Een herkenbaar verschil
IN HET algemeen raken mensen over de gehele wereld meer en meer geïnteresseerd in de „opkomende naties” van Afrika. Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat de vraag rijst in welke mate deze vooruitgang toegeschreven kan worden aan de vroegere zendelingen van de christenheid die de bedoeling hadden om van de Afrikaanse inboorlingen „christenen” te maken. Een socioloog, Stanislav Andreski, schrijft in The African Predicament:
„Er zijn miljoenen oprechte christenen die de religieuze lauwheid van de Europeaanse bewoners zeer verwarrend vinden en het wekt hun ergernis op de drinkende en schaars geklede Europeanen rond de zwembaden te zien slenteren op een tijdstip dat zij eigenlijk naar de kerk behoorden te gaan. Toch kan er niet worden gezegd dat het christelijke geloof veel invloed heeft gehad op het verloop van de menselijke betrekkingen in Afrika. Evenals in andere delen van de wereld is religie over het algemeen een kwestie van ritueel en het in acht nemen van enkele taboes — grotendeels zonder enige ethische betekenis. De zendelingen hebben de mensen zover kunnen brengen dat zij zich gingen schamen om hun naaktheid (hetgeen, zo af en toe, een van de redenen was waarom ze in het begin geldelijke steun van de katoenfabrikanten ontvingen) terwijl hun niet werd gewezen op het feit dat ze polygamie bedreven. Als het aankomt op eerlijkheid en waarheidsliefde tegenover wat niet hun familie is, of verknochtheid aan hun werk, dan lijkt het alsof de zendelingen daar nooit geweest zijn.” — blz. 83.
Dat wil echter niet zeggen dat het ware christendom, het soort van christendom dat in de eerste eeuw afzonderlijke personen hielp hun zedelijke gewoonten, hun kijk op het leven en hun houding ten opzichte van hun werk te veranderen, niet opvalt. Dat zelfde ware christendom met Gods Woord als basis, brengt nog altijd goede resultaten voort en het verschil is heel opmerkelijk.
Dr. N. Long bespreekt in zijn boek Social Change and the Individual (1968) wat hij bij een zorgvuldige studie van de sociale en religieuze situatie in één Afrikaanse dorpsgemeenschap waarnam, een gemeenschap waar veel Jehovah’s getuigen wonen, die het ware christendom in praktijk brengen. Let vooral op het verschil met betrekking tot eerlijkheid en betrouwbaarheid. Het Voorwoord van het boek merkt op: „Kortom, terwijl niet-Getuigen alleen hun familieleden kunnen vertrouwen (en zelfs hen niet altijd), kunnen Getuigen zowel hun familieleden als mede-Getuigen vertrouwen.” Wat valt er te zeggen over polygamie? Dr. Long schrijft: „Het is hier niet mogelijk om in detail de inhoud van de sociale ethiek die door Jehovah’s Getuigen gepredikt wordt, te bespreken . . . In die ethiek wordt echter de nadruk gelegd op een hechte christelijke gezinseenheid, . . . terwijl polygamie erin verboden wordt.” — blz. 78.
Valt het verschil ook in andere aspecten van het leven op, zoals bereidheid tot werken? Dr. Long toont aan: „Het blijkt dat Jehovah’s Getuigen een bepaalde stijl van leven aanbevelen. Een Getuige dient goed gekleed te gaan (dit betekent voor mannen een jasje en een stropdas te dragen, vooral tijdens de prediking of tijdens vergaderingbezoek) en rein in zijn gewoontes te zijn. Hij dient open te staan voor de noden van zijn gezin, zowel in geestelijk als in stoffelijk opzicht. . . . Jehovah’s Getuigen zien hun wereldse manier van leven niet los van hun religieuze leven. Voor hen is het eerder een uitbreiding van hun religieuze aanpak: een lid van de Nieuwe-Wereld-Maatschappij zijn, betekent geestelijke vooruitgang te maken en houdt de belofte in van een nieuw leven, maar tevens een zeker praktisch bekend raken met het leven in deze wereld. . . . Tijd en geld zijn dingen die waarde hebben en niet verkwist dienen te worden; het dient op zodanige wijze besteed te worden dat men er geestelijk, sociaal en economisch voordeel van heeft. In alle opzichten wordt er de nadruk gelegd op individualisme en op nijverheid en op kerkorganisatie en ordelijk werk om de waarde van de groep hoog te houden.” — blz. 215, 216.
Het zich toeleggen op het leren lezen en schrijven, wat is daar over te zeggen? De auteur merkt op: „Elk lid dient goed thuis te zijn in de bijbel en moet zich zodanig bekwamen dat hij anderen kan onderwijzen en om dit te doen moet hij in staat zijn de bijbel te lezen. Alle gemeenten bieden daarom de mogelijkheid om in klasseverband te leren lezen en schrijven en hebben speciale bijbelstudie-vergaderingen.” Wat is het resultaat? „Indien we de Getuigen met niet-Getuigen in de gemeenschap vergelijken, lettend op hun lees- en schrijfvermogen en ontwikkelingspeil, dan ontdekken we dat 87,2 percent van de mannelijke Getuigen en 31,9 percent van de vrouwelijke Getuigen kunnen lezen en schrijven, tegen 51 percent mannelijke en 11,7 percent vrouwelijke niet-Getuigen.” — blz. 157, 216.
Hoe meer dus de aandacht op Afrika wordt gericht, des te meer het duidelijk wordt welk een ontzaglijk verschil de aanwezigheid van het ware christendom heeft gebracht!