke beginselen te leven.
In de eerste eeuw leidden christenen inderdaad hun kinderen op deze manier op. Niet alleen kende de christelijke jeugd de waarheid omtrent God en zijn voornemen, maar wanneer zij volwassen waren en hun eigen gezin hadden, waren zij toegerust ook hun kinderen te onderwijzen.
De apostel Paulus schreef het volgende aan de jonge man Timótheüs: „Van kindsbeen af [hebt gij] de heilige geschriften . . . gekend, die u wijs kunnen maken tot redding door middel van het geloof in verband met Christus Jezus. De gehele Schrift is door God geïnspireerd en nuttig om te onderwijzen, terecht te wijzen, dingen recht te zetten, streng te onderrichten in rechtvaardigheid, opdat de mens Gods volkomen bekwaam zij, volledig toegerust tot ieder goed werk.” — 2 Tim. 3:15-17.
Zijn er in deze tijd ouders die hun kinderen op een dergelijke manier kunnen onderwijzen en opleiden? Zijn er kinderen die „van kindsbeen af” de heilige geschriften kennen die God als een geïnspireerde gids voor ons heeft gegeven? Ja, er zijn zulke personen — meer dan twee miljoen, in werkelijkheid over meer dan 200 landen verspreid, en van alle nationaliteiten. Zij nemen op geregelde basis deel aan een onderwijs- en opleidingsprogramma waarbij volwassenen en kinderen met betrekking tot God worden onderwezen. Zulk onderricht is een integrerend deel van de manier waarop Jehovah’s Getuigen leven, waar zij zich ook op aarde mogen bevinden.
Met het gevolg dat er thans jonge mensen zijn die weten wat ze geloven omdat ze door godvrezende ouders zijn opgeleid. Zij kunnen voor zichzelf, aan de hand van hun eigen exemplaar van de bijbel, bewijzen wat de juiste zienswijze omtrent God en een christelijke levenswijze is. Zij hebben een vastberaden standpunt met betrekking tot hun huidige leven ingenomen en hebben een grootse hoop op toekomstig leven voor zich.
Een middelbare scholiere vertelde dat zij wist wat de waarheid omtrent belangrijke levensvragen was, omdat, zoals zij zei, „mams me al vanaf dat ik een baby was, heeft voorgelezen”. Dat onderricht kwam rechtstreeks uit de bijbel en uit bijbelse studiehulpmiddelen. Zij was als Timótheüs, die ’de heilige geschriften van kindsbeen af kende’, welke kennis hem op een juiste wijze voor het leven toerustte.
Een ander kind was in staat haar schoolkameraadjes in te lichten over onderwerpen als waar de doden zijn, wat de hel is, wat de toekomst in petto heeft, enzovoort. Toen een ander kind haar vroeg hoe zij al die dingen wist, legde zij uit dat haar ouders haar al jarenlang uit de bijbel hadden onderricht. Ook had ze in bijbelverklarende boeken gelezen, die een uitleg gaven van bijbelse leerstellingen en bovendien de praktische en nuttige levensbeginselen uit de bijbel uiteenzetten.
Ze vertelde dat ze vooral veel geleerd had van het bijbelverklarende boek met de titel „Naar de Grote Onderwijzer luisteren”. Dit boek licht jonge mensen in wie God is en geeft hun praktisch onderricht voor het dagelijks leven.
Het onderricht waarderen
Naarmate zulke jonge mensen ouder worden, kunnen zij terugkijken en werkelijk waardering hebben voor de manier waarop zij zijn opgeleid. Zij zijn zich er inderdaad van bewust dat het hun verstand en leven gecorrigeerd heeft, zodat zij de vele valstrikken hebben kunnen vermijden waar de jeugd zo makkelijk instapt.
Een jonge vrouw schreef, nadat zij haar diploma van de middelbare school had behaald, het volgende aan haar ouders: „Ik wil u beiden graag vertellen hoeveel ik van u houd en dat ik waardering heb voor alles wat u voor mij hebt gedaan. Alleen dank zij uw hulp heb ik dit stadium in mijn leven kunnen bereiken. Altijd wanneer ik het nodig had, gaf u mij zulke fijne raad en aanmoediging, en steeds in alle vriendelijkheid en liefde.”
Deze zojuist afgestudeerde scholiere voegde hier nog aan toe: „U hebt mij nog iets anders gegeven waarvoor ik u eeuwig dankbaar zal zijn. Door mij over Jehovah God te onderwijzen en over zijn bijbelse beginselen, hebt u mij een doel in het leven gegeven en dat heeft mij zeer gelukkig gemaakt. Ook hebt u mij een wonderbare hoop voor de toekomst geschonken en mij onderwezen op Jehovah en zijn beloften te vertrouwen. Nu ik bezig ben hem vollediger te dienen, hoop ik dat u gelukkig zult zijn omdat u mij het meest waardevolle in het leven hebt gegeven. Allebei, nogmaals, heel veel dank. Alle woorden in de wereld zouden niet kunnen weergeven hoeveel waardering ik voor u beiden heb, maar ik weet dat u het zult begrijpen.”
Wat een fijne beloning van die jonge persoon voor de jaren van zorgzame, liefdevolle inspanning van de zijde van haar ouders! Zo’n waardering is normaal onder kinderen van ouders die te weten zijn gekomen wat Gods wetten, beginselen en voornemens zijn, en dan zichzelf hebben toegerust hun kinderen te onderwijzen. En dit houdt niet in dat ouders volmaakt moeten zijn, of intellectuelen, of buitengewone bekwaamheden dienen te bezitten. Iedere ouder die er oprecht naar verlangt zijn kinderen te onderwijzen, kan dit leren.
U kunt voor uzelf constateren dat deze methoden werken, dat ze praktisch zijn en succesvolle resultaten afwerpen. Bezoek eens de Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen bij u in de buurt, of bezoek een van hun grote congressen. Vermoedelijk zult u onder de indruk komen van de vele jonge mensen die zich onder de aanwezigen bevinden. Neen, die kinderen zijn niet volmaakt. Maar zij willen wel te weten komen wat het leven biedt en wat de toekomst hun te brengen heeft. Dat willen zij onderzoeken. Hun natuurlijke nieuwsgierigheid met betrekking tot deze zaken wordt bevredigd.
Het is waar, dit onderwijs vindt niet bij alle kinderen weerklank. Maar bij de meesten van hen wel. En indien u een ouder bent, kunt u zich voorstellen welk een vreugde ouders beleven wanneer hun inspanningen worden beloond. Het is zoals Gods Woord zegt: „De vader van een rechtvaardige zal zonder mankeren blij zijn; wie vader wordt van een wijze, zal zich ook over hem verheugen. Uw vader en uw moeder zullen zich verheugen, en zij die u baarde, zal blij zijn.” — Spr. 23:24, 25.