Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g75 22/1 blz. 16-27
  • Ben ik verplicht in evolutie te geloven?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ben ik verplicht in evolutie te geloven?
  • Ontwaakt! 1975
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Waarom stellen zovelen er geloof in?
  • Intimidatie en „hersenspoeling”
  • Geen antwoorden
  • Geen hulp van het fossielenverslag
  • Zwijgend over de oorsprong van het leven
  • Een „explosie” van ingewikkelde levensvormen
  • De gewervelde dieren
  • Het verslag is tegen de evolutie
  • Vormen mutaties een verklaring voor de evolutie?
  • Nuttig — of schadelijk?
  • Niets nieuws; slechts variaties
  • Variaties beperkt
  • Meer drogredenen
  • Gelijkenis geen bewijs
  • Geen ware wetenschap, maar „science fiction”
  • Wat zegt het fossielenverslag?
    Leven — Hoe is het ontstaan? Door evolutie of door schepping?
  • Wat is in overeenstemming met de feiten?
    Ontwaakt! 1982
  • Meningsverschillen over evolutie — Waarom?
    Leven — Hoe is het ontstaan? Door evolutie of door schepping?
  • Gelooft u in evolutie of in schepping?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
Meer weergeven
Ontwaakt! 1975
g75 22/1 blz. 16-27

Ben ik verplicht in evolutie te geloven?

DE AFGELOPEN jaren zijn er in Amerika staats- en schoolbesturen geweest die bezwaren hebben geuit tegen het feit dat op de openbare scholen evolutie nog steeds als een feit wordt onderwezen. Eén van die Amerikaanse staten waar dergelijke klachten zijn gehoord, is Californië.

Het Californische staatsbureau voor onderwijs heeft een beslissende stem als het gaat om wat er in de schoolboeken moet komen te staan. Voor het nemen van die beslissing ontvangt ze aanbevelingen van groepen deskundigen die op verschillende terreinen werkzaam zijn. Een van die groepen is de staatsadviescommissie inzake het natuurwetenschappelijk onderwijs. Deze commissie geeft de grondslag aan waarop het wetenschappelijk onderwijs op de openbare scholen van de staat is gebaseerd.

De adviescommissie gaf de raad om het onderwerp evolutie als feit, als vaststaande waarheid te onderwijzen, en niet slechts als een theorie. Het bureau voor onderwijs besloot echter anders en verordende dat de evolutie als theorie en niet als feit onderwezen zou worden. Tevens bepaalde dit bureau dat in de leerboeken ook melding gemaakt diende te worden van schepping als een andere verklaring voor de oorsprong van het leven, een verklaring die ook aanspraak op wetenschappelijke ondersteuning kan maken.

De wetenschapscommissie reageerde heftig, met verklaringen die er in feite op neerkwamen dat evolutie „zonder meer vaststaat”. Dat daar „geen twijfel” over bestond. ’Elke dag zien we er voorbeelden van. Ze is even duidelijk bewezen als het bestaan van zwaartekracht en atomen!’ Een commissielid vergeleek geloof in de schepping zelfs met bijgeloof, met geloof in astrologie, of de gedachte als zou de maan van groene kaas zijn, of dat ooievaars baby’s zouden brengen.

Doch er zijn heel veel personen die de waarde van de evolutieleer in twijfel trekken. Een van die personen, iemand die de „bewijzen” voor de evolutie nooit afdoende had gevonden, kwam tot het besluit eens mensen te gaan interviewen die in evolutie geloofden. Hieronder volgt een verslag van zijn ervaringen en de werkelijke gesprekken die hij met evolutie-aanhangers heeft gevoerd.

Waarom stellen zovelen er geloof in?

„Ik geloof in evolutie”, zei een keurig geklede heer mij, „omdat de wetenschap deze theorie grondig heeft onderzocht en haar unaniem als waar heeft aanvaard.”

„U stelt veel vertrouwen in de wetenschap”, merkte ik op.

„Daar geeft de geschiedenis ook alle reden toe, vindt u niet?”, was zijn wederwoord.

Deze reden voor geloof in de evolutie, kreeg ik tijdens mijn onderzoek veel te horen. Ik ontdekte dat de meeste mensen in evolutie geloofden omdat hun was verteld dat alle verstandige mensen erin geloven.

Een kennelijk goed onderlegde vrouw van middelbare leeftijd bestormde mij met de vraag: „Wat is uw bevoegdheid om de bevindingen van beroepsgeleerden in twijfel te trekken?”

„Laat ik u ten eerste zeggen”, zo antwoordde ik haar, „dat die geleerden elkaars uitspraken reeds in twijfel trekken. Zij argumenteren over het wanneer, het waarom en het hoe van de gebeurtenis, over de snelheid ervan, en of het wel gebeurd is!” „Nu”, zo vervolgde ik, „mijn antwoord op uw vraag naar mijn bevoegdheid. Wat zijn de bevoegdheden van een rechter die in een medische zaak een beslissing moet nemen en geen medische opleiding heeft ontvangen? Is hij intelligent en onbevooroordeeld dan zal hij de vóór- en tegen-argumenten van deskundigen aanhoren en dan op grond van hun getuigenis een beslissing nemen. Hoe anders kan iemand in deze tijd van specialisatie op diverse terreinen tot een conclusie komen.”

„Maar evolutie is zo’n technisch onderwerp”, protesteerde zij.

Ik antwoordde: „Volgens Theodosius Dobzhansky [geleerde en evolutionist] gaat inderdaad veel werk van geleerden het bevattingsvermogen van de gemiddelde leek te boven, maar is dat met evolutie stellig niet het geval. Volgens hem is evolutie een zaak van elementaire biologie. En George Gaylord Simpson [een andere vooraanstaande evolutionist] geeft toe dat het immoreel is om een blind geloof in iets te hebben, of het nu gaat om een religieuze leer of een wetenschappelijke theorie. Deze geleerde vindt het tevens een verantwoordelijkheid van ieder mens om de conclusies van specialisten te toetsen en op grond daarvan een beslissing te nemen. En zoals hij nog opmerkte, hoeft iemand geen biologische onderzoeker te zijn om de bewijzen voor evolutie naar waarde te schatten.”

„Te veel mensen”, zo besloot ik, „verlaten zich op de mening van anderen en herhalen hun ideeën als papegaaien in plaats van er de tijd voor te nemen om de feiten af te wegen.”

Toen zij daarop geen antwoord gaf, voegde ik er nog aan toe: „U zou verbaasd staan over het grote aantal mensen dat in evolutie gelooft maar er praktisch niets van af weet.”

Intimidatie en „hersenspoeling”

Alvorens mijn „van-huis-tot-huis”-onderzoek in verband met evolutie te beginnen, las ik eerst twintig boeken van evolutionisten. Maar al vele jaren daarvoor, sinds mijn universiteitsjaren, had ik geprobeerd up-to-date te blijven met de nieuwste ontwikkelingen op dit terrein. Nu had ik echter een speciaal onderzoek ingesteld naar recente geschriften van vooraanstaande evolutionisten.

Wat mij bij dit onderzoek vooral trof, was de „intimidering”, de waarop zij hun lezers trachtten te „overdonderen” of een „hersenspoeling” trachtten te geven. Een weerspiegeling hiervan verschaft de volgende korte samenvoeging van zinnen uit twaalf boeken van elf verschillende evolutionisten:

’Evolutie wordt algemeen aanvaard door oordeelkundige geleerden. Ze wordt door alle verantwoordelijke geleerden erkend. Alle biologen van naam zien haar als een bewezen feit. Niemand die thans goed is ingelicht zal ontkennen dat de mens van de vissen afstamt. Dat is niet langer een punt van twijfel.

Het bewijsmateriaal is overweldigend. Iemand die vrij is van oude illusies en vooroordelen heeft geen verder bewijs meer nodig.’

Dat is de algemene mening van al deze evolutionaire schrijvers. Wanneer beweringen echter zo opzwepend, zo dogmatisch worden gepresenteerd, maakt dat ze op zijn minst verdacht. Het leek mij toe of de evolutionisten al bij voorbaat tegenstand en vragen de kop wilden indrukken met een stortvloed van intimiderende woorden.

Maar waarom moet iemand die een theorie in twijfel trekt, meteen onwijs, oningelicht en een ’gevangene van oude illusies en vooroordelen’ worden genoemd? Zouden geleerden die werkelijk over feiten beschikten, zich tot een dergelijke onwetenschappelijke, onredelijke tactiek verlagen?

Deze „psychologische oorlogvoering”, deze „hersenspoeling” mag dan bekeerlingen opleveren voor het evolutie-geloof, maar wat voor bekeerlingen. Zij staan meestal met hun mond vol tanden wanneer zij iemand ontmoeten die niet is bezweken voor de intimidatie en om bewijzen gaat vragen.

Geen antwoorden

Zo vroeg ik bijvoorbeeld een intelligente vrouw in een chique buurt: „Waarom gelooft u in evolutie?”

„Omdat ik het steeds waarneem”, zei ze, een gebaar naar haar tuin makend. Toen ik echter achter wat details probeerde te komen, begon ze rood te worden, zodat ik me tactisch terugtrok.

Bij een andere deur kwam op mijn bellen een al wat oudere man naar voren, die als antwoord op mijn vraag begon te spreken over aanpassing aan de omgeving, en dat al die aanpassingen bij elkaar in de loop van vele generaties uiteindelijk leiden tot nieuwe soorten van leven.

„Dat is in deze tijd niet meer de aanvaarde gedachtengang”, antwoordde ik. „Uw zongebrande huid gaat niet op uw kind over, evenmin als uw zwellende bicepsen die u door gewichtheffen hebt ontwikkeld, of uw kennis van elektronica die u door middel van studie en ervaring hebt verworven. Heel veel jaren geleden dacht de evolutionist Lamarck nog zoals u dacht. Maar de evolutionisten van nu weten dat zulke verworven eigenschappen niet door middel van de erfelijkheid worden overgedragen.”

„Maar hoe is evolutie dan in zijn werk gegaan?” was daarop zijn vraag.

„Dat is aan u om te verklaren”, antwoordde ik hem.

Telkens en telkens opnieuw ontdekte ik hetzelfde: mensen die zeiden in evolutie te geloven waren totaal onmondig als het ging om het geven van redenen, bewijzen en feiten ten einde hun geloof te ondersteunen. De hoofdreden waarom zij aan evolutie vasthielden, was eenvoudig dat de geleerden erin geloofden en haar onderwezen.

Geen hulp van het fossielenverslag

Op de campus van een grote universiteit haalde een student het „fossielenverslag” aan ter ondersteuning van de evolutie. Uit de fossielen, zo zei hij, „is [bijvoorbeeld] de evolutie van het moderne paard uit de eohippus na te gaan. Voortschrijdende fossielen tonen aan hoe de eohippus eerst zijn tenen verloor, langere pols- en enkelgewrichten kreeg, nieuwe tanden verwierf om te grazen en toenam in grootte.”

„Tja, maar u moet weten”, antwoordde ik, „dat de evolutionisten om dit nette beeld te kunnen schetsen, heel wat fossielen hebben moeten weglaten. Zij nemen slechts díe fossielen die hun theorie ondersteunen en gaan ervan uit dat die onderling met elkaar verband houden.”

„Ze maken het slechts eenvoudiger om verwarring te vermijden”, antwoordde de student.

Ik zei daarop: „Ja, maar om verwarring te vermijden, verbergen zij de feiten, en hun vereenvoudiging ontaardt in oververeenvoudiging, tot er sprake is van vervalsing.”

Ja, dat is precies wat ook Simpson opmerkte, dat ’de oververeenvoudiging van de fossiele paardenreeks op weinig anders neerkomt dan vervalsing’. En bioloog I. Sanderson schrijft:

„Dit keurige, aangename evolutiebeeld van ordelijk voortschrijdende tandontwikkeling, verlies van tenen, toeneming van grootte, en pols- en enkelverlenging, is nu helaas onder ernstige verdenking komen te staan.

Er zijn zoveel zijtakken aan het licht gekomen, zoveel tussenvormen ontbreken geheel en al, dat we nu slechts kunnen zeggen dat de klassieke beschrijving weinig meer dan een aanduiding is van de waarschijnlijke stappen volgens welke het moderne paard is geëvolueerd.”

Het fossielenverslag is echter nog steeds de „kroongetuige” van de evolutie. Of zoals Simpson ons vertelt: „Het meest directe bewijs van de waarheid van de evolutie moet uiteindelijk toch door het fossielenverslag worden geleverd.”

Zwijgend over de oorsprong van het leven

Het fossielenverhaal blijft echter volledig in gebreke ons te vertellen dat het leven op de wijze is geëvolueerd zoals de geleerden aangeven. De feiten, de bewijzen, ontbreken geheel en al.

Dit probleem is voor evolutionisten niet nieuw. Meer dan een eeuw geleden had Charles Darwin, de „vader” van de moderne evolutie, er al mee te kampen. Hij maakte zich in de slotwoorden van zijn boek „De oorsprong der soorten” van de moeilijkheid af door de oorsprong van het leven aan God toe te schrijven, verklarend dat „het waarlijk groots is te denken, dat de Schepper de kiem van al het leven, dat ons omgeeft, slechts aan weinige vormen of wellicht zelfs maar aan een enkele vorm heeft ingeblazen”.

Er verstreken tientallen jaren. De bewijzen weigerden echter te voorschijn te komen. Later gaf A. C. Seward toe dat het fossielenverslag „ons niets vertelt over de oorsprong van het leven”. En tot op de dag van vandaag, is de situatie ongewijzigd. Van tijd tot tijd mogen er dan al sensationele aankondigingen in de krant verschijnen, afkomstig van journalisten die belust zijn op een vette kop, met de mededeling als zouden geleerden in laboratoriums er al bijna in geslaagd zijn leven te scheppen — dat op zich zou nog slechts aantonen dat er een Schepper moet zijn geweest, dat leven niet uit zichzelf ontstaat.

Hoe het ook zij, het fossielenverslag zwijgt in alle talen over de veronderstelde evolutie van microscopisch leven. Dat is een ding wat zeker is. Een universitair leerboek erkent: „Wij weten nog weinig af van de protozoïsche [één-cellige] evolutie.”

Een „explosie” van ingewikkelde levensvormen

De eerste enigszins overtuigende fossielvondsten treft men aan in de zogenaamde Cambrische gesteentelaag. Van vóór die tijd kennen we slechts onnoemlijk oude, ongewijzigde rotslagen. Doch in die oudere lagen zijn „fossielen” zeldzaam, als het al fossielen zijn, want hun waarde wordt onder geleerden zelf hevig betwist.

In de Cambrium-rotsen daarentegen treden de fossielen op in een plotselinge overvloed, in een grote verscheidenheid, hoog gespecialiseerd en zeer ingewikkeld. Ja, plotseling verandert de zwijgzame „kroongetuige” in een niet meer te stuiten ratelkous! Ik moet mijzelf dan afvragen: „Heeft ze dan al die tijd daarvoor aan keelontsteking geleden, of had ze misschien niets te vertellen?” En dan denk ik aan de woorden van Simpson, die deze plotselinge „explosie” van tienduizenden fossielen „het grootste mysterie in de geschiedenis van het leven” noemt.

Maar laten we de evolutionisten even hun „spontane generatie”, het spontane ontstaan van leven, gunnen, ook al kunnen zij daar in het fossielenverslag niets van terugvinden, en in hun laboratoriums niets van nabootsen. Gun ze dat eerste sprankje leven dat zij niet kunnen vinden. Gun ze ook die fantastische ontwikkeling van dat eerste stukje microscopisch kleine leven tot die plotselinge explosie van duizenden gespecialiseerde levensvormen in de Cambrische rotsen. Kunnen ze dan in het fossielenverslag antwoorden vinden op de vraag hoe latere levensvormen zich waarschijnlijk ontwikkeld hebben?

Het ontstaan van de landplanten, daarover zwijgt het fossielenverslag niet, integendeel, het babbelt honderd uit. Maar over „primitieve” voorouderplanten daarover zwijgt het weer in alle talen. Is evolutie dan een kwestie van geloof? Eén autoriteit heeft al eens geopperd dat evolutie-aanhangers gewoon zonder meer geloven dat die veronderstelde voorouders moeten hebben bestaan.

Ook fossielen van „primitieve” insekten zijn onbekend. De insekten verschijnen plotseling in de geschiedenis van de aardlagen, hoog-ontwikkeld, en in groten getale, werkelijk een „explosie” van insektenleven in complete gedaante. Toch moeten zij volgens de theorie der evolutie een ontwikkeling van tientallen miljoenen jaren hebben doorgemaakt. Wat is echter de basis voor deze bewering?

Die basis is niet aanwezig — in geen enkel opzicht. Er is geen voorouderlijke insektevorm te ontdekken. „Het fossielenverslag geeft ons geen enkele inlichting over de oorsprong van de insekten”, was dan ook de conclusie van de Encyclopaedia Britannica (uitgave van 1974). En de enige reden waarom men over zulke onnoemlijke lange tijdsperioden spreekt, is het feit dat de evolutie-theorie zelf die vereist. Dus worden ze ook kwistig door evolutionisten verschaft.

De gewervelde dieren

Heeft de kroongetuige, het fossielenverslag, nog iets te zeggen over het ontstaan der gewervelde dieren? Dat wil zeggen de dieren met een ruggegraat of wervelkolom.

Neen, opnieuw hult het fossielenverslag zich in een vreemd stilzwijgen — althans vreemd vanuit evolutionair standpunt bezien. Neem bijvoorbeeld de oudste vissen. Evolutionisten kunnen het er niet over eens worden van welke voorouder ze nu afstammen. Volgens hun eigen redenatie ligt er tussen de „eerste vis” en het eerste echte visfossiel een kloof van honderd miljoen jaar. Waarom honderd miljoen? Omdat de evolutie, naar verondersteld, wel zoveel tijd nodig heeft gehad om iets dergelijks als een ruggegraat te „evolueren”.

Maar welke voorouder-fossielen heeft men uit die hele periode ontdekt? Opnieuw antwoordt ons de Encyclopædia Britannica (1974): „De fossiele overblijfselen geven ons echter geen enkele aanwijzing over de oorsprong van de gewervelden.” Ze verschenen eenvoudig, plotseling, in een grote verscheidenheid en in zeer ingewikkelde vormen.

Laten we echter even aan die stilte van honderd miljoen jaar voorbijgaan en ons oor bij een wat latere periode te luisteren leggen. Uit de vissen ontstonden de amfibieën, zo zegt men. Maar opnieuw, weer zwijgt het fossielenverslag over dit kritieke moment. Zelfs de voor dit doel zo verleidelijke longvis is verworpen als schakel tussen vis en amfibie.

Daarna, aldus nog steeds de leer van de evolutie, kwamen de reptielen op het aardse toneel. Deze legden eieren. Wat zegt de kroongetuige over hùn voorouders? In het boek The Reptiles lezen wij: „Een van de frustrerende bijzonderheden van het fossielenverslag in verband met de geschiedenis van de gewervelde dieren, is dat er zo weinig uit blijkt over de evolutie van de reptielen gedurende de eerste periode van hun bestaan, toen het schaalei zich ontwikkelde.” Over eieren gesproken, na het lezen van zulke erkenningen over het ontbreken van bewijzen, is het mij altijd te moede alsof de evolutie ook hier weer ’een windei heeft gelegd’.

En het fossielenverslag zwijgt nog steeds als, volgens de evolutionisten, miljoenen jaren later bepaalde reptielen in zoogdieren en andere reptielen in vogels veranderen. Simpson geeft toe dat voor zowel ten aanzien van de zoogdieren als de vogels het fossiele materiaal ’schaars’ is voor een periode van 75.000.000 jaar, gedurende welke tijd de grote veranderingen zouden hebben plaatsgevonden.

Ten slotte dan nog een korte bloemlezing van conclusies in verband met het fossiele materiaal dat betrekking zou hebben op de evolutie van de zoogdieren, met inbegrip van de mens: „Helaas onthullen de fossielen heel weinig over de schepselen die we als de eerste echte zoogdieren beschouwen” (The Mammals, blz. 37). „Helaas is het fossielenverslag waaruit het ontstaan van de apen zou zijn na te gaan, nog altijd hopeloos onvolledig. . . .Helaas blijven de vroege stadiums van ’s mensen evolutionaire ontwikkeling langs zijn eigen afzonderlijke lijn, in volledig duister gehuld” (The Primates, blz. 15, 177). „Zelfs deze betrekkelijk jonge geschiedenis [over de ontwikkeling van aapachtige schepselen tot de mens] is doorspekt met onzekerheden; de autoriteiten zijn het vaak oneens met elkaar, zowel over fundamentele als bijzaken.” — Mankind Evolving, blz. 168.

Het verslag is tegen de evolutie

Ja, het is duidelijk: de beweerde evolutie-reeks van al deze belangrijke levensgroepen is bij herhaling onderbroken door ongelooflijke „gaten”. Steeds weer opnieuw is het verhaal hetzelfde: het fossielenverslag zwijgt over voorouders. In enkele gevallen kan dit begrijpelijk zijn. Maar wanneer deze stilte ten aanzien van elke belangrijke levensgroep optreedt, gaat men zich toch afvragen of het hier niet om meer dan een toevallige samenloop van omstandigheden gaat.

Zelfs Darwin klaagde reeds lang geleden over de gaten in het fossielenverslag. Ze zouden trouwens, zoals hij zelf opmerkte, een goede reden vormen om zijn theorie te verwerpen. Maar hij verdedigde zijn eigen standpunt door zijn kroongetuige te beschuldigen. Want, zo beweerde hij, het fossielenverslag was gewijzigd, was onvolledig, en miste eenvoudig een heleboel fossielen, vooral fossielen van dieren zonder harde delen. Veel hedendaagse evolutionisten nemen hun toevlucht tot dezelfde argumenten.

Niettemin is de waarheid anders. Er zijn tal van ongewijzigde, onaangetaste rotslagen gevonden, en ook genoeg fossiele overblijfselen van ’zachte delen’ en ’zachte dieren’: huid en veren in fossiele vorm, alsmede fossiele wormen en kwallen. En waarom is het fossielenverslag zo vol met betrekking tot complete levensvormen en zo leeg als het gaat om „evoluerende” soorten?

Mijn gedwongen conclusie is dat maar weinig feiten op zo welsprekende wijze tégen de evolutie getuigen als de resultaten van het fossielen-onderzoek.

Vormen mutaties een verklaring voor de evolutie?

Mutaties worden genoemd als bewijzen voor de evolutie. Maar zijn ze dat werkelijk? Hun belangrijkheid in dat opzicht werd onlangs energiek verdedigd door een kennis van mij.

Alvorens echter een verslag te geven van onze bespreking, wil ik even melding maken van een gewoonte van hem, welke overeenkomt met die benadering van ’alleen de dommen geloven niet in evolutie’. Hij is pas afgestudeerd in de biologie, en zijn woordenschat is doordrenkt met geladen woorden als homozygoot, heterozygoot, translocatie, inversies, haploïd, diploïd, polyploïd, mitose meiose, desoxyribonucleïnezuur en dergelijke.

Het was duidelijk dat hij voldoening putte uit het gebruik van zulke dure uitdrukkingen; ze gaven hem een soort geestelijk pantser. Maar intimiderende woorden bewijzen nog geen theorie. Zo ze al iets doen, maken ze een theorie alleen maar meer verdacht.

Nuttig — of schadelijk?

„Mutaties brengen veranderingen teweeg in het genetisch materiaal waarvan de erfelijkheid afhangt”, zo vertelde hij me, daaraan toevoegend: „Natuurlijke selectie zorgt ervoor dat de beter geschikten overblijven, zodat er na verloop van een groot aantal generaties aldus nieuwe soorten zijn geëvolueerd.”

„Alleen”, zo antwoordde ik, „mutaties zijn blind, afhankelijk van het toeval, en veroorzaken dan ook slechts toevallige veranderingen in het genetisch materiaal. Kunnen zulke ongerichte veranderingen verbeteringen aanbrengen in hoogst ingewikkelde lichamen van een verbazingwekkend fijn ontwerp?”

„Tja, dat is wel zo”, luidde zijn commentaar, „de meeste mutaties zijn inderdaad schadelijk, maar enkele zeldzame zijn nuttig.” Daarna gebruikte hij een voorbeeld dat hij in een evolutionistisch boek had aangetroffen: „Het is hetzelfde als wanneer je je auto met stenen begooid. De meeste keren richt je schade aan, maar de miljoenste steen kan de carburator net op de juiste plaats treffen en het mechanisme verbeteren. Dat is de manier waarop mutaties werken.”

Ik vroeg me af of ik graag met een miljoen stenen bekogeld zou willen worden om één twijfelachtige verbetering in mijn lichaam aan te brengen. Dus zei ik hem: „Maar tegen de tijd dat die miljoenste steen de carburator heeft verbeterd, hebben de 999.999 voorgaande exemplaren de radiator vernield, de accu gespleten, de bedrading losgeslagen, de bougies verpletterd, de ruiten versplinterd, de instrumenten op het dashbord vernield en de carrosserie verkreukeld.” En waarschijnlijk zal ook de carburator het bij de volgende miljoen stenen moeten ontgelden!

„Neen”, zo wierp hij tegen, „want daar zorgt nu de natuurlijke selectie voor. De exemplaren met schadelijke mutaties verdwijnen.”

„Evolutionisten zouden dat graag willen geloven”, antwoordde ik, „maar ze weten wel beter. De meeste mutaties zijn recessief (treden in het algemeen niet aan het licht) en hopen zich op in het genenreservoir. En herhaaldelijk gebeurt het dan dat ze zich bij toekomstige generaties openbaren om slechts het organisme te schaden of te doden. Het is deze opeenhoping van genetische schade die volgens veel geleerden de oorzaak is van degeneratie, veroudering en de dood. Ja, zij vrezen zelfs dat ze de mensheid uiteindelijk naar een biologische ’schemering’ zal voeren.”

„Hele bladzijden”, zo vervolgde ik, „worden soms in boeken gebruikt om alle erfelijke ziekten en misvormingen op te sommen die uiteindelijk te wijten zijn aan mutaties welke niet door natuurlijke selectie zijn weggewerkt. Noem maar op: suikerziekte, bloedarmoede, kleurenblindheid, doofstomheid, bloederziekte, albinisme, horrelvoet, hazelip, dwerggroei, groene staar, debiliteit. . .”

„Maar. . . ”

Ik onderbrak hem. „Voor je verder gaat, nog iets in verband met jouw auto-theorie.”

Niets nieuws; slechts variaties

Ik vervolgde: „Zelfs al nemen we aan dat de carburator door een toevallige steen te verbeteren is, dan wordt er door die steen toch nooit een nieuwe carburator gemaakt. Met het gooien van stenen verander je nooit een twee-cilinder-carburator in een vier-cilinder-exemplaar, of in een brandstofinjecteur. Mutaties kunnen wel wijzigingen brengen in het oude, maar niet iets nieuws scheppen. Nu wat heb je daarop te zeggen?”

„Doodeenvoudig, dat er voorbeelden zijn van goede mutaties. Je kunt de evolutie als het ware om je heen zien plaatsvinden.”

Hij gaf drie voorbeelden. Als eerste wees hij op de Metertorenkop, een mot waarvan twee variëteiten bestaan, een lichte en een donkere. Hij merkte op dat de donkere vorm van deze mot in industriesteden steeds meer voorkomt. De donkere mot is op met rook beslagen boomstammen voor vogels niet zo goed te zien. Als ander voorbeeld wees hij op bepaalde gemuteerde vliegen die ongevoelig zijn voor DDT en in leven blijven als alle andere vliegen sterven. En ten slotte maakte hij nog melding van enkele bacteriën waarvan mutanten bekend zijn die resistent blijken tegen antibiotica, en als weinige overlevenden de „vaders” worden van hele stammen resistente bacteriën.

De Metertorenkop komt echter niet alleen in steden meer en meer voor; zelfs in de vrije natuur is hij vaker te zien dan zijn witte soortgenoot, ook al zijn de bomen daar niet zwart van de industrie-rook. De donkere variëteit is eenvoudig harder en beter tegen de huidige levensomstandigheden bestand. Maar hij is nog steeds een mot.

En de gemuteerde vliegen en bacteriën? Ze blijven leven, dat is waar. Alleen: ze zijn niet zo vruchtbaar en blijven niet zo lang leven als hun soortgenoten zonder mutaties. De mutanten zijn in genetisch opzicht als het ware verminkte „wangedrochten”. Ze mogen dan over een bepaalde eigenaardigheid beschikken, maar in welke hoedanigheid zijn ze verbeterd? Is er een nieuwe soort van leven ontstaan?

Iemand die doof is heeft geen enkele hinder van het lawaai van een groot vliegveld, terwijl zijn normaal horende buurtgenoten het er niet uit kunnen houden en verhuizen. Iemand met een geamputeerde voet hoeft niet bang te zijn voor voetschimmel, terwijl normale mensen wat dat betreft voorzorgsmaatregelen moeten nemen. Toch beschikken de dove en de geamputeerde niet over een verbeterd organisme. En evenmin is dit het geval met de gemuteerde vliegen en bacteriën.

Bovendien neemt mijn vriend geen evolutie waar wanneer hij zulke mutaties ziet. Hij aanschouwt slechts variaties binnen een familie van levende organismen. Dat is ook alles wat de vrouw ziet, die zei in evolutie te geloven omdat ’ze het in haar tuin zag plaatsvinden’. En ook het hoofd van de Californische staatsadviescommissie inzake wetenschappelijk onderwijs ziet geen evolutie wanneer hij erover spreekt dat evolutie een feit is omdat ’men er dagelijks voorbeelden van ziet’.

Variaties beperkt

Het is onverantwoord om te stellen dat de kleurenvariatie van een mot bewijst dat de mens van de vis is afgestamd. Dit is opnieuw slordig evolutionair geredeneerd. Er is een constante variatie onder alle levensvormen. Die variaties brengen echter geen verandering in hetgeen die organismen zijn.

Zal de wilde roos ooit in een eik veranderen enkel omdat er zoveel verschillende rozevariëteiten bestaan? Neen, het blijft een roos.

Menselijke hoogspringers sprongen eens over een maximumhoogte van 1,80 meter, maar halen nu met gemak de 2,20 meter. Betekent dit echter dat de prestaties zo zullen stijgen dat toekomstige generaties zeven kilometer hoog zullen springen?

Hardlopers hebben hun looptechniek en conditie zo weten te verbeteren dat ze nu de mijl binnen de vier minuten kunnen lopen. Bewijst dat echter dat ze er op een goede dag minder dan vier seconden over zullen doen?

Niemand zou willen beweren dat dergelijke verbeteringen zich tot in het oneindige zullen kunnen voortzetten. En trouwens, welke verbeteringen atleten ook in hun prestaties zullen aanbrengen, het zullen altijd mensen blijven. Absurd is het eveneens om te denken dat vliegen die resistent zijn tegen vergif, zich zullen blijven veranderen tot ze op arenden zullen lijken. Evenmin zullen motten van kleur blijven veranderen tot het vliegende reptielen zijn geworden.

Er is aan alles een grens gesteld. Er is een grens aan de snelheid, er is een grens aan de kou, en als wij accepteren wat het fossielenverslag uitroept, dan is er ook een grens aan de variaties. Levensvormen variëren, maar blijven altijd binnen hun soort. Zij veranderen niet in iets anders.

Meer drogredenen

Een andere interessante conversatie ontspon zich na een voordracht die ik aan een universiteit bijwoonde. De voordracht handelde onder meer over de radiokoolstofdatering, en de hoogleraar die de voordracht hield, maakte melding van de lange tijd die de mens al op aarde was en verwees naar evolutie.

Toen de hoogleraar werd gevraagd wat de basis was van zijn geloof in de evolutie, zei hij: „Wel men kan schedels achter elkaar leggen, beginnend bij die van vissen en eindigend bij de mens, en dan kan men in de opeenvolgende schedels een treffende gelijkenis opmerken. Die gelijkenis kan nauwelijks toeval zijn, maar moet, integendeel, er een aanwijzing van vormen dat de een uit de ander is ontstaan.”

„Zijn ze dat werkelijk?” vroeg ik hem, aangezien mij dit een drogreden, een valse, misleidende opmerking, toescheen.

Hij keek verbaasd en scheen mijn vraag niet te begrijpen. Dus ging ik verder: „Zijn de dieren in deze reeks werkelijk in die volgorde geëvolueerd? Ik heb dit soort van schedelseries al in heel wat museums gezien, als bewijs voor de evolutie, ofschoon er meestal bij wordt opgemerkt dat dit niet de werkelijke volgorde is geweest.”

„O ja, dat is ook niet zo”, antwoordde de hoogleraar. „Dit is slechts een illustratie van de gelijkenis tussen verschillende groepen.”

Gelijkenis geen bewijs

Daarop vroeg ik hem: „Illustreert dit dan niet veeleer dat gelijkenis, in plaats van een bewijs voor de evolutie te vormen, in het geheel niet op afkomst hoeft te duiden?”

Hij glimlachte. Ik was zijn gast, en hij was een beminnelijke gastheer.

„Ik krijg het idee”, zo vervolgde ik, „dat evolutionisten zeer willekeurig te werk gaan. Zij gebruiken gelijkenis als bewijs voor evolutie wanneer dit in hun kraam te pas komt, maar verwerpen haar wanneer ze in de verkeerde richting duidt. De octopus bijvoorbeeld heeft een oog dat verbazingwekkend veel lijkt op het oog van een mens. Toch zal men geen enkele evolutionist horen zeggen dat een mens en een octopus aan elkaar verwant zijn.”

„En dat is nog maar één voorbeeld”, zo vervolgde ik. „Vissen en insekten staan absoluut los van elkaar, en toch zijn er soorten die dezelfde lichtgevende organen hebben. Niet aan elkaar verwante zeeprikken, muggen en bloedzuigers beschikken over dezelfde anti-stolstof om het bloed van hun slachtoffers vloeibaar te houden. Niet aan elkaar verwante vleermuizen en dolfijnen hebben een zelfde soort van sonarsysteem. Niet-verwante vissen en insekten hebben dezelfde soort van ’twee-helftige’ ogen om zowel boven als onder water te kunnen zien”.

„Ja”, zo ging ik verder, „niet-verwante organismen hebben tal van functies en instincten gemeen als we denken aan winterslaap, trekgewoonten, zich dood houden, giftige stekels of tanden, en straalvoortstuwing. Als we de evolutie zouden moeten geloven, zijn deze verbazingwekkende verschijnselen — zo onwaarschijnlijk als het al is dat ze eenmaal door blind toeval zijn ontstaan — vele malen door onafhankelijke, blinde en toevallige mutaties bij tal van niet-verwante diersoorten gaan optreden. De kans dat dit eenmaal is gebeurd, is reeds onnoemlijk klein. Maar evolutionisten trekken zich daar niets van aan en beweren rustig dat deze eigenschappen steeds maar opnieuw bij toeval ontstaan zijn. Bij wiskundigen moet je met zulke kansschattingen niet aankomen!”

„U bent een heethoofd”, zei de professor, en we schoten beiden in de lach.

„Ik vind het niet erg om evolutie als een theorie te bespreken”, antwoordde ik. „Wat me evenwel ergert is dat evolutionaire dogmatisme, die arrogante en autoritaire onderdrukking van andermans mening; anderen afschilderen als onwetend wanneer ze niet voor zoete koek opeten wat de evolutionisten zeggen.”

„Ook geleerden zijn mensen”, was zijn antwoord. „Zij hebben hun eigen uitleggingen, en gaan vaak verder dan waar de feiten reden toe geven.”

Geen ware wetenschap, maar „science fiction”

Zijn woorden deden mij denken aan een onthullende opmerking van Dunn en Dobzhansky in het boek Heredity, Race and Society („Erfelijkheid, ras en maatschappij”), waarin zij toegaven: „Geleerden kunnen vaak net als alle andere mensen geen weerstand bieden aan de verleiding om een bepaalde zienswijze koste wat het wil te bewijzen, of bepaalde vooropgezette ideeën kracht bij te zetten.”

Sullivan vertelt in het boek The Limitations of Science („De grenzen van de wetenschap”) dat geleerden niet „onveranderlijk de waarheid vertellen, of ook maar proberen te vertellen, zelfs niet ten aanzien van hun eigen wetenschap. Er is van hen bekend dat zij hebben gelogen, maar dat deden ze dan niet om hun wetenschap te dienen, doch in de meeste gevallen omwille van [hun eigen] religieuze of anti-religieuze vooroordelen.”

Evolutionisten hebben ook de handigheid ontwikkeld om knellende problemen snel met luchtige veronderstellingen en speculaties van de tafel te vegen. Zonder bewijs gaat de ene ingewikkelde levensvorm in de andere over; zogenaamde feiten worden opgedist in de stijl van een sprookjesverteller.

Met een paar losse bewegingen van de pen verandert weer een schub in een veer of een haar. Een vin wordt een poot, die dan soms bij een slang weer verdwijnt, maar dan bij een vogel in een vleugel verandert, of zich wijzigt tot de hoef van een paard, de klauw van een kat, de hand van een mens. Zulke „verklaringen” zijn „science fiction” op z’n best.

Stikstof-houdende afvalstoffen — bij de vissen als ammoniak afgescheiden — vinden als ureum hun weg uit het lichaam van amfibieën, veranderen dan bij reptielen in urinezuur, en worden bij de zoogdieren weer ureum. Bij de zoogdieren zouden het de oorspronkelijke zweetklieren zijn geweest die zich tot melk-producerende borsten hebben ontwikkeld, terwijl deze dieren ook meteen levende jongen gingen baren die weer door een andere toevallige samenloop van mutaties de instinctieve wijsheid kregen om aan die borsten te gaan zuigen!

Soms had ik wel eens het idee dat zulke verklaringen niet in alle ernst waren gemeend. Men maakt een grapje, zo dacht ik. Maar nee, men was doodernstig! Er werden geen grapjes gemaakt! Men aanvaardde „science fiction” als ware wetenschap.

Het wekt dan ook weinig verwondering dat evolutionaire boeken vol staan met ’zou-kunnen-zijns’, ’misschiens’ en ’waarschijnlijks’, die na een poosje en maar veel herhaling veranderen in ’ongetwijfelds’ en ’moet-zijn-geweests’. Mogelijkheden worden waarschijnlijkheden en veranderen daarna in zekerheden. Veronderstellingen evolueren tot dogma’s. Gissingen worden conclusies en hoogdravende taal moet de „bewijzen” leveren.

Dit alles is een verraad aan de echte wetenschappelijke methode. Maar men bereikt met deze hersenspoeling wel resultaten: aan de ene kant een blind geloof in de evolutie, en aan de andere kant een arrogante autoritaire houding die men wel nodig heeft om staande te houden wat niet te bewijzen valt. Overweldigende verklaringen worden gehanteerd als een stok om de ongelovigen te slaan, en misschien ook om de priesters van het evolutiegeloof zelf, de bevorderaars ervan, gerust te stellen.

Dergelijke „science fiction” is echter niet geruststellend voor veel ouders die hun kinderen onderwijzen in de schepping, en hen dan naar een school moeten laten gaan waar de onderwijzer evolutie leert. Eén ding is zeker: Iemand liegt!

Als op school de evolutie slechts als een theorie werd onderwezen, en schepping als een andere wetenschappelijke mogelijkheid dan zou dit in de geest van het kind geen onoverkomelijke problemen scheppen. Evolutionisten strijden echter met hand en tand tegen de invoering van elk idee dat in strijd is met het hunne. Op het eerste gezicht eerlijke, ruim-denkende geleerden, docenten en evolutionisten trachten denkbeelden te onderdrukken die in strijd zijn met hun eigen vooropgezette ideeën. Drongen ze eerst aan op het recht van evolutie-onderwijs, thans trachten zij elk ander onderwijs buiten te sluiten.

Evolutionisten weigeren tevens een voor hen toch wel duidelijk en netelig vraagstuk onder de ogen te zien: Terwijl evolutie geen sluitende verklaring kan bieden voor de plotselinge verschijning van ingewikkelde levensvormen, komt speciale schepping nauwkeurig met dit verslag overeen. Toch is dit laatste, speciale schepping, voor de evolutionisten emotioneel onaanvaardbaar. Zij kunnen eenvoudig het idee niet pruimen dat ze misschien ongelijk zouden hebben, dat er toch een Schepper zou zijn, een Macht hoger dan hun eigen brein, Hij die het leven naar Zijn wijze heeft voortgebracht.

Dus in plaats van eerlijk te zijn, trachten de evolutionisten het te doen voorkomen alsof het fossielenverslag onvolledig is. Zij nemen hun toevlucht tot verdachtmakingen en dure woorden ten aanzien van degenen die hun verhaaltjes niet voor zoete koek opeten, hen vergelijkend met mensen die geloven dat ooievaars de baby’s brengen. Als een religieuze kaste uit de „donkere middeleeuwen” verklaren zij ex kathedra (zonder tegenspraak te dulden) dat evolutie een feit is, dreigend met excommunicatie tot de donkere duisternis der onwetendheid, al degenen die hun geloof niet zonder tegenspraak aanvaarden.

Evolutie is voor haar ondersteuners een heilige koe. Maar heilige koeien hebben de eigenschap bij het voortschrijden van de waarheid een weinig zachte dood te sterven. Als een hamer zal de waarheid uiteindelijk de altaren verpulveren waar valse ideeën in heilige schrijnen bewaard worden. — Ingezonden.

[Illustratie op blz. 21]

Wat de oorsprong van de apen betreft, evolutionisten zeggen dat het fossielenverslag ten aanzien daarvan „hopeloos onvolledig” is

[Illustratie op blz. 24]

Evolutionisten vergelijken het effect van mutaties met de uitwerking die het heeft wanneer u uw auto met stenen zou bekogelen; de miljoenste steen treft misschien de carburator en verbetert de werking daarvan

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen