Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g75 8/12 blz. 27-29
  • Wat is de ziel?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Wat is de ziel?
  • Ontwaakt! 1975
  • Vergelijkbare artikelen
  • De ziel volgens de bijbel
    Wat gebeurt er met ons bij de dood?
  • Wat wordt met de „ziel” bedoeld?
    Is dit leven alles wat er is?
  • Wat is uw ziel?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1960
  • Hebt u een onsterfelijke ziel?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2007
Meer weergeven
Ontwaakt! 1975
g75 8/12 blz. 27-29

Wat is de zienswijze van de bijbel?

Wat is de ziel?

IN HET gewone dagelijkse leven hebt u ongetwijfeld wel eens de uitdrukking gehoord: ’Er was geen levende ziel te bekennen.’ Dan begrijpt u onmiddellijk dat de spreker bedoelt, geen mens gezien te hebben. Nooit denkt u dan aan onzichtbare, ontlichaamde geesten.

Zo ook in de bijbel, wanneer daarin het woord „ziel” wordt gebruikt, geschiedt dit altijd met verwijzing naar een persoon, of een dier, iets dat leeft, dat beweegt en een bepaalde mate van intelligentie bezit; Wanneer het woord met betrekking tot mensen wordt gebruikt, houdt het verband met de verlangens, gevoelens en ervaringen van de vleselijke mens. In de bijbel wordt bijvoorbeeld gesproken over ’wat een ziel nodig heeft om te eten’, over ’een ziel die zondigt’, ’een ziel die versmacht’ en ’naar adem snakt’ (Ex. 12:16; Lev. 4:2; 26:16; Jer. 15:9). „De ziel die zondigt, díe zal sterven”, vertelt ons Ezechiël 18:4, 20. De menselijke ziel is niet onsterfelijk. En dat geldt niet alleen met betrekking tot zondige zielen. Ook over Jezus Christus, die geen zonde had, wordt gezegd dat hij „zijn ziel heeft uitgestort in de dood” als een losprijs, opdat zondaars, en zelfs gestorven zondaars, weer tot leven gebracht zouden kunnen worden. — Jes. 53:12.

In het bijbelse woordgebruik heeft het woord „ziel”, als het op mensen van toepassing is, dan ook de betekenis van „leven als een mens”, of, wat specifieker: „de mens als intelligent schepsel”. De hele persoon is erbij betrokken, met inbegrip van het lichaam in al zijn delen, alsook zijn persoonlijkheid, met al haar trekken en neigingen. Klinkt u dit vreemd in de oren?

Merk dan op wat de New Catholic Encyclopedia (Deel 13) onder het kopje „Ziel (in de bijbel)” te zeggen heeft: „Nepes [of nèfesj, het Hebreeuwse woord voor ’ziel’] wordt gebruikt met betrekking tot zowel dieren als mensen. Als het leven menselijk is, staat nepes gelijk aan de persoon, de ’ik’. Na de dood gaat de nepes naar Sjeool.

De bovenstaande uiteenzetting duidt er al op dat in het OT [Oude Testament] geen dichotomie [deling in tweeën] van lichaam en geest bestaat. De Israëlieten zagen de dingen concreet, in hun totaliteit, en beschouwden in die opvatting mensen als personen en niet als samenstellingen. De term nepes, hoewel vertaald met ons woord ziel, betekent nooit ziel als onderscheiden van het lichaam van de individuele persoon.”

Daarna, onder het onderkopje: „In het Nieuwe Testament”, vervolgt ditzelfde werk zijn bespreking van de ziel met de woorden: „Het [het woord psuchè, het Griekse woord voor ziel] kan duiden op het levensbeginsel, op het leven zelf of op het levende wezen.” Daarna vervolgt dit naslagwerk met op te merken dat onder Griekse (en niet onder christelijke) invloed psuchè in tegenstelling tot het gelijkwaardige Hebreeuwse woord nèfesj, als iets afgescheidens van het lichaam en iets onsterfelijks beschouwd ging worden. De slotconclusie luidt: „Als duidend op een levend wezen, onderworpen aan diverse ervaringen, kan het [psyche] verwijzen naar dieren: ’En elk levende wezen [psyche] in de zee stierf’ (Openb. 16:3), of naar mensen: ’Vrees kwam op alle ziel [psyche]’ (Hand. 2:43, Rom. 2:9; 13:1). De psyche bezit dus gevoelens en verlangens en kan liefde tot uitdrukking brengen. In dit verband kan het ook de plaats van het persoonlijke of wederkerende voornaamwoord innemen, zoals in Joh. 10:24: ’Hoe lang houdt gij ons [onze psyche] nog in spanning?’” — blz. 449,450.

Dientengevolge kunnen wij het lichaam niet van de persoonlijkheid scheiden, alsof de persoonlijkheid iets geestelijks of onstoffelijks binnen de persoon zou zijn en apart van het lichaam zou kunnen blijven bestaan. Biologisch onderzoek heeft aangetoond dat een groot deel van onze persoonlijkheid berust op erfelijke factoren die wij van onze vader en moeder hebben meegekregen, en die wij, door bemiddeling van hen, van onze vroegere voorouders hebben overgeërfd. In elk exemplaar van de miljarden cellen die het lichaam van een mens telt, bevinden zich exact dezelfde chromosomen en genen, de erfelijkheidsdragers, die de mens maken tot wat hij is wanneer hij wordt geboren. Bij de geboorte bezit hij reeds bepaalde geneigdheden en uiterlijke kenmerken. Deze zullen zich ontwikkelen en zich bij zijn groei naar de volwassenheid duidelijk gaan manifesteren. Zelfs zijn lichaamsstructuur, zijn grote of kleine, zware of lichte bouw, enzovoort, is van invloed op zijn persoonlijkheid. Handicaps zijn van invloed op iemands karaktereigenschappen.

De ziel is derhalve inderdaad de persoon in zijn geheel, elke vezel inbegrepen, te zamen met zijn eigenschappen — zijn algehele persoonlijkheid. En het lichaam vormt zo’n onverbrekelijke eenheid dat we niet naar waarheid kunnen zeggen dat het ene orgaan kan worden beïnvloed zonder dat dit op andere organen van invloed is. De apostel Paulus gebruikte deze eenheid van het lichaam als illustratie. Hij schreef: „Het oog kan niet tot de hand zeggen: ’Ik heb u niet nodig’, en evenmin het hoofd tot de voeten: „Ik heb u niet nodig.’ Het is echter veeleer zo dat de leden van het lichaam die zwakker schijnen te zijn, noodzakelijk zijn, en de delen van het lichaam waarvan wij denken dat ze minder eervol zijn, omgeven wij met overvloediger eer. . . . God heeft niettemin het lichaam zo samengesteld dat hij overvloediger eer gaf aan het deel dat te kort kwam, zodat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden ervan dezelfde zorg voor elkaar zouden hebben.” — 1 Kor. 12:21-25.

In het licht van dit begrip omtrent de ziel kunnen wij ook begrijpen wat Jezus bedoelde toen hij zei: „Wordt niet bevreesd voor hen die het lichaam doden maar de ziel niet kunnen doden; doch vreest veeleer hem die én ziel én lichaam kan vernietigen in Gehenna” (Matth. 10:28). Mensen kunnen het lichaam doden en een persoon slechts een tijdlang zijn bestaan ontnemen. Zij kunnen echter niet zijn „recht op leven” als een persoon wegnemen. De getrouwe persoon wordt door God als levend beschouwd, en zal stellig op Gods bestemde tijd weer een levende ziel zijn. Bij zijn weerlegging van de Sadduceeën, die beweerden dat er geen opstanding van de doden was, zei Jezus: „Hij [Jehovah] is geen God van de doden, maar van de levenden, want voor hem leven zij allen.” — Luk. 20:38.

Wanneer een persoon uit de doden wordt opgewekt, is het daarom zijn gehele wezen (zijn gehele ziel) dat tot leven wordt teruggebracht. Dit betekent niet dat zijn lichaam met dezelfde atomen wordt teruggebracht als waaruit het bij zijn sterven bestond. De apostel Paulus verklaart: „God geeft er [aan dat wat is ’gezaaid’ in de dood] een lichaam aan zoals het hem heeft behaagd, en aan elk van de zaden zijn eigen lichaam. . . . Indien er een fysiek lichaam is, dan is er ook een geestelijk lichaam” (1 Kor. 15:38-44). Zij die tot hemels leven worden opgewekt, krijgen een hemels lichaam, en zij die tot leven op aarde teruggebracht worden, een fysiek lichaam. Wanneer een mens door God uit de dood tot leven op aarde wordt teruggebracht, is het voor God gemakkelijk met andere atomen lichaamscellen te vormen die dezelfde opbouw en dezelfde genetische structuur bezitten. Hij kan in dat lichaam zelfs de extra kenmerken prenten die die persoon gedurende zijn leven verworven heeft. Dit is voor God even simpel als het voor een mens is geluiden en beelden elektronisch op videotape vast te leggen en daarna te reproduceren.

Als God daarentegen de persoon in „Gehenna” vernietigt (het symbool van de eeuwige dood), houdt op dat moment de persoon niet alleen tijdelijk op te bestaan, maar is hij werkelijk voor altijd dood, omdat God zijn „ziel”, zijn „recht op leven”, heeft vernietigd. — Matth. 10:28.

Hoe passend is het derhalve dat iemand die wil leven, zijn eigen ziel, zijn gehele wezen en al zijn vermogens, inzet om God te dienen. Jezus zei hierover: „Hij die ten zeerste gesteld is op zijn ziel, vernietigt ze, maar hij die zijn ziel in deze wereld haat, zal ze bewaren voor het eeuwige leven” (Joh. 12:25). Onze bekommernis dient derhalve niet alleen uit te gaan naar tijdelijke materiële zaken; wij dienen ons moeite te geven gehoorzaamheid te betrachten aan God, die onze ziel eeuwig leven kan leven.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen