Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g76 22/4 blz. 21-24
  • Jehovah’s getuigen — opnieuw „erkend” in Griekenland

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Jehovah’s getuigen — opnieuw „erkend” in Griekenland
  • Ontwaakt! 1976
  • Onderkopjes
  • Aanhoudende pressietactiek
  • Van „erkend” naar „niet-erkend”
  • Schrikbarende consequenties
  • Een onverwachte verandering
  • Opnieuw wettig „erkend”
Ontwaakt! 1976
g76 22/4 blz. 21-24

Jehovah’s getuigen — opnieuw „erkend” in Griekenland

Door Ontwaakt!-correspondent in Griekenland

DE MAAND juli 1975 zal nog lang in de herinnering van Jehovah’s getuigen in Griekenland blijven leven. Op de achtste dag van die maand stond namelijk in belangrijke Atheense kranten de volgende aankondiging: „HUWELIJKEN TUSSEN JEHOVAH’S GETUIGEN WETTIG VERKLAARD.” Duizenden Griekse gezinnen waren opgewonden over deze keer in hun lot.

Het bericht volgde op een uitspraak van het Griekse Hooggerechtshof, gedaan op 3 juli, welke luidde:

„De religieuze leer van Jehovah’s getuigen of Millenaristen voldoet aan de vereisten die in de Grondwet zijn gesteld voor een ’erkende religie’, zodat ze geldt als een ’goedgekeurde’ leer . . . Dienovereenkomstig wordt elk huwelijk — gesloten tussen de aanhangers van bovengenoemde leer, in overeenstemming met het daarbij behorende ritueel — niet beschouwd als een niet-bestaand huwelijk, terwijl elk kind dat uit een dergelijke vereniging wordt geboren, wettig wordt geacht.”

Maar waardoor was zo’n uitspraak van het Hooggerechtshof nodig geworden?

Wel, meer dan vier jaar daarvoor was de Griekse regering huwelijken van Jehovah’s getuigen als „niet-bestaand” en hun kinderen als „onwettig” gaan bezien. Waarom? Wegens een rondschrijven van 13 november 1970, afkomstig van de toenmalige vice-president en minister van binnenlandse zaken, Stylianos Pattacos, die de religie van Jehovah’s getuigen tot een „niet erkende” godsdienst verklaarde.

Klinkt u dat vreemd in de oren? Misschien weet u dat Jehovah’s getuigen in tal van landen en op ontelbare eilanden met volledige wettelijke erkenning werkzaam zijn. En in Griekenland hebben zij zich al vanaf het begin van de twintigste eeuw met bijbels onderricht beziggehouden. Waarom verklaarde de Griekse regering dan na zeventig jaar dat Jehovah’s getuigen een „niet-erkende” religie waren?

Aanhoudende pressietactiek

Dat was het gevolg van een aanhoudende druk, uitgeoefend op de regering door een invloedrijke groep met een onblusbare haat tegen de bijbelse boodschap van Jehovah’s getuigen. Een specifieke uiting van die haat vormde in 1927 de kritische vraag van Grieks-orthodoxe geestelijken aan de toenmalige procureur-generaal van het Griekse Hooggerechtshof, of huwelijken tussen „Bijbelonderzoekers” (zoals Jehovah’s getuigen toen werden genoemd) wettig waren en in de officiële registers van de burgerlijke stand opgenomen behoorden te worden. De procureur gaf daarop als antwoord:

„Een van de meest fundamentele beginselen van het moderne burgerlijke recht met betrekking tot religieuze verdraagzaamheid — voortspruitend uit onze traditionele Griekse deugd — is ongetwijfeld de mogelijkheid tot het verrichten van . . . elke religieuze dienst. Derhalve wordt een huwelijk dat overeenkomstig de regels van welke religieuze sekte maar ook en tussen personen van hetzelfde religieuze geloof is gesloten, in beginsel zonder voorbehoud gerespecteerd en derhalve geschikt geacht voor registratie in de officiële boeken van de burgerlijke stand.”

Twintig jaar later, in 1947, trachtten Griekse religieuze leiders opnieuw de regering ertoe te pressen haar wettige erkenning van Jehovah’s getuigen in te trekken. Voor de tweede maal werd de geldigheid van Getuigen-huwelijken door leden van de geestelijkheid aan de orde gesteld. Maar opnieuw wachtte hun een teleurstelling, want de procureur van het Hooggerechtshof verklaarde:

„Aangezien hun sekte in Griekenland ’erkenning’ geniet, namelijk open is, geen geheime leerregels en riten kent en niet in strijd is met de algemene moraal en openbare orde . . . hebben zij aanspraak op religieuze verdraagzaamheid zoals gegarandeerd door de Grondwet . . . Dientengevolge wordt een huwelijk tussen Millenaristen [Jehovah’s getuigen] dat is gesloten in overeenstemming met hun geloofsovertuiging, met wettelijke geldigheid bekrachtigd . . . en kan het geregistreerd worden in de boeken van de Burgerlijke Stand.”

Maar de Griekse geestelijken weigerden hun nederlaag te accepteren. Onvermoeid bleven zij uitzien naar een nieuwe gelegenheid om de kwestie opnieuw aan de orde te brengen. En die gelegenheid deed zich inderdaad voor, in 1959. Maar wederom weigerde een eerlijke jurist zijn hoofd voor een dergelijke pressietactiek te buigen. De heer A. Tussis, assistent-procureur van het Hooggerechtshof, schreef een goed gedocumenteerde opinie, waarin hij de verzekering gaf dat Jehovah’s getuigen een „erkende” religie vormden en dat hun huwelijken als wettig werden beschouwd.

Van „erkend” naar „niet-erkend”

Na verloop van tijd kwam er echter een verslechtering in de politieke situatie in Griekenland. Plotseling nam in de nacht van 21 april 1967 een militaire groep de macht in het land over, waarna ze een favoriete geestelijke, Hiëronymus genaamd, tot aartsbisschop aanstelde.

Het leek de geestelijkheid een volmaakt moment toe opnieuw iets tegen Jehovah’s getuigen te ondernemen. Maar in plaats van de procureur van het Hooggerechtshof te benaderen, wendde het Atheense aartsbisdom zich tot een zekere heer C. Muratidis, hoogleraar in het kerkelijk recht aan de Universiteit van Athene, met het verzoek een uitspraak op te stellen omtrent de vraag of Jehovah’s getuigen een „erkende” religie vormden.

Professor Muratidis kwam op 5 september 1967 met een schriftelijke verklaring voor de dag, waarin hij, met negering van alle voorgaande beslissingen door de procureurs van het Hooggerechtshof, tot de conclusie kwam dat Jehovah’s getuigen geen „erkende” religie beleden en dat hun huwelijken als niet-bestaand moesten worden beschouwd.

Aartsbisschop Hiëronymus bracht de kwestie onder de aandacht van de vice-president Pattacos. Vandaar ging de zaak, niet naar het Hooggerechtshof, maar naar de Raad van State, bestaande uit rechters die zich volkomen dienstig hadden verklaard aan de regerende ministers. Wat was de uitkomst?

Gesterkt door de opinie van professor Muratidis verklaarde dit lichaam op 13 november 1970 dat Jehovah’s getuigen geen „erkende” religie beleden, waarna de minister van binnenlandse zaken een rondschrijven verstuurde aan alle bureaus van de burgerlijke stand met het bevel geen enkel huwelijk van Jehovah’s getuigen meer te registreren, aangezien „zulke huwelijken gelden als niet-bestaand”. Verder verklaarde het rondschrijven dat kinderen van Getuigen onder de familienaam van hun moeder dienden te worden ingeschreven (wat op hetzelfde neerkwam als hen onwettig verklaren).

Schrikbarende consequenties

Kunt u zich voorstellen wat de tragische consequenties van een dergelijke wetgeving waren? Van de ene op de andere dag werden nu duizenden gehuwde Grieken beschouwd als mensen die in onoorbare gemeenschap met elkaar samenleefden. Weduwen van Jehovah’s getuigen konden niet langer het pensioen van hun man innen, omdat ze nu volgens de wet nooit werkelijk getrouwd waren geweest. Het Instituut voor Sociale Voorzieningen trok haar uitbetaling bij geboorte of sterfgevallen in.

Regeringsagenten begonnen Getuigen-gezinnen uit de registers van de burgerlijke stand te schrappen. De gegevens van de vrouw werden bij de naam van haar man weggehaald en weer onder die van haar vader ondergebracht. De kinderen van deze vrouwen kwamen als buitenechtelijk te boek te staan. Sommige functionarissen gingen zelfs zover dat zij echtparen elk stukje grond ontnamen dat aan hen toebehoorde, omdat zij hen toch niet langer als gehuwd beschouwden en dus ook niet meer als wettige bezitters van hun grond.

Natuurlijk waren niet alle functionarissen zo hardvochtig. Sommigen erkenden zelfs dat het rondschrijven van Pattacos „belachelijk” en „ongerijmd” was, maar toch konden ook zij het „helaas niet negeren”, zoals zij klaagden. Sympathiserende ambtenaren raadden de Getuigen aan hun zaak aanhangig te maken bij het gerecht.

Vele Getuigen deden dit ook — vaak zelfs met een gunstige uitspraak van lagere rechtbanken als resultaat. Maar wanneer zij dan met deze uitspraak bij de ambtenaren van de burgerlijke stand aankwamen, weigerden deze laatsten zich hiernaar te schikken. Kennelijk waren zij bang voor de consequenties van ongehoorzaamheid aan het bevel van vice-president Pattacos. De vice-president was ondertussen onvermurwbaar in zijn tegenstand tegen Jehovah’s getuigen. Als reactie op één protest naar aanleiding van de betreurenswaardige situatie die zijn rondschrijven had geschapen, uitte hij de woorden:

„(a) Millenarisme is in de zin van de Grondwet geen ’erkende’ religie.

(b) Huwelijken die overeenkomstig deze leer zijn gesloten, zijn niet-bestaand en dienen niet in de registers van de burgerlijke stand te worden opgenomen. Houd met het oog op de voorgaande feiten alstublieft op met het aanvoeren van emotionele of menslievende argumenten bij zaken die door de Wet en de Logica worden bestuurd.”

De droeve consequenties van een dergelijke ’Wet en Logica’ traden duidelijk aan het licht bij de dood van een baby. Toen de vader, Demetrius Kazanis, om toestemming voor de begrafenis verzocht, weigerde de ambtenaar van de burgerlijke stand die te verlenen, omdat hij zich niet bij machte verklaarde een „sterfte” te registreren, wanneer er geen overeenkomstige „geboorte” in zijn boeken vermeld stond. Voor zover het de functionaris betrof, was het kind nooit geboren.

Het schandelijke gevolg van deze situatie was dat terwijl de vader koortsachtig een weg zocht om de situatie recht te trekken, het noodzakelijk was de dode baby zolang in een koelcel te bewaren. Dit nieuws kwam al heel snel journalisten ter ore. „IN NAAM VAN FANATISME LICHAAM VAN BABY IN VRIEZER!” zo luidde de kop van een tijdschrift. — Epikaira, 26 januari 1973, blz. 20.

Ten slotte kwam er een officier van justitie tussenbeide met het bevel dat het kind onder de naam van de vader ingeschreven en dan begraven moest worden. Maar hoe aangenaam deze tussenkomst ook was, voor de meeste andere getuigen van Jehovah bracht dit geen wijziging in hun kromme situatie. Noch de uitspraken van lagere rechtbanken (die aan de laars werden gelapt) noch hulp van een deel van de pers kon het rondschrijven van de minister ongedaan maken. Wat te doen?

Een onverwachte verandering

Na lange discussies met rechtskundige adviseurs, werd besloten twee zaken voor de Raad van State te brengen, namelijk de zaak Prokopius A. Delis, wiens huwelijk in 1957 wettig was geregistreerd, maar die desondanks bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van Vuniatades, op het eiland Korfoe, niet gedaan had kunnen krijgen dat zijn vrouw en kind met hem in de registers van de burgerlijke stand werden opgenomen.

Het tweede proces zou de zaak van Stamatius Kallinderis betreffen, een deurwaarder van het stadsdeel Peristeri in Athene. Regeringsambtenaren hadden de maandelijkse toelage voor zijn gezin ingetrokken omdat, zoals de bepaling luidde, „Het huwelijk tussen hem en Maria Hormova, beiden behorend tot de niet ’erkende’ of ’goedgekeurde’ religie van Jehovah’s getuigen, en in het huwelijk getreden overeenkomstig het ritueel van bovengenoemde religie, geldt als niet-bestaand.”

Met het oog op het belang van deze zaken besloot het Hooggerechtshof beide op één dag, 22 april 1975, te horen. In afwachting van het verhoor spookten er door het hoofd van de Griekse Getuigen heel wat vragen rond. Zou het Hooggerechtshof zonder religieus vooroordeel beslissen? Hoe zou de geestelijkheid reageren? Zou aartsbisschop Hiëronymus tussenbeide komen?

Maar enige maanden vóór april gebeurde er iets onverwachts. Het leger stuurde de bestaande regering naar huis en stelde een nieuwe aan, die weliswaar nog onderdrukkender handelde dan het eerste regime, maar slechts bij machte bleek een paar weken te regeren en toen roemloos ineenstortte. Daarna vroegen de militairen aan de politici of zij de macht wilden overnemen. Het presidentschap verleenden zij aan de voormalige Griekse premier Karamanlis, die tien jaar lang in vrijwillige ballingschap in Parijs had vertoefd. Zou de situatie voor Jehovah’s getuigen nu verbeteren?

De regering van Karamanlis schreef verkiezingen uit en liet een referendum (volksstemming) houden waarbij een democratisch bestuur uit de bus kwam. Het nieuwe Griekse parlement stemde voor een liberale Grondwet, dat het Griekse volk persoonlijke vrijheid en gelijke rechten voor alle burgers, ongeacht geloofsovertuiging, garandeerde. Interessant was dat deze ontwikkelingen juist plaatsvonden vóór de datum die voor het verhoor van de twee zaken van Jehovah’s getuigen was vastgesteld.

Bij de nieuwe minister van binnenlandse zaken, de heer Stefanopulos, werd geïnformeerd of het niet mogelijk was een nieuw rondschrijven te versturen om het vorige van Pattacos ongedaan te maken. In zijn antwoord deed Stefanopulos echter de suggestie gewoon door te gaan met de twee zaken. Hij sprak als zijn verwachting uit dat de wet „een juiste oplossing zal geven”, waaraan hij nog toevoegde: „In het tegenovergestelde geval zullen we zien wat er gedaan kan worden. Zoals u begrijpt, gaat het niet alleen om de herroeping van een voorgaand rondschrijven, maar betreft het hier een wettelijke zaak die hangende is voor het Hooggerechtshof.”

Opnieuw wettig „erkend”

De verhoren verliepen zonder strubbelingen. De griffier, de heer M. S. Muzurakis, gaf een voortreffelijke samenvatting van de zaak aangaande Jehovah’s getuigen. Daarna suggereerde hij het voorgaande bevel van de regering nietig te verklaren. Paradoxaal genoeg stemde een van de regeringsadvocaten hiermee in, terwijl de ander nog een zwak pleidooi voor het voormalige regeringsstandpunt poogde te voeren. Wat was de uitslag?

Op 3 juli 1975 kondigde de president van het Hooggerechtshof een gunstig oordeel in beide zaken af. In overeenstemming hiermee zond de minister van binnenlandse zaken een nieuw rondschrijven naar alle districten en gemeenschappen van het land en naar de Griekse consulaten buiten de grenzen. Het gelastte de registratie van alle tussen Jehovah’s getuigen gesloten huwelijken en elk eventueel daaruit geboren kind.

Hoe aangenaam was dit voor Jehovah’s getuigen in Griekenland! Nu deze ernstige wettelijke obstakels uit de weg zijn geruimd, kunnen zij hun energie er weer volledig op concentreren hun naasten de allerbelangrijkste boodschap bekend te maken — het goede nieuws van Gods opgerichte koninkrijk. — Matth. 24:14.

[Illustratie op blz. 23]

Het oude koninklijke paleis waar het Griekse Hooggerechtshof op 3 juli 1975 een gewichtige beslissing nam

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen