Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g76 8/2 blz. 5-8
  • Wat wordt met de dood bedoeld?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Wat wordt met de dood bedoeld?
  • Ontwaakt! 1976
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Hoe staat het met de ziel?
  • Geen letterlijke pijniging
  • Hebt u zich dit ooit afgevraagd?
    Ontwaakt! 1994
  • De dood — geen onoverwinnelijke vijand
    De weg tot waar geluk
  • Wat is uw ziel?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1973
  • Hebt u een onsterfelijke ziel?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2007
Meer weergeven
Ontwaakt! 1976
g76 8/2 blz. 5-8

Wat wordt met de dood bedoeld?

VEEL mensen beschouwen de dood slechts als de poort naar een ander leven. Zij geloven dat de aard van iemands bestaan in zijn volgende leven, afhangt van de manier waarop hij nu zijn leven leidt. Aan de andere kant zijn er ook velen die geloven dat met de dood alle hoop op toekomstig leven verdwenen is.

En zo zijn er heel wat strijdige ideeën over de dood; kan men met enige zekerheid zeggen wat er gebeurt wanneer een persoon sterft? Als we hierover een openbaring van ’s mensen Maker zouden bezitten, zouden we het zeker weten. De bijbel maakt er aanspraak op zo’n openbaring te zijn. Wat er derhalve in staat over de dood, zou een eind moeten maken aan elke onzekerheid die er omtrent dit onderwerp bestaat.

Het eerste boek van de bijbel, Genesis, licht ons erover in dat de eerste mensen, Adam en Eva, het vooruitzicht op eindeloos leven hadden. De voortzetting van hun leven hing af van volmaakte gehoorzaamheid aan hun Maker, Jehovah God. Om hun gehoorzaamheid te beproeven, eiste Jehovah God dat zij zich ervan zouden onthouden van de boom der kennis van goed en kwaad te eten. Het was belangrijk dat Adam en Eva aldus beproefd werden. Slechts door zelf een juist respect te bezitten voor Gods recht om te bepalen wat goed en verkeerd is, konden zij hun nageslacht dit zelfde respect inprenten.

Het was in verband met het gebod om niet van de boom der kennis van goed en kwaad te eten, dat God tot Adam zei: „Op de dag dat gij daarvan eet, zult gij beslist sterven” (Gen. 2:17). En toen Adam daarna van de verboden vrucht at, werd over hem de doodstraf uitgesproken, met de volgende woorden: „In het zweet van uw aangezicht zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem terugkeert, want daaruit werdt gij genomen. Want stof zijt gij en tot stof zult gij terugkeren” (Gen. 3:19). Voor Adam betekende de dood dus dat hij zou ophouden te bestaan en ten slotte tot de elementen van het levenloze stof zou terugkeren, waaruit hij ook geschapen was.

Hoe staat het met de ziel?

Maar was er geen onzichtbaar deel van Adam — een ziel — die na zijn dood bleef voortbestaan? Als Adam een ziel had, zou men kunnen zeggen dat er een basis voor een „ja”-antwoord bestond. Maar bezat hij die? Schrijvend over de schepping van Adam, bericht de bijbel: „Jehovah God ging ertoe over de mens te vormen uit stof van de aardbodem en in zijn neusgaten de levensadem te blazen, en de mens werd een levende ziel.” — Gen. 2:7.

Merk op dat er niet over wordt gerept dat Adam een ziel zou hebben. In plaats daarvan „werd” hij „een levende ziel” toen zijn levenloze lichaam de „levensadem” kreeg ingeblazen. Adam was dus zelf een levende ziel en die ziel stierf. Ezechiël 18:4 bevestigt dit begrip, door over de ziel op te merken: „Alle zielen — mij [God] behoren ze toe. Zoals de ziel van de vader zo eveneens de ziel van de zoon — mij behoren ze toe. De ziel die zondigt, díe zal sterven.”

Na de geloofsleer dat de ziel een afgescheiden deel van de mens zou vormen en de dood van het lichaam zou overleven, aan een nauwkeurig onderzoek te hebben onderworpen, zijn reeds vele mensen tot de ontdekking gekomen dat dit geen bijbelse leerstelling is, doch in plaats daarvan een opvatting die haar oorsprong vindt in de Griekse filosofie.

In de Franse krant Le Monde van 8 november 1972 (blz. 13) stond een uitspraak van de Franse auteur en filosoof Roger Garaudy, die onder meer opmerkte dat de Griekse filosofie „het christendom eeuwenlang misleid heeft”. We lezen verder: „Het dualisme van ziel en lichaam en de daaruit voortspruitende mythe van de onsterfelijkheid van de ziel . . . zijn Platonische theorieën die niets met het christendom of de bijbel hebben uit te staan.”

Professor Claude Tresmontant maakt in zijn boek Le problème de l’âme, de volgende opmerking: „Het is absurd om net als de Platonische en Cartesiaanse traditie heeft gedaan, te zeggen dat de mens . . . is samengesteld uit een ziel en een lichaam. . . . Men mag feitelijk niet zeggen: ’Ik heb’ een ziel, omdat dit de bezitter anders zou maken dan de ziel die hij bezit. Men zou moeten zeggen: ’Ik ben een levende ziel.’” — Blz. 180, 181.

In een publikatie voor evangelisch onderricht erkent E. Busch: „De leer dat bij de dood lichaam en ziel gescheiden worden, vond vanuit de Griekse filosofie haar weg in de leer van de kerk. . . . De mens kan niet gescheiden worden in lichaam en ziel, als zou de dood alleen van invloed zijn op het lichaam, en niet op de ziel. De gehele mens is een zondaar, en de gehele mens, met lichaam en ziel, gaat volgens de leer van Paulus in 1 Kor. 15 de dood in.”

De manier waarop de bijbel de toestand van de doden beschrijft, verschaft daarnaast nog extra bewijzen dat de ziel niet de dood van het lichaam overleeft om haar bewuste bestaan elders voort te zetten. Klagend over zijn bedroevende lot, riep de getrouwe Job uit: „Waarom ben ik niet vanaf de moederschoot terstond gestorven? . . . ik zou nu neergelegen hebben om ongestoord te zijn; ik zou dan geslapen hebben; ik zou rust hebben” (Job 3:11, 13). In Prediker 9:5, 6 lezen wij: „De levenden zijn zich ervan bewust dat zij zullen sterven, maar wat de doden betreft, zij zijn zich van helemaal niets bewust . . . Ook hun liefde en hun haat en hun jaloezie zijn reeds vergaan.”

Merk op dat de Schrift de onbewuste toestand van de doden met een slaap vergelijkt. Net als iemand die een gezonde slaap geniet, zich onbewust is van wat er om hem heen gebeurt, zo zijn ook de doden zich van niets bewust. Dit wordt ondersteund door wat men heeft waargenomen bij personen die weer tot leven gebracht konden worden na wat een dodelijke hartaanval zou zijn geweest. Aan een dokter wie dit enkele jaren geleden in Cleveland overkwam, werd gevraagd hoe het was om dood te zijn. Hij antwoordde toen: „Je voelt niets. Er is geen gedachte, geen herinnering.”

Andere mensen van wie het hart ophield met kloppen, beweren gelukzalige ervaringen te hebben beleefd. Over zulke personen concludeerde deze arts: „Ik ben er zeker van dat zij in de war zijn geweest. Waar zij over praten, is hetgeen zij beleefden in de periode tussen bewustzijn en niet-bewustzijn, een periode van half-coma. Wanneer uw levensfuncties hun werking staken, voelt u eenvoudig niets meer.”

Geen letterlijke pijniging

Aangezien de doden zich van niets bewust zijn, is het ook onmogelijk dat zij enige lichamelijke kwelling ervaren. Na de dood van het lichaam is er niets bewusts dat blijft voortbestaan om letterlijke pijn te ervaren.

Adam werd bovendien niets over een plaats van pijniging gezegd. Zijn straf wegens ongehoorzaamheid zou geen pijniging, maar de dood zijn. Als eeuwige pijniging in een vurige hel zijn straf was geworden, zou het van Gods zijde dan niet onrechtvaardig zijn geweest deze eerste mens daar niets over te vertellen?

God kan wat dit betreft echter van geen enkele onrechtvaardigheid worden beschuldigd. De dood was de volledige straf op Adams overtreding, en deze straf gold ook voor zijn gehele nageslacht, dat met overgeërfde onvolmaaktheden en tot de dood leidende zwakheid wordt geboren. De bijbel zegt: „Het loon dat de zonde betaalt, is de dood”, niet pijniging (Rom. 6:23). Ook staat er: „Wie gestorven is, is van zijn zonde vrijgesproken” (Rom. 6:7). Als iemand na zijn dood echter gepijnigd zou blijven worden, kan men moeilijk zeggen dat hij ’van zijn zonde is vrijgesproken’. Hij zou dan nog steeds voor zijn overtredingen boeten.

Bovendien is de gedachte dat God de ziel van goddeloze personen eeuwig zou pijnigen, in strijd met het inwendige gevoel voor liefde en rechtvaardigheid dat de mens bezit. Als u bijvoorbeeld zou horen van een vader die zijn zoon heeft gepijnigd door kokend water over hem uit te gieten, zou dat volgens u dan een passende straf zijn geweest? Hoe slecht de zoon zich ook gedragen mag hebben, u zou nog moeilijk vriendelijke gevoelens jegens die vader kunnen koesteren. Ja, zou u niet walgen van hetgeen de vader heeft gedaan? Zijn het niet enkel duivelse personen die anderen graag gepijnigd zien worden?

Het feit dat de mens in het algemeen een afschuw heeft van het pijnigen van mensen en zelfs dieren, wat ze ook hebben misdaan, dient niet gebagatelliseerd te worden. Volgens de bijbel is de mens „naar Gods beeld” geschapen (Gen. 1:27). Dit betekent dat hij begiftigd werd met goddelijke eigenschappen. ’s Mensen afschuw van wrede kwellingen vindt derhalve zijn oorsprong in van God afkomstige eigenschappen die via de eerste mens Adam aan alle leden van de menselijke familie zijn doorgegeven. Hoe onbegrijpelijk zou het met het oog daarop zijn dat Degene die verantwoordelijk is voor onze algemene afkeer van pijniging, mensen tot in alle eeuwigheid aan de ergst denkbare martelingen zou onderwerpen!

De bijbel onthult dat God niet graag ziet dat zijn schepselen kwaad overkomt. Hij vindt geen behagen in de pijniging van iemand. Wij lezen: „Hij . . . wenst [niet] dat er iemand vernietigd wordt maar wenst dat allen tot berouw geraken” (2 Petr. 3:9). „’Ik schep helemaal geen behagen in de dood van wie sterven moet’, is de uitspraak van de Heer Jehovah. ’Bewerkstelligt dus een terugkeer en blijft leven’” (Ezech. 18:32). Als dit Gods gevoelens zijn ten aanzien van personen die wegens kwaaddoen straf verdienen, hoe zou Hij er dan terzelfder tijd goedkeurend op kunnen neerzien dat mensen voor eeuwig bij bewustzijn gepijnigd worden? Dit zou duidelijk nooit kunnen, want „God is liefde”. — 1 Joh. 4:8.

Maar als alle mensen sterven, hoe worden dan corrupte, gehate personen gestraft? De schrijver van het bijbelboek Hebreeën vergelijkt hun lot met dat van een onproduktief veld dat overgroeid is met doornen en distels: „Het loopt uit op verbranding” (Hebr. 6:8). Door verbranding komt er aan zo’n veld als onproduktief gebied, bedekt met doornen en distels, een eind. Zo zal ook de straf van degenen die willens en wetens tegen Gods wegen ingaan, bestaan in eeuwige vernietiging. Zij zullen voor altijd dood blijven.

Maar wat zal er gebeuren met degenen die trachten te doen wat juist is? De schrijver van de brief aan de Hebreeën vervolgt: ’In uw geval, geliefden, zijn wij overtuigd van betere dingen en dingen die met redding gepaard gaan. . . . God is niet onrechtvaardig, zodat hij uw werk en de liefde die gij voor zijn naam hebt getoond, zou vergeten.’ — Hebr. 6:9, 10.

Het is derhalve duidelijk dat er een hoop is weggelegd voor mensen die zich niet tot onverbeterlijke, verstokte kwaaddoeners hebben gemaakt. Hun dood kan eenvoudigweg niet het einde van alles zijn. Anders zou hun situatie in geen enkel opzicht verschillen van degenen die zonder medegevoel de rechten en het welzijn van hun medemensen met voeten zijn blijven treden. Dit doet derhalve de vraag rijzen welke hoop er voor de miljarden thans gestorvenen bestaat.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen