De grondslag voor het oplossen van ’s mensen problemen
DE ZONDIGE toestand van de mensheid en de daaruit voortvloeiende problemen zijn ontstaan door het verlies van een juiste verhouding tot God ten gevolge van de ongehoorzaamheid van onze voorvader Adam. De grondslag voor het oplossen van de vele ernstige problemen om ons heen moet daarom een regeling zijn waardoor wij de positie van volmaakte zonen, een positie die Adam voor zijn overtreding bezat, kunnen terugkrijgen. Wij moeten in volmaakte eenheid met de Schepper worden gebracht. Als Degene die zich werkelijk om ons bekommert, heeft Jehovah God reeds de basis hiervoor gelegd.
Om te kunnen begrijpen wat hij heeft gedaan, de redenen ervoor en waarom zijn regeling de mensheid van zwakheden en onvolmaaktheden zal bevrijden, moeten wij de aangelegenheden van zijn standpunt uit bezien. De bijbel onthult dat God rechtvaardig en „heilig” is, rein tot in de hoogste graad (Ex. 39:30; Ps. 89:14; Jes. 6:3; Joh. 17:11). Daarom kunnen zij die zondig, onvolmaakt, onrein of onzuiver zijn, nooit uit eigen verdienste in een goedgekeurde verhouding tot hem komen (Kol. 1:21). Dat kunnen zij alleen als hun zonden verzoend of bedekt worden. De regeling tot verzoening van zonden zou in volledige overeenstemming met Gods rechtvaardigheid en heiligheid moeten zijn. Zijn met verstand begaafde schepselen zouden in staat moeten zijn de juistheid van Gods regeling te erkennen. Om te beseffen wat er allemaal bij betrokken was, moeten wij naar het allereerste begin van het menselijke geslacht teruggaan.
De bijbel vertelt ons dat toen de eerste mens Adam Gods wet overtrad, hij zichzelf en zijn ongeboren nageslacht in slavernij aan zonde en de dood verkocht (Rom. 5:12-19; 7:14-25). Alle nakomelingen van Adam zouden dus bevrijd moeten worden. Het recht vereiste het betalen van een prijs.
Als illustratie het volgende: een vader misbruikt zijn bezittingen en haalt zich aldus een enorme schuld op de hals. Zou men dan van zijn schuldeisers kunnen verlangen hem zijn schuld kwijt te schelden om zijn kinderen narigheid te besparen? Zou het, na de dood van de vader, juist zijn toe te laten dat het gezin zich steeds dieper in de schulden steekt zonder dat zij zich ooit bezorgd zouden maken over hun spilzucht? Zou dit geen slechte uitwerking hebben, zelfs op mensen die er niet direct bij betrokken zijn, doordat ook zij ertoe worden aangemoedigd hun eigen bezittingen of die van anderen te verspillen?
Hoe zouden de zaken in orde gebracht kunnen worden indien de kinderen het voorbeeld van hun vader hebben overgenomen en geneigd zijn hun bezittingen en inkomsten te verkwisten? Hoe zouden de schulden afbetaald en de kinderen geholpen kunnen worden hun zwakheden te overwinnen?
Iemand van buiten het gezin zou tussenbeide moeten komen en de schulden op zich moeten nemen. En wat de kinderen betreft die er blijk van geven dat zij hun vaders handelwijze werkelijk de rug willen toekeren, dezen zouden dan door de buitenstaander in bescherming genomen kunnen worden doordat hij de verantwoordelijkheid op zich neemt voor alle schulden die zij eventueel nog maken gedurende de tijd dat hij hen kan helpen hun zwakheden te overwinnen.
Iets dergelijks heeft Jehovah God zich voorgenomen met betrekking tot de manier waarop hij voor de mensheid bevrijding van slavernij aan zonde en dood tot stand zal brengen. De eerste stap die hij deed, was het treffen van een regeling voor het betalen van de loskoopprijs. Wat was die prijs? Adam had zijn bezit, zijn volmaakte menselijke leven, op grove wijze misbruikt en het verspeeld door tegen God in opstand te komen. Hij verloor hierdoor volmaakt menselijk leven voor zijn nakomelingen. De losprijs voor zijn nageslacht diende daarom een waarde te hebben welke overeenkwam met dat wat verspeeld was. Dit zou in overeenstemming zijn met het rechtsbeginsel in de Mozaïsche wet: „Ziel voor ziel.” — Deut. 19:21.
Geen van Adams nakomelingen zou die waardevolle prijs kunnen betalen, daar niemand volmaakt menselijk leven bezat. De bijbel zegt: „Niet één van hen kan zelfs ook maar een broeder op enigerlei wijze loskopen, noch God een losprijs voor hem geven, (en de loskoopprijs voor hun ziel is zo kostbaar dat die tot onbepaalde tijd heeft opgehouden).” — Ps. 49:7, 8.
Jehovah God verschafte deze waardevolle prijs echter in de persoon van zijn eigen Zoon. Hij bracht diens leven vanuit de hemelse gewesten over in de schoot van de maagd Maria. Op deze wijze werd het kind dat Maria ter wereld bracht, Jezus, een volmaakte menselijke zoon van God (Luk. 1:35; Fil. 2:5-7). De mens Jezus Christus kon daarom zijn volmaakte menselijke leven als een slachtoffer afleggen. — Matth. 20:28.
Door dit te doen betaalde Jezus Christus precies de prijs die nodig was om het mensengeslacht te verlossen of los te kopen. Wanneer afzonderlijke personen echter willen dat hun „schulden” kwijtgescholden of hun zonden vergeven worden op grond van de verzoenende waarde van Jezus’ slachtoffer, dan dienen zij op Gods voorwaarden van deze voorziening voordeel te trekken. Door zowel een wettelijke basis tot vergeving van zonden te verschaffen, alsmede vereisten op grond waarvan ze vergeven kunnen worden, handhaaft Jehovah God zijn eigen rechtvaardigheid wanneer hij met onvolmaakte mensen die hem oprecht willen dienen, omgaat. In geen geval moedigt hij wetteloosheid aan. — Matth. 6:12; Rom. 3:25, 26; 1 Joh. 1:9.
Reeds meer dan negentienhonderd jaren zijn er voorbijgegaan sinds het mensengeslacht met het kostbare bloed van Jezus Christus werd gekocht en sinds Jezus tot onsterfelijk hemels leven werd opgewekt (Hand. 13:34-37). Toch sterft de mens nog steeds. Waarom? Omdat Gods tijd voor het toepassen van de verzoenende zegeningen van Christus’ slachtoffer in verband met het bevrijden van de mensheid van de onvolmaaktheid, nog in de toekomst ligt (Openb. 22:1, 2). Betekent dit dat God verder nog niets gedaan heeft om het mensengeslacht van zijn zwakheden en onmacht te bevrijden?