Het „Heilig Jaar” — Wat heeft het tot stand gebracht?
OVER de gehele wereld was 1975 voor rooms-katholieken een „Heilig Jaar”. Op 24 december 1974, op de vooravond van kerst, werd het symbolisch door paus Paulus VI ingeluid met het openen van een „heilige deur” in de St.-Pieterbasiliek in Rome.
Thans ligt het alweer bijna een half jaar achter ons. Wat heeft het tot stand gebracht? Werden de gestelde doeleinden bereikt? Zijn op zijn minst de omstandigheden binnen de katholieke Kerk verbeterd? Dit zouden we mogen verwachten, wanneer het Heilig Jaar Gods zegen genoot.
Doel van de Heilige Jaren
Het jaar 1300 was het eerste Heilige Jaar van de Rooms-Katholieke Kerk. Paus Bonifacius VIII riep het uit tot een speciaal jaar. En katholieken werden uitgenodigd naar Rome te komen om oude plaatsen die als heilig werden beschouwd, met hun aanbidding te vereren. Zij die dit op de voorgeschreven wijze deden, ontvingen aflaten, dat wil zeggen, kwijtscheldingen van straf voor bedreven zonden.
Aanvankelijk werd er om de vijftig jaar een Heilig Jaar gehouden, daarna eens in de vijfentwintig jaar, en dit is zo gebleven, met uitzondering van die jaren dat oorlogen of pestilentiën een reis naar Rome onmogelijk maakten. In onze eeuw zijn er „gewone” Heilige Jaren geweest in 1900, 1925, 1950 en 1975. Soms werden er speciale Heilige Jaren afgekondigd, zoals in 1933.
Wat was het doel van het Heilig Jaar 1975? In de Cleveland Press stond hierover: „Hoewel interne vernieuwing in de geest van de paus het voornaamste is, hoopt hij ook, aldus een hooggeplaatste prelaat uit zijn omgeving, dat het de diepe kloven zal dichten die zijn ontstaan door de hervormingsgolven na het Tweede Vaticaans Concilie”, tien jaar geleden.
De afgelopen jaren is de Rooms-Katholieke Kerk getroffen door een orkaan van onenigheid binnen haar eigen gelederen. Priesters en leken te zamen hebben de leer en praktijken van de Kerk ter discussie gesteld en betwist. „Katholieke Kerk spartelt in zeeën van verandering”, zo luidde een kop in de Amerikaanse Chronicle (Michigan).
In land na land wordt de kerk met deze situatie geconfronteerd. Overal verkeert ze in ernstige moeilijkheden. Toen dan ook eind december 1974 het Heilig Jaar zou beginnen, riep paus Paulus op tot eenheid en verzoening. Hij zei dat de Kerk ernstig werd bedreigd door de geest van „polarisatie en onenigheid”. Voordien had hij zelfs al gesproken over een „epidemie” van onenigheid, met „gevaarlijke” politieke en sociale zienswijzen die zich steeds verder verbreidden. Hij klaagde: „Dit verschijnsel dat zich als een epidemie in de culturele kringen van onze gemeenschap verbreidt, veroorzaakt ons grote smart.”
Tevens verklaarde hij dat „uitdagende zonen” de Kerk „diepe wonden” hadden toegebracht. Zowel de conservatieven als liberalen werden door hem beschuldigd van bedreiging van de eenheid. Hij riep op tot verzoening en verlating van „katholieke onenigheid, oppositie, bittere kritiek, . . . van heimelijke en openlijke afval”.
Nog een hoop
Tevens hoopte men in het Heilig Jaar op de verlichting van een ander brandend kerkelijk probleem. En wel het feit dat tal van priesters en nonnen, alsook gewone kerkgangers, het religieuze leven de rug toekeren.
Op een audiëntie in het Vaticaan sprak de paus tot een afvaardiging van Italiaanse priesters: „Ons lijden wegens de vele priesters die afvallen, is onze doornenkroon.” Sindsdien heeft de paus herhaaldelijk zijn angst uitgesproken over de afval van zowel geestelijken als leken.
„Paus Paulus sloeg dramatisch alarm: het huis van God ’schijnt ten ondergang gedoemd’”, zo berichtte de Epoca te Rome, vlak vóór het begin van het Heilig Jaar.
Hieraan werd het volgende commentaar toegevoegd: „De getallen wijzen op een daling die niet kan worden gestopt: vanaf het eind van de [Tweede Wereldoorlog] tot nu toe hebben tienduizend priesters in Italië de kudde vaarwel gezegd; in de volgende tien jaar zullen de meeste van onze seminaries hun deuren moeten sluiten; slechts 30 percent van de getrouwen gaat naar de mis en slechts 10 percent ontvangt zondags de communie.”
Beantwoordde het Heilig Jaar aan zijn doel? Werd het voornaamste doel, „vernieuwing en verzoening”, bereikt? Was er sprake van enige heling ten aanzien van de reusachtige verdeeldheid die de afgelopen jaren was gegroeid? Is het getij van afvalligheid gekeerd?
Geen genezing
De waarnemers zijn het erover eens dat het Heilig Jaar 1975 geen genezing heeft gebracht. Er was geen „vernieuwing” of „verzoening” van enige betekenis.
Zelfs katholieke autoriteiten hebben dit moeten erkennen. Priester-socioloog A. Greeley verklaarde in een artikel in de San Francisco Chronicle: „Er is een samenzwering gaande om de katholieke Kerk in diskrediet te brengen. Helaas is die samenzwering van inwendige aard”, dat wil zeggen, de leiders binnen de Kerk zijn er de aanstichters van, juist zij die zeggen genezing te willen.
Ja, ondanks het verlangen naar vernieuwing en verzoening, ondernamen kerkelijke autoriteiten gedurende het Heilig Jaar acties die de wonden slechts vergrootten en niet genazen, aldus Greeley. Hij gaf de volgende voorbeelden:
„De Congregatie voor de Geloofsleer (vroeger het Heilig Officie, en daarvoor de Inquisitie) sprak onlangs haar veroordeling uit over de conservatieve Zwitserse theoloog Hans Küng, hoewel Küng er reeds mee had ingestemd over het gewraakte onderwerp niet meer te schrijven.
Dezelfde Congregatie herdacht de twintigste sterfdag van de grote paleontoloog en mysticus, Pierre Teilhard de Chardin, met een bevestiging van alle oude censuurbepalingen . . .
Bisschop Leo Maher van San Diego heeft alle leden van de Nationale Organisatie voor Vrouwen (NOW) vanwege hun steun aan abortus de sacramenten geweigerd.”
„En dit alles, zo moet men bedenken, in het Heilig Jaar van verzoening”, aldus Greeley. „Geen verzoening echter voor Hans Küng. Geen bevrijding voor de leden van NOW. En geen vrijheid voor katholieke auteurs.” En dit ondanks het feit dat „vele kerk [autoriteiten] een soort van halfzacht socialisme propageren, ’bevrijdingstheologie’ genaamd, en de Amerikaanse kerk werkt aan een discussieboek over twee eeuwen ’Vrijheid en gerechtigheid voor allen’”.
Veel verschil zullen deze beperkende bepalingen van de zijde van kerkelijke autoriteiten echter niet meer maken, aldus deze priester. Immers, „de priesters zullen de heilige communie blijven geven aan leden van NOW, Hans Küngs boek blijft bovenaan de Duitse best-sellerslijst staan, en maar weinig katholieke schrijvers zullen de nieuwe censuurbepalingen serieus nemen”.
Dus ondanks hun oproepen tot „verzoening” en „vernieuwing” kondigden de kerkelijke leiders ook veroordelingen, excommunicaties en censuurmaatregelen af, die op hun beurt weer hevig werden bestreden of genegeerd door anderen binnen de Kerk. Hoe duidelijk blijkt uit dit alles dat het Heilig Jaar geen „verzoening” of „vernieuwing” van enige betekenis heeft gebracht, noch onder geestelijken noch onder leken.
Het bracht Greeley tot de uitspraak: „Het is de laatste staartzwaai van een stervend dier. De stuiptrekkingen van een oude kerkelijke bureaucratie.”
Blijvende achteruitgang
Het Heilig Jaar had ook geen effect op de „doornenkroon” van de paus, dat wil zeggen, op het verlies van priesters en nonnen. Evenmin keerde zich het getij van de afval onder leken.
De bisschop van Providence, van de Amerikaanse staat Rhode Island, Louis Gelineau, verklaarde tijdens het Heilig Jaar dat de katholieke Kerk „een soort van organisatorisch ’verval’ doormaakte”. Hij bemerkte een ernstige achteruitgang in het aantal personen dat het priesterschap op zich nam en ook een ernstige achteruitgang in het bezoek van katholieke diensten. „Veel katholieken”, zo voegde hij hieraan toe, zijn meer gevormd geraakt door de wereld en haar opinies dan door de geest van Christus en de Kerk.”
Bij het begin van het Heilig Jaar sprak de Toronto Globe and Mail over het „wanhopige tekort aan nonnen en priesters”. Dat tekort duurt voort en heeft zich verergerd. Steeds minder en minder personen nemen een religieus leven op zich. Volgens officiële kerkelijke rapporten in Amerika, „is het aantal seminaristen afgenomen met 55,5 percent, terwijl het totale aantal vrouwen die zich als novice aanmelden met 81,2 percent is gedaald”.
Er zijn dus steeds minder vervangers voor de priesters en nonnen die de Kerk verlaten of sterven. De Detroit Free Press verklaarde eind 1975 over een van de tekenen van deze tendens: „Het aantal rooms-katholieke nonnen in de wereld is de afgelopen vier jaar met 24,6 percent gedaald.”
In verband met de leken berichtte het tijdschrift Time dat in de Verenigde Staten slechts 50 percent van de katholieken wekelijks de mis bezoekt, vergeleken met 71 percent in 1963. Hoezeer bovendien het denken van veel katholieken thans verschilt van de officiële kerkleer, bleek wel uit het bericht dat na tientallen jaren anti-abortusleer van de Kerk, 70 percent van de katholieken thans vindt dat voor gehuwde vrouwen die dit wensen, er een mogelijkheid moet zijn voor het verkrijgen van een wettelijke abortus. Maar weinigen waren het voordien met een dergelijke regeling eens.
Bovendien hecht 83 percent van de katholieken thans zijn goedkeuring aan kunstmatige geboortenregeling, vergeleken met ongeveer de helft van dat aantal tien jaar geleden. Slechts 32 percent van de huidige katholieken aanvaardt het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid. En slechts 42 percent accepteert thans de leer dat Jezus het leiderschap over zijn kerk aan Petrus overdroeg.
En in land na land is de situatie hetzelfde. De Belgische Dienst voor Godsdienststatistiek berichtte (volgens het W.P.-Jaarboek 1975) dat in 1972 nog maar 34,2 percent van de vrijwel geheel katholieke bevolking in de leeftijdsgroep van 5 tot 69 jaar de zondagsmis bezocht, tegen 44,7 percent in 1964. In Italië erkennen kerkautoriteiten dat nog minder dan één op de drie Italianen thans geregeld naar de kerk gaat. In Hongarije wordt nog slechts een kwart van de zes miljoen ingeschreven katholieken als actieve kerkgangers beschouwd. En vanuit Londen meldde een rapport tijdens het Heilig Jaar: „De Rooms-Katholieke Kerk in Engeland en Wales verliest per jaar 250.000 lidmaten. Het aantal bekeerlingen dat wordt gewonnen, is gedaald tot het laagste cijfer van de eeuw.” Er werd in gesproken van een „verlies van geloof op grote schaal onder katholieken in zowel Engeland als Wales”.
Nee, het Heilig Jaar 1975 heeft geen wezenlijk effect gehad op het gebied van „verzoening” en „vernieuwing”, noch onder geestelijken noch onder leken. De onkerkelijkheid schrijdt voort.
Een onheilspellende tendens voor de Kerk in Italië
Een dreigende verandering heeft zich bovendien in het hart van de katholieke Kerk — in Italië — voltrokken. Niet alleen is het kerkbezoek daar gedaald, terwijl er ook een toenemend tekort is aan priesters en nonnen. Thans doemt er voor de Kerk nog een onheilspellende dreiging op.
Waaruit bestaat deze dreiging? Uit de toenemende invloed die een aartsvijand van de Kerk onder de Italiaanse bevolking wint, en dan vooral onder jonge mensen. Die vijand van religie is het communisme. De communistische leer mag zich dan van tijd tot tijd aan religieuze en andere politieke ideologieën weten aan te passen, het doel der communisten op lange termijn is niet gewijzigd. Dat doel is de eliminering van alle religieuze invloed en macht overal waar het communisme het voor het zeggen heeft.
En in Italië heeft het communisme het tot op de hoogste regeringsniveaus al bijna geheel of gedeeltelijk voor het zeggen. „De communistische macht of deelname aan het plaatselijk bestuur strekt zich al uit tot vijf van Italië’s twintig regioni, tot een derde van zijn 94 provincies en, met uitzondering van Rome, tot elke belangrijke stad vanaf Napels in het noorden”, aldus de New York Times van 2 december 1975.
Deze infiltratie van de politieke alleenheerschappij die eens door de Kerk of de partijen die zij gunstig gezind was, werd uitgeoefend, trad duidelijk aan het licht tijdens de laatste verkiezingen, gehouden in juni van het Heilig Jaar. Ondanks steun van het Vaticaan aan de politieke partij die het voorstaat, boekten de communisten bijna overal de grootste winsten. In elke belangrijk stad in het noorden verwierven zij de grootste politieke invloed. Ook het zuiden drongen zij binnen. In Napels installeerden zij zelfs een communistische burgemeester.
Thans liggen de communisten over het gehele land slechts 2 percent in stemmen achter bij de partij die aan de macht is, terwijl de grootste dreiging voor de toekomst misschien nog wel is gelegen in het feit dat de meeste jonge stemmers hun keuze op de communisten lieten vallen.
De afgelopen dertig jaar heeft de officiële katholieke leer in Italië afwijzend gestaan tegenover communistische kandidaten voor een openbaar ambt. Katholieken werden, onder dreiging van excommunicatie, gewaarschuwd niet op communisten te stemmen. In juli van het Heilig Jaar verklaarden de rooms-katholieke bisschoppen van Lombardije dat de priesters die Italianen aanmoedigden op communisten te stemmen, dit moesten herroepen of anders gevaar van excommunicatie liepen.
De noordelijke Italiaanse bisschoppen spraken in de Vaticaanse krant l’Osservatore Romano hun „pijnlijke afkeuring” uit over het resultaat van de juni-verkiezingen waarbij de communisten 2,5 miljoen stemmen wonnen en daarmee bijna de aan de macht zijnde partij, die door het Vaticaan wordt ondersteund, overtroefden. En later in het Heilig Jaar, in november, vaardigde paus Paulus nieuwe waarschuwingen uit, gericht tegen katholieken die de Communistische Partij ondersteunden. Al enige tijd is het echter duidelijk dat zulke waarschuwingen op steeds meer dovemansoren stuiten.
Beschouwt men dus alle feiten, dan moet men concluderen dat 1975 voor de katholieke Kerk allesbehalve een „Heilig Jaar” is geweest. Er is geen „verzoening” geweest, geen „vernieuwing”. Integendeel, de moeilijkheden zijn overal toegenomen, zelfs in Italië, het centrum van katholieke macht.
Nee, 1975 was in geen enkele ware zin van het woord een „Heilig Jaar”. En hoe kon het ook, zonder steun van God. Het is zoals Psalm 127:1 verklaart: „Als Jehovah zelf het huis niet bouwt, is het tevergeefs dat de bouwers ervan er hard aan hebben gewerkt.”