Het congres van Lausanne — Pinksteren of Babel?
„ZOALS Lausanne is er nog nooit iets geweest”, schreef het tijdschrift Eternity. „Dit — dit Internationale Congres over Wereldevangelisatie — was een zendingsconferentie die anders was dan anders.”
’Het was Pinksteren’ was de beschrijving die anderen gaven van de kaleidoscoop van diverse landen, culturen en achtergronden zoals die vertegenwoordigd waren op het congres dat van 16 tot 25 juli 1974 te Lausanne, in Zwitserland, werd gehouden. Het voorgestelde doel was discussie te voeren over wegen en methoden om „de aarde Zijn Stem te laten horen”, dat wil zeggen, hoe men de eigen zienswijze over de boodschap van Jezus Christus tegen het jaar 2000 over de hele wereld bekend zou kunnen maken.
Veel waarnemers mogen dan niet zover zijn gegaan Lausanne een nieuw „Pinksteren” te noemen — de meesten waren het er toch wel over eens dat het inderdaad „anders” was. Er zijn de voorbije maanden al heel wat evangelie- en zendingsconferenties geweest, maar Lausanne stak daar — hoewel ietwat gekunsteld — ver bovenuit. Het reikte over sektarische grenzen en trok 2700 uitgelezen vertegenwoordigers van een aantal evangelische groepen uit 150 landen naar een plek om daar met elkaar te spreken. Tientallen talen waren dan ook vertegenwoordigd terwijl op de zittingen zeven officiële talen werden gesproken.
Speciale pogingen waren ondernomen om vertegenwoordigers van een zo breed mogelijk front van evangelisatiewerkers uit te nodigen — niet alleen personen uit verschillende landen en culturen, maar ook vrouwen, geestelijken, leken, evangelisten, zendelingen, onderwijzers, jongere en oudere mensen. Een groot aantal van de meer dan duizend afgevaardigden uit de „Derde Wereld” waren aan inschrijfkosten al een salaris van verscheidene weken kwijt.
Het congres te Lausanne was ook anders in die zin dat het bestond uit werkzittingen. Gedetailleerde rapporten waren van tevoren voorbereid om aan te geven tot in welke mate de christelijke zending in alle delen van de aarde vorderingen had gemaakt. Nadruk werd ook gelegd op het zoeken van contact met moeilijk bereikbare mensen in de „christelijke” wereld, woonachtig in bijvoorbeeld ontoegankelijke flatgebouwen of werkzaam op grote kantoren. Zo vastbesloten waren de organisatoren dat het congres meer dan theologie en theorie moest worden, dat de afgevaardigden met de aanduiding „deelnemers” werden betiteld.
Dit congres kreeg tevens uitgebreide tamtam-publiciteit. Grote belangstelling ervoor werd gewekt door Billy Graham met zijn vroege aankondiging ervan, terwijl hij later fungeerde als erevoorzitter en belangrijke spreker. Maanden van voorbereiding werden er in de bijeenkomst gestoken, terwijl de kosten uiteindelijk bijna acht miljoen gulden beliepen.
Waarom nu?
Plotseling schijnt het bij de betrokken religieuze leiders te zijn gaan dagen dat er geëvangeliseerd moet worden. Vier jaar geleden bestond bij de meesten van hen nog geen enkel animo voor zulk een conferentie, zo bleek uit een wereldomvattend gehouden enquête. Minder dan twee jaar later ging men er anders over denken en begonnen de voorbereidingen voor het congres in Lausanne. „Het getij is gunstig voor een evangelisch getuigenis over de hele wereld”, zei een van de organisatoren, „en de algemene mening was dat we ons met het getij moesten laten meevoeren naar het doel van wereldevangelisatie in deze eeuw.” Hoe is die verandering van houding in zo’n korte tijd tot stand gekomen?
Niemand van de aanwezigen te Lausanne scheen dat precies te weten. Tal van sprekers wezen evenwel op de „wereldtoestanden”, die ’vruchtbaar zijn voor het getuigenis over Jezus’. O. Guinness uit Zwitserland sprak als zijn mening uit dat de mensheid nu op unieke wijze gereed is voor de christelijke boodschap, en wel vanwege het „bankroet der wereldlijke denkwijze”. Een andere belangrijke spreker, de Brit M. Muggeridge, sloot zich bij de mening van Guinness aan, met de verklaring: „Het is bij mij allang boven enige twijfel verheven dat datgene wat Westerse Beschaving wordt genoemd, in een vergevorderd stadium van verval verkeert, en dat spoedig een nieuwe periode van Donkere Middeleeuwen zal aanbreken, als die in wezen al niet begonnen is.”
Maar de meest klemmende vraag voor deze evangelisten van tal van richtingen, was natuurlijk niet de oorzaak van deze plotseling oplevende belangstelling in de bijbelse boodschap van Christus, als wel: zouden zij de hele wereld met de evangelieboodschap kunnen bereiken; was dat een redelijke verwachting?
Kunnen „evangelisten” de wereld evangeliseren?
Een verlangen naar het brengen van de evangelieboodschap kan niet worden bekritiseerd, want gaf niet Jezus zelf de instructie: „Gaat daarom en maakt discipelen van mensen uit alle natiën, hen dopende in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige geest, en leert hun onderhouden alles wat ik u geboden heb.” — Matth. 28:19, 20.
Er is echter meer nodig dan een besef van de noodzaak hiervan. Zij die trachten naar „alle natiën” te gaan, moeten ook zelf „onderhouden” wat Christus „geboden” heeft. Zij dienen ook zelf naar Jezus’ stem te luisteren. Bovendien zijn Jezus’ geboden niet met elkaar in strijd, zodat al degenen die hem gehoorzamen, stellig met elkaar verenigd dienen te zijn. Denk nog eens terug aan de volgelingen van Jezus ten tijde van Pinksteren in de eerste eeuw. Waren zij niet allen één van zin, vredig bij elkaar? Natuurlijk. — Handelingen hoofdstuk 2.
Maar was er in Lausanne sprake van ware eenheid, gebaseerd op werkelijke gehoorzaamheid aan Jezus’ woorden? Waarom zouden we, om daarachter te komen, niet datgene wat werd gedaan en gezegd, vergelijken met Jezus’ persoonlijke onderwijzingen.
Jezus zei over zijn volgelingen: „Zij zijn geen deel van de wereld, evenals ik geen deel van de wereld ben. . . . opdat zij allen één mogen zijn” (Joh. 17:16, 21). Het lag stellig niet in zijn bedoeling dat zijn volgelingen gescheiden zouden worden door nationale en raciale grenzen. Toch waren er in Lausanne duidelijk nationalistische en raciale kloven aan te wijzen.
Afgevaardigden van één Aziatisch land raakten ontsteld over de aanwezigheid van de vlag van een ander Aziatisch land die daar van een vorige bijeenkomst was blijven hangen. Enkele Afrikaanse afgevaardigden klaagden over hun behuizing, voor het merendeel volledig afgescheiden van de rest der afgevaardigden. Andere Afrikanen stelden een „zendingsmoratorium” voor — dat vreemde zendelingen uit hun land zouden wegblijven. „In een aantal gevallen”, aldus de Christianity Today, een blad dat de bijeenkomst krachtig ondersteunde, „brachten de deelnemers de verdeeldheid die aan hun thuisfront bestaat, ook naar Lausanne over, en de besprekingen over de nationale strategieën had dan een vaak gespannen en stormachtig verloop”.
De congresleiders waren niet onwetend van zulke rivaliteit en vestigden er zelfs de aandacht op. Toen echter het Lausanne-verdrag werd ondertekend door minstens 1900 waarnemers en afgevaardigden — ’een evangelische overeenstemming omtrent zaken die het meest van belang zijn’ — stond daarin ook heel inconsequent als punt nummer vijf vermeld: „Evangelisatie en sociaal-politieke betrokkenheid behoren beide tot onze christelijke plicht”! (Wij cursiveerden) Jezus zei dat zijn volgelingen „geen deel van de wereld” zijn, daarmee een aansporing gevend aan degenen die werkelijk naar hem willen luisteren om een eenheid ten toon te spreiden die grenzen overschrijdt. Maar het congres van Lausanne stimuleert juist het bewandelen van een tegenovergestelde koers.
En voeg dan bij deze problemen nog eens de religieuze verdeeldheid onder de deelnemers aan het congres. Jezus riep zijn ware volgelingen op ’in eendracht met hem te blijven’ (Joh. 15:4). Waren de afgevaardigden te Lausanne in eendracht met Jezus? Hoe zou dat kunnen?
Hoe kunnen Anglicanen, Baptisten, „Discipelen van Christus”, Vrije Methodisten, Lutheranen, Doopsgezinden, Presbyterianen en alle anderen die in Lausanne vertegenwoordigd waren, elk met hun eigen, tegengestelde leerstellingen, allemaal in eendracht met Jezus zijn? Dat is eenvoudig niet mogelijk (1 Kor. 1:10). Dus in zowel religieus als ander opzicht was er weinig christelijke eenheid in Lausanne te bespeuren.
Maar zelfs al was men verenigd geweest — hoe hadden deze „evangelisten” dan nog kunnen hopen „discipelen van mensen uit alle natiën” te maken? In de precies tien dagen die hun bijeenkomst duurde, was de aardbevolking met weer bijna twee miljoen mensen toegenomen — ofte wel met 650 personen op elke officiële afgevaardigde op het Lausanne-congres. De evangelische leiders gaven dan ook toe hulp nodig te hebben om de hele aarde met de evangelieboodschap te bereiken. Tot wie zullen zij zich wenden om hulp? Tot de „leken”.
Kunnen de „leken” hulp verlenen?
De heilige geest bewoog alle mannen en vrouwen, jong en oud, die in de eerste eeuw op Pinksteren aanwezig waren, om te spreken over „de grote daden van God” (Hand. 2:11). De Braziliaanse hoogleraar H. Snyder onderstreepte nog eens de verplichting die ook nu op de schouders van alle christenen rust, en niet alleen van de geestelijkheid, om datgene wat zij van het Evangelie weten aan anderen te vertellen. G. W. Peters van het Theologische Seminarie te Dallas legde de nadruk op diezelfde noodzaak, de noodzaak, zoals hij het uitdrukte, om „de massa’s gelovige kerkleden” als „het voornaamste reservoir van menselijke energie in verband met evangelisatie” aan te spreken.
Dat „voornaamste reservoir van menselijke energie” zou echter heel goed een droge bron kunnen blijken. Het gemiddelde kerklid, aldus de baptist R. Padilla uit Argentinië, heeft weinig meer dan geestelijke instemming betoond met Jezus’ woorden. De meesten, zo herinnerde hij de afgevaardigden, hebben een bekort of „verminkt evangelie” aanvaard. Daaraan nog toevoegend: „Halve evangelies hebben waarde noch toekomst. Net als de fameuze muilezel hebben ze noch de trots van een roemrucht voorgeslacht noch de hoop op een nageslacht.”
Met andere woorden, zoals nog door tal van andere sprekers op diverse wijzen werd benadrukt — de kerken moeten eerst hun eigen lidmaten bekeren voor ze er ooit van kunnen dromen de rest van de wereld met de evangelieboodschap te bereiken. Hun schare van „leken” bestaat niet uit „toegewijde christenen”, zoals zo treffend door een voorval op Lausanne zelf werd geïllustreerd. Eén deelnemer herinnerde namelijk aan het feit dat „Ierse zendelingen in India te horen hadden gekregen dat ze beter naar huis konden terugkeren en in Ierland evangelie bedrijven” wegens de moorddadige oorlog tussen katholieken en protestanten in dat land. De Ieren, hoewel zij zich trachtten te verdedigen, konden de beschuldigingen niet ontkennen, en moesten toegeven: „De bedrijvers van het geweld zijn geen toegewijde christenen ook al mogen ze misschien beweren tot een bepaalde groepering te behoren.” Kennelijk zijn er in Ierland niet voldoende „toegewijde christenen” om de oorlog te stoppen! Overigens is men evenzeer gerechtigd aan andere zogenaamd „christelijke” natiën te vragen of hun bevolking enigszins meer ’toegewijd aan Christus’ is.
Waarom zijn kerkleden zo vaak doof voor de woorden van Christus? Omdat die woorden hun nog nooit door hun geestelijke leiders geleerd zijn. De geestelijken zelf geloven de onderwijzingen van Jezus niet. Er waren te Lausanne enkele sprekers, zoals de Peruaan S. Escobar, die zeiden dat de leken aangemoedigd dienden te worden „de leer en het voorbeeld van Christus in hun gezinsleven toe te passen” . Maar geloofden de samenstellers van het rapport daar ook werkelijk zelf in? Over het prediken tot mensen wier religie polygamie [een huwelijk met meer dan één vrouw] toestaat en die dan ’Christus aanvaarden’ stond het volgende: „Het is een heel delicate kwestie, maar de meesten van degenen die dit rapport hebben voorbereid, zijn van mening dat hij [d.w.z. de man die in polygamie leeft] zijn vrouwen niet behoort te verlaten; terzelfder tijd dringen zij er echter op aan dat hij er geen vrouwen meer bij zal nemen.” Deze passage staat vrijwel gelijk aan goedkeuring van polygamie in de christelijke gemeente.
Toch zei Jezus over het huwelijk: „De twee” — één man en één vrouw — „zullen één vlees zijn” (Matth. 19:5). Het officiële congresrapport volstond ermee Jezus’ woorden in enkele welwillende opmerkingen te smoren; wekt het dan nog verbazing dat het gemiddelde kerklid, als hij al van Jezus’ onderwijzingen in verband met het gezinsleven af weet, deze niet in zijn leven van toepassing brengt? Hoe kunnen zulke personen „het voornaamste reservoir van menselijke energie” zijn om het evangelie over de wereld te brengen?
Elders omzien naar christenen
Over de gehele wereld zijn echter tal van eerlijke mensen die verlangend zijn de stem van Jezus te horen. Zij verlangen wanhopig naar de waarheid die mensen vrij maakt. Maar, heel duidelijk gesteld, die boodschap zal niet ten gevolge van het congres in Lausanne komen.
Lausanne was niet, zoals enkele sympathisanten pochten, ’een nieuw Pinksteren’ met mensen in verschillende talen sprekend over hun gemeenschappelijke boodschap van Jezus. Het was een Babel van afwijkende sektarisch, politiek en raciaal verdeelde stemmen die dezelfde oude geloofsbelijdenissen herhaalden die de mensheid al eeuwenlang hebben verdeeld. Het was een openlijke bekentenis van evangelisatieleiders dat hun kerkleden nog niet werkelijk de klank van Jezus’ stem hebben gehoord, net zomin als de leden van „vrijzinniger” kerkgroepen. Terzelfder tijd was het van hun zijde echter een welhaast smekende uiting van hoop ’tegen alle verwachting in’ dat op de een of andere manier deze zelfde kerklidmaten hen zouden helpen bij het evangeliseren in de wereld.
Erg verwarde en onzekere stemmen werden er in Lausanne gehoord. Maar de stem van Jezus was niet aanwezig. Godvrezende personen zullen hun oren elders te luisteren moeten leggen om zijn heldere en klare boodschap te horen.
[Illustratie op blz. 9]
De Anglicaanse bisschop J. Dain (links) en evangelist Billy Graham tekenen het Lausanne-verdrag. De eerste verklaring luidt: „Wij bekennen met schaamte vaak onze roeping ontkend en in onze zending gefaald te hebben, door gelijkvormig aan de wereld te worden of ons ervan terug te trekken.”