Ik was een gezondbidder
Door Ontwaakt!-correspondent op Guadeloupe
MIJN patiënt zit voor me. Tussen ons in, op een tafel, staat een gewoon bord met daarop drie brandende kaarsen. Onder het bord ligt een groot vel wit papier met drie letters erop in een lijn die evenwijdig loopt aan de lijn van de drie kaarsen. De eerste kaars vertegenwoordigt de patiënte zelf; de eerste letter is de beginletter van haar naam. De tweede kaars vertegenwoordigt haar huis en gezin; de derde haar belangstelling voor de buitenwereld. Terwijl ik luister naar haar verhaal, bestudeer ik aandachtig van iedere kaars de vlamkleur, de rook en de pit (kromt hij zich naar rechts of naar links?) en het lekken van de vloeibare was.
Deze vrouw is nu al één jaar ziek. Haar ene been is ernstig opgezwollen en hoewel ze reeds onder doktersbehandeling is, heeft ze nog altijd last van pijn. Daarom is ze naar mij toegekomen, om te vragen of ik haar ziekte wil genezen.
Na met intense aandacht de tekenen der kaarsen in me te hebben opgenomen en na de geest te hebben opgeroepen, raak ik haar ongezonde been aan en roep uit: „In de naam van de drie personen van de Heilige Drievuldigheid, wees genezen.” Daarna schrijf ik haar enkele medicijnen voor, gemaakt van kruiden, en vermaan haar tot de Heilige Drieëenheid te bidden wanneer ze thuis op bepaalde, door mij aangewezen dagen, kaarsen brandt.
In het verleden waren zulke taferelen heel gewoon in mijn huis. Van over het hele eiland Guadeloupe (gelegen in de Caribische Zee) kwamen mensen naar mij toe met hun specifieke kwalen en problemen. Sommigen waren lichamelijk ziek, terwijl anderen me verzochten „een blik te werpen in hun leven”. Een man was misschien op zoek naar werk, of hij wilde trouwen en zag uit naar een goede vrouw. Of een vrouw had huwelijksmoeilijkheden. Weer anderen kwamen vragen of ik hen wilde beschermen tegen een vloek die, naar zij vast geloofden, tegen hen was uitgesproken.
Zo had ik bijna twintig jaar lang een praktijk als gezondbidder, in de overtuiging dat God me deze macht had gegeven. Thans is er echter niemand meer die een beroep komt doen op mijn macht. Waarom niet meer? Ik zal het u vertellen.
Mijn vroegere religieuze opleiding
Het levenslicht aanschouwde ik in een klein vissersdorpje aan de Atlantische kant van mijn eiland. Mijn ouders waren eenvoudige boerenmensen met een hindoeïstische achtergrond, en hoewel zij oprecht het katholieke geloof waren toegedaan, hielden zij zich ook aan de aanbidding en religieuze riten van hun voorouders uit India.
Langs ons huis stond een tien meter hoge bamboepaal met een rode lap in top, ter ere van de god „Maliemin”. Vroeg in de ochtend werd er verscheidene uren lang op de trom geroffeld om de aandacht van Maliemin te trekken en hem ervan te verwittigen dat er voorbereidingen voor zijn offers werden getroffen. Mijn vader stak dan kaarsen aan, sprak gebeden uit en bracht de offers, bestaande uit onder andere rijstpudding, kokosnoten en bananen. Soms werd het jong van een geit geofferd. En op twintigjarige leeftijd was ik degene die het aan een touw moest vasthouden wanneer de keel ervan werd doorgesneden. Een vuur van gedroogde takken liet rook in de richting van de godheid kringelen. Daarna kregen de vrouwen en kinderen het voedsel aangeboden, omdat zij als heilig werden beschouwd. De vrouwen vanwege hun vruchtbaarheid, de kinderen vanwege hun onschuld.
Hoewel mijn hele familie de aanbidding van Maliemin beoefende, bezochten ze allemaal de katholieke mis, want de priester had in het geheel geen bezwaar tegen de Maliemin-aanbidding. En ook ik werd na mijn geboorte katholiek gedoopt. Ik leerde de catechismus en ging ter communie, ontving het vormsel en trouwde overeenkomstig de riten van de katholieke Kerk. En van zijn kant weerhield de god Maliemin mij nooit van mijn beoefening van het katholieke geloof.
Ik mocht altijd graag lezen en toen ik veertien jaar was, gaf mijn oom mij een kleine katholieke missaal. Later ging ik eens naar de priester toe en vroeg hem om een uitgave van de vier evangeliën. Op een dag las ik in het evangelie van Markus de volgende passage: „Voorts zullen deze tekenen hen vergezellen die geloven: Met gebruikmaking van mijn naam zullen zij demonen uitwerpen, zij zullen in talen spreken, en met hun handen zullen zij slangen opnemen, en als zij iets dodelijks drinken, zal het hun in het geheel geen schade doen. Op zieken zullen zij hun handen leggen en zij zullen beter worden” (Mark. 16:17, 18). Toentertijd wist ik nog niet dat die woorden aan het eind van het evangelie van Markus (de verzen 9 tot en met 20) onecht waren, omdat ze niet in de oudste manuscripten van de christelijke Griekse Geschriften voorkomen. Ik las ook veel boeken over astrologie en het trekken van horoscopen, terwijl ik omging met vrienden die zich met spiritisme bezighielden.
Weldra was ik ervan overtuigd dat ook ik zieke mensen kon genezen en al hun andere problemen kon oplossen. Ik begon fetisjen te maken die mensen geluk moesten aanbrengen. En wanneer ik door middel van de drie kaarsen de drie personen van de Drieëenheid aanriep, begon ik over mijn hele lichaam te schokken. Ik meende dat ik in contact stond met mijn god en mensen met hun problemen kon helpen.
In de evangeliën las ik echter hoe Jezus zieken, kreupelen en verlamden ogenblikkelijk genas. Wat mij betreft, ik had voor mijn genezingen wel verscheidene dagen en soms ook verscheidene séances nodig. Daarom vroeg ik mij wel eens af of ik ooit zover zou komen als Jezus.
Omstreeks die tijd overkwam mij een verschrikkelijke ramp. Mijn zoontje werd ziek en ik stelde alles in het werk om hem te genezen, maar zonder resultaat. „De Heilige Drieëenheid” deed niets voor mij. En na drie jaar lang onder behandeling van diverse doktoren te hebben gestaan, stierf hij uiteindelijk op de leeftijd van twaalf jaar. Wat een schok was dat. „Waarom is God zo onrechtvaardig jegens mij?” was mijn voortdurende vraag. „Heb ik misschien iets misdaan? Waarom kon ik anderen wel genezen en mijn eigen zoon niet?”
De waarheid leren kennen die iemand vrij maakt
Ik ging voort met mijn genezingen, ofschoon wel met minder enthousiasme, tot er zich in 1969 een grote verandering in mijn leven begon te voltrekken. Ik had van een Adventistische colporteur een bijbel gekocht en bezocht een paar van hun bijeenkomsten in de tempel van de Zevende-Dags-Adventisten. Verder ging ik echter niet. Ik bleef bij mijn katholieke geloof en mijn gave van gebedsgenezing.
Toen, op een dag, liet een van Jehovah’s Getuigen een boek bij mij achter, getiteld: „Dingen waarin God onmogelijk kan liegen.” Ik begon het meteen te lezen en hoewel ik niet alles begreep wat ik las, werd het mij wel duidelijk dat de Adventisten het bij het verkeerde eind hadden. Niet lang daarna begon ik met een van Jehovah’s Getuigen een serieuze studie van de bijbel te maken. Daarbij maakten we een dankbaar gebruik van een handig hulpmiddel, het boek De waarheid die tot eeuwig leven leidt. Deze man wist die ik was en wat ik deed. Daarom was hij erg tactvol toen hij me uitlegde dat de wonderbare gaven die de eerste-eeuwse christenen bezaten, moesten ophouden toen de christelijke gemeente tot de volwassenheid was gegroeid, zoals blijkt uit 1 Korinthiërs hoofdstuk 13, waar Paulus schrijft: „Hetzij er gaven van profeteren zijn, ze zullen worden weggedaan; hetzij er talen zijn, ze zullen ophouden; . . . wanneer . . . het volledige gekomen zal zijn, zal dat wat gedeeltelijk is, worden weggedaan” (1 Kor. 13:8-10). Deze bezoeker maakte mij ook duidelijk dat alleen iets doen wat men als wonderbaarlijk zou kunnen opvatten, nog niet hoeft te bewijzen dat het om de macht van de ware God gaat. Hij vroeg mij Jezus’ verklaring in Matthéüs 7:21-23 te lezen, waar staat: „Niet een ieder die tot mij zegt: ’Heer, Heer’, zal het koninkrijk der hemelen ingaan, maar hij die de wil doet van mijn Vader, die in de hemelen is. Velen zullen op die dag tot mij zeggen: ’Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd, en in uw naam demonen uitgeworpen, en in uw naam vele krachtige werken verricht?’ En toch zal ik hun dan in het openbaar bekendmaken: Ik heb u nooit gekend! Gaat weg van mij, gij werkers der wetteloosheid.”
Naarmate de studie vorderde, werd ik mij bewust van het verschil tussen mijn manier van genezen en de genezingen die Jezus Christus verrichtte. Ik begon me werkelijk te schamen toen ik eraan dacht dat ik altijd geld had gevraagd van mensen die ik beweerde te zullen genezen, terwijl Jezus tot zijn volgelingen had gezegd: „Gij hebt om niet ontvangen, geeft om niet.” — Matth. 10:8.
U zult zich kunnen voorstellen hoe verbaasd ik bovendien was toen Deuteronomium 18:10-14 onder mijn aandacht werd gebracht, waar staat: „Er dient onder u niemand te worden gevonden die zijn zoon of dochter door het vuur laat gaan, niemand die aan waarzeggerij doet, geen beoefenaar van magie, noch iemand die voortekens zoekt, noch een tovenaar, noch iemand die anderen door een banspreuk bindt, noch iemand die een geestenmedium of beroepsvoorzegger van gebeurtenissen raadpleegt, noch iemand die de doden ondervraagt. Want iedereen die deze dingen doet, is iets verfoeilijks voor Jehovah, en wegens deze verfoeilijkheden verdrijft Jehovah, uw God, hen van voor uw aangezicht. Gij dient u onberispelijk te betonen tegenover Jehovah, uw God. Want deze natiën, die gij uit hun bezit verdrijft, plachten te luisteren naar hen die magie beoefenen en naar hen die waarzeggen; maar wat u aangaat, Jehovah, uw God, heeft u iets dergelijks niet gegeven.”
Ik was werkelijk getroffen en besloot onmiddellijk al die praktijken te laten varen. Ik begreep toen dat ik door mijn astrologie en beoefening van waarzeggerij bezig was geweest de Duivel en zijn demonen te dienen, zoals dit ook gezegd kon worden van mijn vertrouwen in de zogenaamde „Heilige Drieëenheid”. Dat trinitarische idee was rechtstreeks afkomstig uit het oude Babylonische heidendom.
Diverse nachten nadien kon ik de slaap niet vatten. Ik had afschuwelijke nachtmerries waarin zieke personen mij smeekten hen te genezen. Soms hoorde ik schrikaanjagende geluiden, alsof er stenen op het dak vielen, of ik had het gevoel dat iemand me aanraakte. In mijn angst bad ik dan tot Jehovah, hem smekend mij te helpen, want ik beseft dat ik aanvallen van de demonen te verduren kreeg. Een hele maand had ik hiervan te lijden. En in feite kwam er pas verbetering in de situatie toen ik de raad van een van Jehovah’s Getuigen ter harte nam, die mij aanspoorde al mijn boeken over gebedsgenezing, astrologie en magie te verbranden, evenals de mensen in Éfeze dat in de dagen van de apostelen hadden gedaan. — Hand. 19:17-20.
Twee maanden nadat ik met Jehovah’s Getuigen de bijbel was begonnen te bestuderen, bezocht ik de vergaderingen in de Koninkrijkszaal. En na negen maanden studie droeg ik mijzelf aan Jehovah op en werd daarna als symbool hiervan in 1970 in water gedoopt. Ik was nu eindelijk zelf genezen — genezen van mijn waan een door God gebruikte gebedsgenezer te zijn. De waarheid had me vrijgemaakt — vrij van de demonen en hun leugens (Joh. 8:32). Uit eigen ervaring weet ik nu dat alle soorten van leugenachtige werken, tekenen en wonderen door demonenmachten kunnen worden verricht, zoals ook door de apostel Paulus in 2 Korinthiërs 11:14 wordt bevestigd: „Satan zelf blijft zich veranderen in een engel des lichts.” Dank aan Jehovah, die mij uit de val van Satan heeft bevrijd en uit de duisternis tot zijn wonderbaarlijke licht heeft geroepen! — 1 Petr. 2:9.
Wanneer nog wel eens vroegere patiënten naar mij toekomen, zeg ik hun: „Ik ben opgehouden voor de Duivel en zijn demonen te werken. Ik heb al mijn boeken verbrand. Wanneer u dat graag wilt, kan ik u helpen de ware God te leren kennen en u, aan de hand van zijn Woord, de bijbel, vertellen hoe hij de mensheid volmaakte gezondheid zal schenken.”
Dus nu weet u waarom mensen niet langer naar mij toekomen om genezing voor hun kwalen te zoeken. Integendeel, ik ga nu naar hen toe. Terwijl ik vroeger tevergeefs probeerde de ogenblikkelijke genezingen van Jezus na te bootsen, ben ik thans op een andere manier Jezus gaan navolgen — door van plaats tot plaats het goede nieuws van Gods koninkrijk te prediken. Soms vragen mensen me wel: „Wat! U bent toch niet die man die mensen genas . . . ?” En dan vertel ik hun dat de eeuwige bevrijding van lichamelijke pijn volgens Gods belofte zal plaatsvinden in het nieuwe en volmaakte samenstel van dingen, waarover Openbaring 21:4 spreekt: „En hij zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn. De vroegere dingen zijn voorbij gegaan.”
Vroeger hield ik mijn magische geheimen voor mijzelf. Ik wilde niet dat mensen zouden weten hoe ik hen „genas”. Thans ben ik ervan overtuigd de waarheid te hebben gevonden en ik wil niets liever dan dat alle mensen te weten komen hoe en waar ik haar heb ontdekt. Ik ben Jehovah God dankbaar dat hij mij in kennis heeft gebracht met zijn kostbare Woord vol beloften, en dat ik nu het voorrecht geniet bij te mogen dragen aan de geestelijke genezing van mensen, door hen op de weg te leiden die naar eeuwig leven voert, eeuwig leven in een aards paradijs in volmaakte gezondheid en geluk!