Leven — geen ’chemisch toeval’
● In een brief van een Canadese lezer, die in de oktober-uitgave (1974) van „Science Digest” gepubliceerd stond, werd de zogenaamde „evolutie van het leven” besproken. In het licht van nieuwe ontdekkingen op het gebied van de moleculaire biologie, merkte de schrijver op dat de „waarschijnlijkheid dat het leven bij toeval is ontstaan, steeds ondenkbaarder, zo niet onmogelijk wordt”.
Om dit te illustreren legt hij uit dat — zelfs als men van de veronderstelling uitgaat dat de „oer”-aarde een ideaal begin heeft gehad, met een overvloed aan voor leven noodzakelijke aminozuren, en dat ieder koolstof- en stikstofatoom op aarde deel uitmaakte van een ingewikkelder molecuul, en zelfs wanneer deze moleculen met de hoogste, aan de scheikunde bekende snelheid nieuwe verbindingen zouden vormen — ja, dat zelfs als dit allemaal het geval zou zijn, de wetenschappelijke kansberekening aantoont dat „zelfs over een tijdsperiode van miljarden jaren, die men gewoonlijk voor een dergelijke verrichting rekent, niet één erkend desoxyribonucleïnezuur-molecuul (DNA [de bouwsteen van levende schepselen]) bij toeval gevormd zou kunnen worden. Zelfs gas- of stofwolken in het heelal met 20 maal de massa van de zon, zouden niet voldoende zijn. Bedenk ook dat voor een levend organisme niet één maar duizenden biljoenen moleculen van één type DNA nodig zijn. Deze moleculen moeten zich klaarblijkelijk terzelfder tijd op dezelfde plaats bevinden”. Zijn conclusie? „Chemische evolutie van het leven en buitenaards leven berusten niet op ware wetenschap.”