Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g76 22/9 blz. 16-22
  • Overleving te midden van de burgeroorlog in Libanon

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Overleving te midden van de burgeroorlog in Libanon
  • Ontwaakt! 1976
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Religie een factor
  • Vredelievend jegens allen
  • Reputatie van Getuigen verbreidt zich
  • Veilig ontkomen
  • Gevaar voor de familie op het bijkantoor
  • Wegversperringen en ontvoeringen
  • Christelijke vergaderingen en de prediking
  • Bezoeken van reizende bedienaren
  • Vertrouwen in de toekomst
  • Na elf jaar vond ik de echte schat
    Ontwaakt! 1984
  • Onze ontsnapping aan de burgeroorlog in Tsjaad
    Ontwaakt! 1980
  • „Dit wordt mijn dood!”
    Ontwaakt! 1985
  • Jaarboek van Jehovah’s getuigen 1976
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1976
Meer weergeven
Ontwaakt! 1976
g76 22/9 blz. 16-22

Overleving te midden van de burgeroorlog in Libanon

Zoals verteld door Ontwaakt!-correspondent in Libanon

MAANDENLANG reeds leeft Libanon op de rand van de ondergang. Het land lijkt een geteisterd slachtveld, vooral in de hoofdstad Beiroet. De schade aan gebouwen en het verlies aan inkomsten loopt bij elkaar in de miljarden guldens.

Veel erger is echter de afschuwelijke tol aan mensenlevens die de oorlog reeds heeft geëist — vroeg dit voorjaar was na één jaar strijd het dodental reeds opgeklommen tot 15.- à 20.000, nog afgezien van de duizenden gewonden die daar bij komen. Gezien het bevolkingstotaal in Libanon van weinig meer dan drie miljoen, zou dit in de Verenigde Staten neerkomen op een verlies van 1 miljoen mensen in een burgeroorlog! Meer dan driemaal het aantal Amerikaanse gesneuvelden in de Tweede Wereldoorlog!

Uit hetgeen mij is gebleken houden veel mensen hier vast aan zondag 13 april 1975 als het werkelijke begin van de oorlog. Op die dag reed een bus met Palestijnse commando’s de Maronitisch-christelijke buitenwijk van Ain-el-Rummaneh binnen. De bus werd met machinegeweerkogels doorzeefd, waarbij alle inzittenden, ongeveer 30 personen, om het leven kwamen. Dit incident gaf aanleiding tot een bijna één week durende strijd in Beiroet.

De oorlog is sindsdien uitgegroeid tot een serie slagen, onderbroken door een reeks „bestanden” — tot dusver al meer dan dertig. Het afgelopen voorjaar kwamen gedurende een periode van slechts twee weken, waarin de gevechten steeds heviger werden, 2000 personen om het leven en raakten er 4000 gewond. Aan het eind van elke maand treedt er weer een rustpauze in, kennelijk om de orde lang genoeg te herstellen dat de banken weer opengaan en de strijders hun betaalcheques kunnen opnemen.

Religie een factor

Net als in Ierland is dit een oorlog van twee religieuze groepen: belijdende christenen tegen moslims. In 1943, toen ik nog maar dertien jaar was, verwierf Libanon onafhankelijkheid van Frankrijk. De belijdende christenen bezaten toen een kleine meerderheid onder de bevolking en er werd overeengekomen dat zij bij de wetgevende en uitvoerende regeringsinstanties ten opzichte van de moslims een meerderheid van 6 op 5 zouden hebben. Tevens werd overeengekomen dat Libanon een Maronitisch-christelijke president zou hebben, een Soennitische moslim als premier en een Sjiïetische moslim als voorzitter van het parlement.

De omstandigheden zijn echter veranderd. De moslims overtreffen thans de belijdende christenen in aantal, en geloven dat er overeenkomstige veranderingen in het bestuur moeten worden aangebracht. Bovendien leven er momenteel 400.000 Palestijnse vluchtelingen in Libanon, van wie velen zwaar bewapend zijn. Dit heeft een ingewikkelde situatie geschapen met diverse wedijverende groepen. En de herhaalde uitbarstingen van geweld hebben vele duizenden over de grenzen gejaagd.

Mijn vrouw en ik hebben besloten hier te blijven zodat wij de vertroostende boodschap van Gods koninkrijk aan de beangstigde Libanese bevolking kunnen blijven brengen. Met ons zijn er nog zo’n 1800 andere getuigen van Jehovah die hetzelfde doen. Ons volledig neutrale standpunt is een bescherming gebleken, ook al zijn er incidentele gevallen bekend van Jehovah’s Getuigen die gewond en zelfs gedood zijn.

Eén vrouwelijke Getuige stierf door vuur van een sluipschutter toen ze bezig was de was buiten op te hangen. En een andere Getuige, die ondanks waarschuwingen toch wegging uit het huis waar hij met andere Getuigen had vergaderd, werd bij thuiskomst doodgeschoten. Andere Getuigen zijn door kogels en granaatscherven gewond, één door een bajonetstoot. Maar we zijn dankbaar dat dit slechts opmerkelijk zeldzame incidenten zijn gebleven.

Het religieuze karakter van de oorlog doet zich erg sterk voelen en is misschien wel het angstigste kenmerk van het hele conflict. In gebieden waar de moslims het voor het zeggen hebben, werden belijdende christenen midden in de nacht uit hun huizen gevoerd en velen werden nooit meer teruggezien. Belijdende christenen deden hetzelfde met moslims. Maar van Jehovah’s Getuigen is bekend dat zij anders zijn.

Vredelievend jegens allen

We hebben er altijd naar gestreefd iedereen gelijk te behandelen, of het nu mensen waren die zich christen noemde of moslim, in navolging van de bijbelse raad: „Zijt indien mogelijk, voor zover het van u afhangt, vredelievend jegens alle mensen” (Rom. 12:18). Bij een bepaalde gelegenheid werd een Getuige door leden van het Maronieten-Verbond bezocht om hem en zijn kinderen ertoe te bewegen zich bij de burgerwacht aan te sluiten en 300 Libanese ponden voor ammunitie bij te dragen.

De Getuige vertelde hun: „Ik kan geen aandeel hebben aan iets wat met de oorlog te maken heeft. En daar komt nog bij dat jullie oorlog niet van God is. Het is zelfs zo dat God spoedig een eind zal maken aan alle mensen met vuurwapens en een rechtvaardige nieuwe maatschappij zal invoeren die onder heerschappij van Christus zal staan.” Later, toen de omstandigheden in het gebied verbeterd waren, bemerkte de Getuige dat zijn ferme, neutrale standpunt het respect van zijn buren had afgedwongen.

Dit neutrale standpunt heeft ons trouwens herhaaldelijk tot voordeel gestrekt. Een Getuige die op een avond een moslim-collega een lift naar huis gaf, kan hier van meepraten. Zij werden door gewapende mannen tegengehouden die van plan waren de Getuige te doden omdat hij een christen was. Maar zijn moslim-collega pleitte voor zijn leven door te zeggen: „Deze man is anders dan de anderen die zichzelf christenen noemen. Hij is neutraal. Hij is niet betrokken bij politiek.”

Toen de gewapende mannen weigerden te luisteren, zei de moslim-man: „Wanneer jullie ons niet met rust laten, zullen jullie ons beiden moeten doodschieten.” Wegens dit oprechte pleidooi liet men beiden gaan.

Een andere Getuige vertelde hoe hij op een bepaald moment geen voedsel meer in huis had en het vanwege de overal aanwezige strijders ook niet veilig was zich buiten de deur te wagen. Toen verscheen er echter een moslim-jongen uit een nabijgelegen dorp bij zijn huis. „Mijn ouders”, zo zei hij, „sturen u dit brood. En als u nog meer nodig hebt, moet u het ons alstublieft zeggen. Dan zullen we het voor u halen.”

Reputatie van Getuigen verbreidt zich

In het noorden van het land bevindt zich een „christelijk” dorp, omgeven door moslim-dorpen. In dat dorp zijn twee gemeenten van Jehovah’s Getuigen. Toen de moslims het dorp aanvielen en bij het huis kwamen waar de Getuigen waren bijeengekomen, kregen de gewapende strijders te horen: „Wij zijn Jehovah’s Getuigen. Wij hebben geen wapens en zijn volledig neutraal. Hier zijn onze huizen, doe ermee wat uw wilt.” De gewapende mannen waren zeer verbaasd en beloofden geen kwaad te zullen doen.

In een dorp dat ik later bezocht had zelfs de katholieke priester zich met een machinegeweer bewapend. De Getuigen kwamen onder zware druk te staan. Men wilde dat zij hun neutrale positie opgaven en zich ter voorbereiding op een komende aanval bewapenden. Omdat zij dat niet wilden, zei een rechtse „christen”-leider „Wanneer deze oorlog voorbij is, zullen we onze aandacht eens op jullie gaan richten!” Wat gebeurde er echter toen op 20 januari 1976 de aanval begon?

De verdedigers van het dorp sloegen op de vlucht. De priester ontdeed zich zo gauw hij kon van zijn wapen en verborg zich. Ook de andere dorpelingen die zichzelf hadden bewapend, probeerden hun geweren kwijt te raken. Eén rechtse leider trachtte zelfs een van Jehovah’s Getuigen zijn geweer in handen te drukken met de woorden: „Het is bekend dat Jehovah’s Getuigen geen wapens bezitten.”

Velen zochten ook een wijkplaats in de huizen van Getuigen. In één huis waren zelfs meer dan zestig personen aanwezig! Nadat een van de Getuigen een gebed om bescherming had opgezonden, zei een dochter van de politieke leider: „Nu voel ik me veilig, want Jehovah is de God die kan beschermen.” En ofschoon er gewapende mannen het huis binnendrongen en enkele waardevolle voorwerpen stalen, werd niemand enig kwaad gedaan.

In een ander huis van een Getuige waren ongeveer vijftig personen bijeen. De presiderende opziener van Jehovah’s Getuigen daar bericht: „Ik hoorde een moslim-buurman tegen de gewapende mannen zeggen: ’Doe dat huis niets. Dat zijn Bijbelonderzoekers, die zijn anders dan de anderen.’ Later verschenen er echter toch guerrillastrijders. Maar ik had met opzet alle deuren van het slot gedaan, zodat ik onmiddellijk kon opendoen toen ze klopten en hen binnen kon laten. Vriendelijk en zonder aarzelen legde ik uit dat wij Getuigen van Jehovah waren. Omdat ze geen wapens vonden, vertrokken ze weer.” Alle huizen in de omgeving werden geplunderd, behalve dit huis.

In de noordelijke stad Tripoli kwamen bijzonder hevige gevechten tussen de strijdende partijen voor. Honderden winkels en huizen werden geplunderd en verbrand, met inbegrip van die van mijn vleselijke broers. Vooral voor christenen was het daar gevaarlijk, zodat een moslim-buurman tot een Getuige zei: „Die mensen weten niet dat jullie Jehovah’s Getuigen zijn. Vertel ons daarom wat jullie nodig hebben en we zullen het voor jullie halen.”

Veilig ontkomen

Op een bepaald moment werd het vechten zo hevig dat vluchten de verstandigste handelwijze leek. Een vrouwelijke Getuige in Tripoli vertelde echter hoe de vier auto’s waarin zij en mede-Getuigen waren gevlucht, aan de buitenrand van de stad door dertig tot veertig gewapende mannen werden tegengehouden. Gelukkig kende zij enkelen van deze mannen, sommigen zelfs bij naam. Dezen deden toen een goed woordje voor de Getuigen. Later vertelde een van hen aan haar: „God was met jullie. Jullie weten niet hoe ze jullie aan stukken hadden gereten.”

Sommigen waren verschillende malen verplicht bij het heviger worden van de strijd te vluchten. Eén Getuige in een buitenwijk van Beiroet vertelde het volgende over zijn vlucht ’s ochtends vroeg op 27 oktober:

„We ontdekten dat we omsingeld waren. Aan de voorkant van ons huis zag ik mannen met vuurwapens en aan de achterkant ontdekte ik hun rivalen, ook met de wapens in de aanslag. Geen van de twee groepen had elkaar nog gezien, maar dat kon, zo ik zag, niet lang meer uitblijven. Mijn vrouw en ik wierpen ons daarom onmiddellijk plat op de vloer om te ontsnappen aan de kogels die begonnen rond te vliegen.

Gelukkig kwam geen van de gewapende mannen ons huis binnen. We weten niet waarom, maar danken Jehovah God dat het niet gebeurde. Om ongeveer half tien ’s morgens, toen het schieten niet meer zo hevig was, arriveerde een buurman, zich kennelijk onbewust van wat er gaande was. Net op het moment dat hij uit zijn auto stapte begon men weer hevig te schieten. Snel opende ik de deur en hij voegde zich bij ons op de vloer.

Toen er opnieuw een pauze kwam in de strijd, besloten we de wijk te nemen; we renden naar zijn auto en hoewel er bij ons wegrijden geschoten werd, wisten we zonder kleerscheuren te ontsnappen. Mijn eigen auto had ik een paar dagen tevoren verkocht, zodat deze man, die ons een vluchtmogelijkheid verschafte, wel uit de hemel gezonden leek.”

Er vonden vaak vreemde dingen plaats. Een Getuige bericht hoe hij tijdens een hevige vuurwisseling op 10 december in een buitenwijk van Beiroet „tot zijn verbazing iemand door een luidspreker hoorde roepen met het verzoek het vuren te staken. De spreker riep: ’Wij zijn broeders. Houdt op met vechten.’

We keken en zagen een ongewapende legerofficier in gezelschap van een priester door de straat lopen. Terwijl zij de straat afliepen kwamen vele strijders uit hun stellingen tevoorschijn en voegden zich bij deze mars voor een staakt-het-vuren. Het schieten hield op. Mensen stonden op hun balkons en riepen blij dat het vrede was. Maar na drie uur ontbrandde de strijd opnieuw.”

Het hernieuwde gevecht duurde vele dagen voort en gezinnen van Getuigen bevonden zich in de brandhaard van de gevechtshandelingen. Ten slotte kregen zij de kans om te vluchten. Hun huizen waren doorzeefd met kogels en granaatscherven, maar geen van hen was gewond.

Wij hebben altijd onze koffers gepakt staan om zo snel mogelijk weg te kunnen trekken. Maar tot nog toe hebben we slechts één keer hoeven te verhuizen. We bleven toen vier dagen weg en keerden daarna, toen de omstandigheden zich weer leken te verbeteren, terug — hoofdzakelijk omdat we weer in onze christelijke gemeente wilden zijn.

Later werd de plaats waar we toen uit veiligheidsoverweging naartoe waren gegaan, zelf het terrein van gevechten. Een vriendin van ons daar vertelde wat er op een maandagochtend in december gebeurde. „Om 11 uur ’s ochtends werd ons huis door een reusachtige explosie aan het schudden gebracht. Mijn man riep de kinderen en mij bij elkaar en zei: ’Dat was heel erg dichtbij. Laten we Jehovah danken dat we nog in leven zijn’, en we verenigden ons met hem in gebed.

Na afloop van het gevecht deden we onze voordeur open en zagen onze veranda overdekt met glas- en granaatsplinters. De mortiergranaat was naast de slaapkamer, waar we die nacht allemaal hadden geslapen, geëxplodeerd! Onze bedden waren overdekt met kalk, glas en granaatsplinters. Was de granaat tijdens onze slaap neergekomen, dan zouden we beslist allemaal ernstig gewond, zo niet gedood zijn.”

Gevaar voor de familie op het bijkantoor

Wat ons ook zorgen baarde, was het lot van onze medechristenen op het bijkantoor in een moslimwijk van Beiroet. Voordat zij naar een veiliger plaats buiten de stad verhuisd waren, beleefden ze enige angstige momenten. Eén familielid beschreef hoe op 6 februari de omstandigheden waren:

„Een maand lang durfden we ’s avonds niet eens in onze kamers naar bed te gaan. Wanneer het tijd was om te slapen, legden we matrassen neer in de kleine entreehal omdat dat het veiligste vertrek in huis was. Daar sliepen we allemaal met onze kleren aan omdat we nooit wisten wat de nacht zou brengen. In die tijd probeerden de rechtsen controle te krijgen over strategische gebouwen aan onze kant van de stad.

De strijd ontaardde in hevige straatgevechten, waarbij het er naar uit leek te zien dat de rechtsen zich in onze straat aan de voorkant zouden nestelen en de linksen achter ons. Omdat het toen nog niet mogelijk was volledig uit het gebied weg te komen, gingen we naar het huis van een Getuige die op ongeveer anderhalve kilometer verderop in de straat woonde, in een veiliger buurt. Wij bleven daar twee weken en konden toen weer terug naar huis.”

Vooral één avond bracht grote angst op het bijkantoor. Het was de avond dat het belangrijkste commerciële centrum van Beiroet in vlammen werd gezet en ook het gebied rond het bijkantoor voor vernieling was bestemd. Getuigen van het bijkantoor geven enkele details:

„Ongeveer half elf ’s avonds werden we opgeschrikt door een uitbarsting van machinegeweervuur aan de voorkant van het huis. Toen twee leden van onze familie van de veranda keken, zagen zij vijf tot zes mannen met vuurwapens uit het hotel recht tegenover ons komen — waarna er plots een luide explosie weerklonk. Wat een ravage toen zeven verdiepingen met glazen ramen en deuren voor ons ineenstortte!

Daarna werd winkel aan winkel in brand gestoken, terwijl de gewapende strijders heen en weer renden om de vlammen met brandstof te voeden en ervoor te zorgen dat de brand zich voortzette. Zij schoten op iedereen die de brand probeerde te blussen. De nachtelijke hemel was rood van de lichtgloed.

Terwijl we uit een van de verduisterde slaapkamers naar het vuur keken, werden we door een nieuwe explosie opgeschrikt. We renden naar de voorkant van het huis en zagen dat er een bom was geëxplodeerd in een kruidenierszaak onder ons. Ons eigen gebouw stond nu in brand! Wat ons het meeste zorgen baarde, was de gasopslagruimte. Wanneer het vuur daar zou komen, zou waarschijnlijk ons gebouw en dat ernaast instorten. Alle buren in de straat hielpen mee en we slaagden erin het vuur te doven voor het al te veel schade kon aanrichten.”

Wegversperringen en ontvoeringen

Ook wanneer er een pauze was in de gevechten, was de stad nog verlamd door de verplaatsbare barricaden die overal werden opgeworpen, de ontvoeringen en het vuur van sluipschutters. Plotseling konden er verschillende vrachtwagens vol gewapende guerrillastrijders in de straat verschijnen, die dan het verkeer blokkeerden en de mensen uit hun auto’s sleurden. Ook voetgangers werden vaak zonder pardon van de stoepen „opgepikt”. Een lid van het bijkantoor van Jehovah’s Getuigen vertelt:

„Veel van de ontvoeringen konden we uit het raam van ons huis zien gebeuren. Van het ene op het andere moment kwamen er dan mobiele barricaden op onze hoek te staan, waarna gewapende mannen onmiddellijk onschuldige mensen begonnen lastig te vallen. Het verschrikkelijke was dat velen die werden opgepakt, nooit meer terugkeerden. Ook een paar Getuigen werden meegevoerd, maar geen van hen liep ernstig letsel op.”

Een ander lid van de bijkantoor-familie vertelde de volgende belevenis: „Na een van de vele bestanden kondigde de regeringsradio aan dat de wegen veilig waren. Dus ging ik die zaterdagmorgen op weg naar het postkantoor, omdat het legen van de postbus tot een van mijn taken op het bijkantoor behoorde. Ik kwam veilig op het postkantoor aan, maar daar hoorde ik spreken over ontvoeringen langs precies die straten die ik op mijn terugweg moest gebruiken.

Ik vroeg een politieagent naar de veiligste weg terug. Hij antwoordde echter: ’Dat weet ik niet. Ik vertel u een weg die misschien nu veilig is, maar dat over vijf minuten al niet meer hoeft te zijn.’ Die verplaatsbare wegversperringen werden namelijk razendsnel opgezet en van de ene naar de andere plek verhuisd.

Dus besloot ik van arren moede maar het verkeer te volgen. Onderweg ontsnapte ik aan twee blokkades door snel om te keren en op straten met één-richtingverkeer de verkeerde kant op te rijden. De volgende dag las ik dat veel moorden en ontvoeringen juist waren gebeurd op de wegen waar ik langs was gereden! Die dag kwam bekend te staan als ’zwarte zaterdag’ omdat op die dag honderden personen ontvoerd of ter plaatse gedood werden.”

Onder zulke omstandigheden bergt elke tocht gevaren in zich — gevaren voor het onmiddellijke leven. Een zendeling van Jehovah’s Getuigen vertelt hoe hij met een vrouw terugreed naar het huis waaruit ze was gevlucht om nog wat van haar bezittingen te halen. „Toen we uit de gehuurde auto stapten, schuifelde de conciërge van het naastgelegen gebouw naderbij en mompelde bijna onhoorbaar: ’Blijf hier niet; er komen moeilijkheden.’

We handelden daarom snel onze zaken af en liepen met trillende knieën terug naar de auto. Bij het bereiken van de hoek, zag ik een jonge man wiens gezicht een vreemde rode kleur had. Even dacht ik: ’Arme stakker, die moet zich verbrand hebben.’ Toen keek ik opnieuw en zag dat hij een gekleurde damesnylon over zijn gezicht had getrokken. En hij was niet alleen!

Er waren nog anderen met dezelfde angstaanjagende hoofdbedekking. Was het een wegversperring? Ik rilde bij het idee. Niemand in de auto sprak een woord. De bestuurder reed zo snel mogelijk, hoewel zijn handen beefden. Het was alsof we tussen die gewapende mannen doorreden zonder dat ze ons zagen. Opgelucht haalden we adem toen we de wijk bereikten waar we verbleven.”

Christelijke vergaderingen en de prediking

De hele oorlog door zijn we in staat geweest in kleine groepjes onze christelijke vergaderingen te houden; zelfs van onze kringvergadering hebben we geen woord hoeven te missen. Soms was het wel alsof de vergaderingen met mitrailleurgeratel geopend en gesloten werden, terwijl er af en toe ook tijdens de hele vergadering geweervuur en explosies te horen waren, soms heel dichtbij, maar we bleven bijeenkomen. Op een keer toen we van een vergadering door een verduisterde straat naar huis liepen, keken we plotseling recht in de lopen van twee machinepistolen! We liepen door, maar ons hart klopte ons in de keel.

Ook zijn we geregelde predikers gebleven van het vertroostende goede nieuws uit de bijbel dat Gods koninkrijk spoedig niet alleen een oplossing zal brengen voor Libanese problemen, maar voor die van de hele wereld. Aanvankelijk stonden we wel een beetje aarzelend tegenover het naar buiten gaan. Maar al gauw wisten we niet meer beter; na alle mogelijke voorzorgsmaatregelen te hebben getroffen, verlieten we ons verder op Jehovah’s bescherming. En we hebben van die bescherming vele bewijzen gehad.

In mijn huis in een buitenwijk van Beiroet wonen ook andere Getuigen. Eens toen ik weg was, was de vrouw van een reizende bedienaar, die bij me logeerde, bezig op ons balkon de was op te hangen toen ze toevallig naar beneden keek en twee jonge mannen ineengehurkt zag zitten met machinegeweren. Ze deinsde terug en rende onmiddellijk naar de voorkant van ons huis, waar ze nog net mijn vrouw opving, die op het punt stond om in de predikingsdienst uit te trekken. Als ze op dat moment naar buiten was gegaan, was ze door het kruisvuur getroffen. Een half uur lang bleven ze in de hal tot het lawaai van de vuurwisseling zich had verplaatst.

Nog een ander voorbeeld: Mijn vrouw en ik hadden een bijbelstudie met een gezin van elf personen niet ver van ons huis. De dag na een van onze studies kwam er een raket door het dak zetten en explodeerde precies in de kamer waar we die avond daarvoor nog gezeten hadden! Hoe droevig echter dat twee kinderen op het dak aan het spelen waren, van wie er een werd gedood en de ander een zware hoofdverwonding opliep.

Aan bijbellectuur ontbreekt het ons nooit. Aan het eind van elke maand maken we namelijk gebruik van gevechtspauzen waarin de strijders hun betalingen incasseren, om onze bijbellectuur daarheen te transporteren waar het nodig is.

Natuurlijk is daarbij gevaar betrokken, maar ook bij die activiteit hebben wij de bescherming van Jehovah God ervaren. Op een keer werd een zending lectuur bij een moslimse controlepost tegengehouden. De gewapende man vroeg: „Wat zijn dat voor boeken?”

De reizende opziener die het transport verzorgde, verklaarde: „Deze boeken gaan over het evangelie.” Daarop antwoordde de controleur „Imshi, Maa Salami”, dat wil zeggen: „Ga in vrede.”

Bezoeken van reizende bedienaren

We ontvangen ook geregeld de opbouwende bezoeken van onze reizende bedienaren, onze kringopzieners, zoals ze worden genoemd. Een van hen vertelde mij:

„Vanwege de aanhoudende zware gevechten was het erg moeilijk om telkens een volle week van activiteit in de gemeenten door te brengen. Vaak ga ik naar een gemeente en zodra het vechten iets minder wordt, halen de ouderlingen snel de broeders en zusters bij elkaar en dan houden we al onze vergaderingen in één keer.

Ik herinner me nog dat ik bij een groepje Getuigen in de bergen was. Bij mijn volgende bezoek zou ik naar een gemeente in Beiroet gaan, in een wijk waar hevig werd gevochten. Daarom werd besloten de Getuigen van Beiroet naar de bergen te laten komen om daar het bezoek van hun kringopziener mee te maken. Dat was precies op het juiste moment gepland, want er was nog één weg van Beiroet naar de bergen open; de twee andere waren door de aanhoudende aanwezigheid van gewapende guerrilla’s gesloten.

De ouderlingen van de gemeente bepaalden voor elk gezin het tijdstip waarop ze op onze plaats van bijeenkomst werden verwacht, zodat de Getuigen die ochtend op ordelijke wijze uit de stad arriveerden. Wat een wonderbaarlijk gezicht meer dan zestig aanwezigen bij elkaar te zien! De vergadering begon om 9 uur ’s ochtends en duurde tot 2 uur in de middag, en de broeders en zusters wilden nog meer. Sommigen hadden elkaar al een hele tijd niet gezien en het was roerend te zien hoe ze elkaar begroetten. We hadden nauwelijks meer de moed hen van elkaar te scheiden, maar toch moesten ze weer vóór het donker thuis zijn, omdat anders de weg gesloten zou wezen.

Vaak zijn we door het oog van een naald gekropen. Op een keer dat we een andere gemeente in een moslim-wijk bezochten, voelden we reeds dat er moeilijkheden in de lucht hingen. We verkortten daarom de vergadering om allen in de gelegenheid te stellen weer vóór het donker thuis te zijn. Het gezin waar ik in huis was en ikzelf gingen als laatsten weg, met de angst in ons hart omdat er die week daarvoor heel wat gruweldaden in de omgeving waren voorgevallen.

Tegen de tijd dat het onze beurt was om te vertrekken, was het reeds donker geworden, zodat we ons op weg naar huis weinig op ons gemak voelden. We waren de enigen op de weg en hoorden elke stap die we deden, weerkaatsen. Het was alsof van alle kanten ogen naar ons loerden. Hoe dichter we bij huis kwamen, des te sneller we liepen. Bij het omgaan van de laatste bocht hoorden we echter plotseling stemmen die ons toeschreeuwden dat we moesten stoppen.

Bang dat er op ons zou worden geschoten, gehoorzaamden we onmiddellijk en vroegen: ’Wie bedoelt u, ons?’ ’Ja’ zeiden ze en bevalen ons hen te volgen. Het waren drie jongemannen met machinegeweren en bedekte gezichten.

Ze hadden ons nog geen moment nauwkeurig opgenomen, maar zeiden slechts dat we mee moesten lopen. Dat deden we, met knikkende knieën en in ons hart een gebed tot Jehovah. Terwijl we zo liepen maakte de moeder van het gezin met wie ik meeliep een opmerking tegen haar zoon. Op dat moment draaide een van de mannen zich plotseling om. Hij had haar stem herkend en besefte dat ze een buurvrouw was. Hij bood snel zijn verontschuldigingen aan en zei dat zij dachten dat wij buitenstaanders waren die waren gekomen om de omgeving te bespioneren. Maar omdat ze uit de buurt kwam, gaven ze ons de raad snel naar huis te gaan, wat we natuurlijk deden.”

Vertrouwen in de toekomst

Op het moment dat dit geschreven wordt, gaat de strijd ondanks de periodieke „staakt-het-vurens” gewoon door. Ontvoeringen, moorden, roofpartijen en andere misdaden zijn aan de orde van de dag. Eén nieuwsbericht meldde: „Moslims aan de linkerkant en christenen aan de rechterkant leven en sterven met het geweer in de hand. . . . De haat tussen christenen en moslims is diep. Hun dorst naar wraak is groot. En snelle terugkeer tot een enigszins normale toestand lijkt onwaarschijnlijk.”

De afbrokkeling van wet en orde heeft tot een verzwakking van de morele maatstaven bijgedragen. Toen bijvoorbeeld een militair kampement door guerrillastrijders werd ingenomen, was er ook een barak met voedsel, kleding en andere voorwerpen die werd buitgemaakt. En dat was voor de onmiddellijke omgeving rechtstreekse aanleiding om onbezwaard aan het plunderen te slaan.

Ook een gezin van Jehovah’s Getuigen werd door hun buren aangespoord mee te doen. Zij weigerden dit, hetgeen zo’n verbazing wekte en zo’n ongeloof dat hun buren toch maar voor alle zekerheid voorwerpen uit het militaire kamp voor de Getuigen meenamen. Dit aanbod werd echter afgewezen met de verklaring dat het aannemen van die dingen hun bijbelse geweten geweld zou aandoen. — Hebr. 13:18.

Ja, één ding is zeker, Jehovah’s Getuigen in Libanon houden vast aan een levenswandel van ware christelijke rechtschapenheid en volledige neutraliteit. En zij zullen ermee doorgaan aan alle Libanese mensen de vertroostende boodschap te brengen dat Gods koninkrijk spoedig alle reden voor verdriet zal wegnemen door een rechtvaardig nieuw samenstel in te voeren. Door als ambassadeurs van dat koninkrijk te dienen zijn wij geholpen te midden van de burgeroorlog in Libanon in leven te blijven. — 2 Kor. 5:20.

[Inzet op blz. 17]

„Het religieuze karakter van de oorlog doet zich erg sterk voelen.”

[Inzet op blz. 18]

’De priester ontdeed zich van zijn wapen en verborg zich.’

[Inzet op blz. 19]

„Mensen stonden op hun balkons en riepen blij dat het vrede was.”

[Inzet op blz. 20]

„De strijd ontaardde in hevige straatgevechten.”

[Inzet op blz. 20]

’Zeven verdiepingen met glazen ramen en deuren stortten voor ons ineen!’

[Inzet op blz. 21]

„Veel van de ontvoeringen konden we uit het raam van ons huis zien gebeuren.”

[Inzet op blz. 21]

’De dag na een van onze studies kwam er een raket door het dak zetten en explodeerde precies in de kamer waar we gezeten hadden.’

[Inzet op blz. 22]

’We voelden dat er moeilijkheden in de lucht hingen.’

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen