Aan de jeugd een waardevol doel in het leven verschaffen
„WIJ waarderen de uitnodiging om aan uw jeugdfonds bij te dragen”, sprak Fern tot de bezoekster die bij haar in Roswell (in de Amerikaanse staat Georgia) aan de deur was gekomen. „Maar wij hebben al ons geld reeds voor een eigen liefdadig doel bestemd, waartoe ook een opleidingsprogramma voor jongeren behoort.”
„Gefeliciteerd!” antwoordt haar vrouwelijke bezoekster. „Wat is uw organisatie?”
„Jehovah’s getuigen.”
„Oh . . .”, de collectante pauzeert een moment. „Ja, ik ken enkelen van uw mensen. Jullie schijnen jullie problemen heel goed zelf te kunnen oplossen. Hoe slagen jullie erin jonge mensen uit hun apathie te wekken?”
„Dat”, zo geeft Fern toe, „kan een hele opgaaf zijn. Het is soms moeilijk hen ervan te overtuigen dat er iets voortreffelijks en edels bestaat dat blijvend is en het waard is ervoor te leven.”
Haar bezoekster beaamt dit en merkt op: „Wanneer we maar eenmaal een jeugdcentrum hebben, hebben we tenminste een plaats waar we ze bij elkaar kunnen brengen en ontspanning kunnen bieden. Dat houdt hen van de straat en — hopen we — ook weg van drugparties.”
„Dat is geweldig”, complimenteert Fern. „Maar is het voldoende?”
„Natuurlijk niet. Jonge mensen hebben idealen nodig — iets waardevols en inspirerends om voor te leven. Dat is het knelpunt van het probleem.”
„Ik weet het”, is het begrijpende commentaar van Fern. „Maar wij hebben ontdekt dat de bijbel jong als oud de hoogste en edelste motieven verschaft. Neem bijvoorbeeld wat Jezus zei: ’Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen’ (Hand. 20:35). Dat is ook de reden waarom wij in ons programma jongeren aanmoedigen de hartverwarmende dingen die zij door onze studie over God en zijn voornemen leren, met anderen te delen.”
„Maar is dat van jongeren niet te veel gevraagd?”
„Nee”, ontkent Fern. „Wat onze jongeren nodig hebben, is een edele uitdaging. Vooral nadat zij geleerd hebben dat God nu spoedig degenen ’zal verderven die de aarde verderven’ en het rechtvaardige bestuur van zijn Koninkrijksregering zal invoeren.” — Openb. 11:18; 2 Petr. 3:13.
Haar bezoekster haalt de schouders op. „Tja, . . . iemand die daarvan overtuigd is, kan natuurlijk wel tot iets gebracht worden, denk ik.”
De noodzaak van een persoonlijk doel
Na het vertrek van haar bezoekster overdenkt Fern hoe belangrijk het is kennis van Gods voornemen te bezitten en werkelijk te geloven dat hij dat voornemen ook ten uitvoer zal brengen. Zij dacht aan de inspanningen die haar man zich getroostte om tieners te helpen — jongens zoals Jimmy. Hij was achttien jaar en had net zijn diploma van de middelbare school gehaald. Zij was er bij toen haar man, Marley, op een zomeravond in 1973 aan Jimmy vroeg:
„Heb jij iets dat je volledig in beslag neemt, Jimmy?”
„Nee, eigenlijk niet. Ik geloof wel dat ik van kamperen houd, van zeilen ook wel, en van zwemmen.”
Marley probeerde het nog eens: „Heb je een bepaalde ambitie? Laten we zeggen, iets dat je graag in de wereld wilt bereiken, in de zakenwereld of in een beroep?
„Nee.”
„Dus als ik het goed begrijp, zit hier een afgestudeerde middelbare scholier, zonder enige carrière in gedachten, waarschijnlijk nog geen meisje, opgevoed in een christelijk gezin. Vertel me eens, Jimmy, heb jij in je leven ooit wel eens zo’n groot probleem gehad dat je er lang in gebed over hebt gesproken?”
„Nee.”
„Tussen twee haakjes, bid je eigenlijk wel?”
„Soms.”
„Heb je het gevoel dat wanneer je bidt, het een persoonlijk van-hart-tot-hart-gesprek is met je hemelse Vader?”
„Ik geloof van wel.”
„Jim, ik moet jou iets opbiechten. Personen als jij, vormen de grootste uitdaging in mijn leven.”
„Wat bedoelt u daarmee.”
„Wat ik bedoel, is de uitdaging jou wakker te maken voor het feit dat je je een persoonlijk doel in het leven moet stellen. Om maar iets te noemen, wil je succes hebben?”
„Ik geloof van wel.”
„Als je vannacht zou sterven, zou Jehovah God je dan gedenken en opwekken?”
„Ik hoop het.”
„Maar waarom zou hij?”
Waardeer je bijbelkennis
Het was een harde vraag. Marley probeerde Jimmy te doordringen van de ernst in een goede verhouding tot God te staan. Hij herinnerde hem aan zijn christelijke opvoeding, gebaseerd op de duidelijke bijbelse boodschap dat het einde van dit samenstel binnen het huidige geslacht zal komen (Matth. 24:1-34; 2 Petr. 3:5-12; Openb. 21:1-4). Hij verzekerde hem: „Jouw waardering voor Gods Woord gaat dieper dan je beseft. Lees bijvoorbeeld maar eens dit bijbelgedeelte, in Efeziërs, hoofdstuk 4, de verzen 17 tot en met 19.”
Jimmy nam de bijbel en las: „Dit zeg ik daarom en betuig ik in de Heer, dat gij niet langer moet blijven wandelen zoals ook de natiën wandelen in de vruchteloosheid van hun denken, verduisterd als zij zijn in hun verstand en vervreemd van het leven dat God toebehoort, wegens de onwetendheid die in hen is, wegens de ongevoeligheid van hun hart. Elk zedelijkheidsbegrip verloren hebbend, hebben zij zich overgegeven aan een losbandig gedrag om hebzuchtig allerlei onreinheid te bedrijven.”
„Denk over bepaalde aspecten hiervan eens na, Jimmy. Wat wil het zeggen dat mensen van de wereld verduisterd zijn in hun verstand?”
„Dat zij Gods wetten niet kennen.”
„En waarom zijn zij vervreemd van het leven dat God toebehoort?”
„Zij handelen niet in overeenstemming met Gods wegen en voornemen. Zij zijn immoreel; zij maken in de bijbelse zin geen onderscheid tussen goed en kwaad.”
„Maar jij wel?”
„Tot op zekere hoogte, ja.”
„Natuurlijk, jij wel. Maar besef je dan niet dat je een grootse en kostbare voorraad geestelijke kennis bezit? In geestelijk opzicht ben je een rijke jongeman. Als duizend mensen in ons gebied jouw kennis van de bijbel bezaten, hoevelen van hen zouden dan het einde van dit samenstel, waar de bijbel voor waarschuwt, kunnen overleven?”
„Allemaal”, was Jimmy’s antwoord. „Als ze maar overeenkomstig die kennis zouden handelen.”
„Begrijp je nu waar het om gaat? Jij hebt de gelegenheid ontelbare mensen te helpen leven te verkrijgen door jouw kennis met hen te delen. Maar je bent gewoon niet vurig genoeg om dat te beseffen.”
Onverschilligheid doet er wel degelijk toe
Jimmy haalde eens diep adem. „Ik weet het. Dat is mijn probleem.”
„Hoe kunnen we jou aanporren tot het verlangen een succes van je leven te maken?”
„Ik weet het niet.”
Marley sloot zijn ogen en boog zijn hoofd naar de grond. „Dat intrigeert mij ook. Je hebt je christelijke opleiding als iets vanzelfsprekends geaccepteerd, omdat het het enige is waarmee je thuis in aanraking bent gekomen. Je neemt deel aan de omgang en de activiteiten van Jehovah’s getuigen omdat je familieleden en vrienden je meenemen. Maar als wij je nu allemaal eens lieten schieten, wat zou er dan met jou gebeuren?”
„Dan zou ik misschien binnen de kortste tijd verdwenen zijn.”
„Heb je je ooit afgevraagd wat Jehovah en zijn Zoon van jou vinden?”
„Niet veel bijzonders, denk ik.”
„Zij zeggen hoe zij over jou denken. Lees Openbaring 3, vers 16, maar.”
Jimmy slaat gehoorzaam de tekst op en leest: „Omdat gij lauw zijt en noch heet noch koud, daarom ga ik u uitbraken uit mijn mond.”
„Waarmee vergelijkt Gods Zoon jou daar?”
Voor de eerste maal was Jimmy geschokt. „Met een mondvol van iets dat waard is om uitgespuwd te worden.”
„Dat is niet complimenteus. Je moet goed beseffen dat Jehovah God niet van plan is eeuwig leven te schenken aan iemand die onverschillig is, iemand die geen werkelijke waardering heeft voor de voorzieningen die Jehovah voor ons heeft getroffen.” — Hebr. 10:28-31.
Nerveus plukte Jim aan een onwillige lok haar. „Ik heb nooit gedacht dat het zo ernstig was. Ik wil in de ogen van Jehovah en Jezus niet walgelijk zijn.”
„Wel”, ging Marley verder, „je kunt hun hart blij maken.”
„Hoe?”
„Door Jehovah te bidden of hij jou wil helpen je onverschilligheid te overwinnen, en door in overeenstemming met je gebeden te handelen.”
Hoe werkelijk succesvol te zijn
Om te proberen zijn jonge vriend te helpen inzien waar het in het leven werkelijk om gaat, vroeg Marley: „Wat wil het volgens jou zeggen succesvol in het leven te zijn?”
Jimmy dacht na. „Wel, volgens deze wereld betekent succes geld verdienen, macht verwerven, roem oogsten. Iets groots doen.”
„In hoeveel van deze opzichten was volgens jou Jezus een succes?”
„In geen enkel opzicht”, antwoordde Jimmy. Maar terwijl hij hier verder over nadacht, begon het bij hem te dagen dat Jezus het grootste en belangrijkste werk had verricht dat ooit tot stand was gekomen. Hij hield onder de moeilijkste beproevingen zijn Vaders naam hoog en gaf zijn leven als een loskoopoffer om de gehele menselijke familie van het doodsoordeel te bevrijden (Rom. 3:24, 25; Joh. 3:16). En daarna zei Jezus zelf: „Alle autoriteit in hemel en op aarde is mij gegeven.” — Matth. 28:18.
„Jezus won dus alles”, beklemtoonde Marley. „Rijkdom. Roem. Macht. Hij verwierf dat allemaal, maar niet op de wereldse manier. Als jij en ik daarom succes willen hebben, naar wie moeten we dan opzien? Stel dat we beroemd willen worden. Wat moeten we dan doen?”
„Hetzelfde als Jezus Christus, in een gunstige hoedanigheid bij Jehovah bekend worden.”
„Ja, precies”; Marley straalde. „Net gaf je toe dat wanneer duizend mensen in ons gebied de bijbelkennis bezaten die jij bezit en ook dienovereenkomstig zouden handelen, zij het einde van de wereld zouden kunnen overleven. Wat voor grootser werk zou je dus kunnen doen dan zoveel mogelijk mensen bereiken om hen te helpen hun leven te redden?”
Jimmy gaf daarop toe: „Het is voor mij wel moeilijk te beseffen dat dat de manier is om in het leven succes te hebben.”
„Was het voor Jezus moeilijk dat feit te beseffen toen hij als mens op aarde leefde?”
„Nee”, gaf Jimmy toe. „Ook al verrichtte hij wonderen en krachtige werken, het voornaamste wat hij deed, was toch mensen omtrent God onderwijzen.”
Marley roffelde met zijn knokkels op de leuning van de stoel om extra nadruk te leggen. „En denk nu eens na. Wanneer jij naar de huizen van de mensen gaat om hen te onderwijzen, wat voor belangrijke eigenschap van God breng jij dan in de praktijk?”
„Liefde. Liefde voor God en liefde voor de naaste.” — Matth. 22:37-40.
„Wanneer jij opstaat in Gods eigen persoonlijke naam en waarheid tegen dwaling verdedigt, waarom zou dat Jehovah’s hart verheugd maken?”
„Daardoor wordt bewezen dat we als Jezus zijn, personen die rechtvaardigheid liefhebben en wetteloosheid haten.” — Hebr. 1:9; Spr. 27:11.
„Zie je, dat en nog veel meer is erbij betrokken wanneer je jouw bijbelkennis met anderen deelt.”
Doen wat God goedkeurt
Marley had doordringende vragen gesteld en de jonge man had gezonde antwoorden gegeven. Beiden waren het erover eens dat er wel een groei in geestelijke kennis was geweest, maar dat de jonge man die kennis ongebruikt in zijn geest had opgeslagen en niet aan het werk had gezet. „Maar heeft deze bespreking, behalve dat ze je denken heeft gestimuleerd, ook je hart geraakt?” vroeg Marley.
„Toen we spraken over het walgelijk zijn in de ogen van Jehovah en Jezus”, was Jimmy’s onmiddellijke antwoord. „Dat zit me dwars. Daar ga ik iets aan doen.”
„Wat bijvoorbeeld?”
„Ik wil mijn leven aan Jehovah opdragen.”
„Door zijn waterdoop symboliseerde Jezus dat hij zichzelf aanbood om Jehovah’s wil te doen”, herinnerde Marley hem. „Zijn voorbeeld volgen, betekent voor een christen eveneens gedoopt te worden. Maar bij de opdracht van jouw leven aan Jehovah God, Jimmy, is het belangrijk te weten wat zijn wil voor jou is. Daarom wordt aanbevolen vóór de doop een bespreking te hebben over de voornaamste bijbelse leerstellingen. — Matth. 3:13-17; 28:19, 20.
„Zou u die vragen met mij willen doornemen?”
„Heel graag!” antwoordde Marley.
Het was een opwindend moment, zo herinnerde Fern zich nog. Er werd een tijd afgesproken voor de bespreking.
Wat zij de collectante had gezegd, was waar; Jehovah’s getuigen geven hun tijd, hun middelen en energie aan een waardige zaak, waartoe ook zeker behoort jongen mensen te helpen zich een waardevol doel in het leven te stellen. — Ingezonden.