Rechtbanken zeggen Wachttorengenootschap ’uitsluitend religieus’
VIER rechterlijke uitspraken, gedaan in de Amerikaanse staat New York, hebben opnieuw duidelijk bevestigd dat het Watchtower Bible and Tract Society („Wachttoren-, Bijbel- en Traktaatgenootschap”) een ’uitsluitend religieus’ genootschap is en derhalve vrijgesteld van grondbelasting op de gebouwen die het bezit en die worden gebruikt voor het verwezenlijken van de religieuze doelstellingen van dit genootschap.
Op 11 juli 1974 bevestigden vijf rechters van het State Court of Appeals van de staat New York unaniem (5-0) de reeds eerder gedane uitspraken van lagere rechtbanken, dat de Genootschapseigendommen in Brooklyn en Queens dienden te worden afgevoerd van het register der grondbelastingen van de stad New York. In de geschreven uitspraak, van de hand van rechter Hugh Jones, verklaarde het Court of Appeals dat het Genootschap „uitsluitend voor religieuze doeleinden wordt georganiseerd en geleid”.
Eén week later deed rechter D. C. Pitt van het Supreme Court van de staat New York een soortgelijke uitspraak. Hij verklaarde dat het Wallkill Central School District geen grondbelasting meer kon heffen op de boerderij- en drukkerijgebouwen van het Genootschap, op ongeveer 160 kilometer ten noorden van de stad New York. „Het is duidelijk”, zo waren zijn woorden, „dat de activiteiten van de adressant [het Wachttorengenootschap] religieus van aard genoemd dienen te worden.”
Overeenkomstige uitspraken waren echter al tientallen jaren terug door rechtbanken gedaan. Waarom dan deze zaak opnieuw behandeld? En waarom was het voor de stad New York nodig om de zaak helemaal voor de hoogste rechterlijke instantie van de staat New York, voor het State Court of Appeals, te brengen?
Aanleiding tot de rechterlijke actie
Oorzaak hiervan was voornamelijk de machtigingswet die in 1971 in de staat New York werd aangenomen. In de Wet op de Grondbelasting van de staat New York werd een wijziging aangebracht, hierop neerkomend dat plaatselijke autoriteiten de bevoegdheid kregen naar believen een eind te maken aan de vrijstelling van grondbelasting die voordien had gegolden voor alle organisaties zonder winstgevend doel. Slechts de eigendommen van genootschappen of stichtingen van uitsluitend religieuze aard zouden van belasting ontheven blijven. Eigendommen van genootschappen of organisaties uitsluitend gewijd aan „bijbel-, traktaat-, zendings- en liefdadigheidswerk” of soortgelijke activiteiten zouden wel belast worden indien de autoriteiten dat nodig zouden achten.
Dienovereenkomstig bracht de gemeenteraad van de stad New York nog in juni van datzelfde jaar een verandering aan in de belastingwetgeving van de stad, om het aantal vrijstellingen van grondbelasting te beperken. Op 1 november lichtte de belastingcommissie van de stad New York het Wachttorengenootschap erover in dat de eigendommen van het Genootschap met ingang van 1 januari 1972 weer als belastbaar te boek zouden komen te staan. Ter ondersteuning van deze maatregel betoogde de commissie dat het Genootschap niet uitsluitend religieus van aard was en dat de bezittingen ervan op grondgebied van de stad New York niet voor religieuze doeleinden werden gebruikt.
Het Genootschap bestempelde deze maatregel als eigenmachtig en ondernam de tijdrovende taak om de fout op administratief niveau hersteld te krijgen. Een uitgebreid memorandum waarin de aard van het Genootschap als uitsluitend religieus werd uiteengezet, werd verstuurd en men had gesprekken met de belastingcommissie. Doch niets hielp. Van administratieve kant was geen opheffing te verwachten. Derhalve spande het Genootschap een geding aan tegen de stad.
Als eerste werd de stad door het Supreme Court van de staat New York in het ongelijk gesteld; de eigendommen van het Genootschap dienden niet in het belastingregister voor te komen. De stad bracht toen de zaak voor de afdeling „Hoger Beroep”, de Appellate Division, en verloor opnieuw. De Belastingcommissie mocht echter ook nog een beroep doen op het Court of Appeals van de staat New York. En kreeg daar voor de derde maal nul op het rekest. Rechter Jones merkte terecht op: „De woorden op zich die in de genootschapsnaam voorkomen [dat wil zeggen: Wachttoren-, Bijbel- en Traktaatgenootschap], verhinderen niet om nog verder te informeren naar de doelstellingen op basis waarvan dit genootschap opgericht en werkzaam is. Het is georganiseerd . . . voor religieuze doeleinden.”
De stad kon niet verder in hoger beroep gaan. Ze moest alle reeds geheven belastinggelden aan het Genootschap terugbetalen, alsmede de rente en alle kosten.
Iets hoger in de staat kwam, zoals we reeds hebben opgemerkt, rechter Pitt tot een overeenkomstig besluit betreffende de boerderijen van het Wachttorengenootschap. Ook deze zaak was enige tijd hangende. Het Wallkill Central School District tekende echter niet onmiddellijk beroep aan bij een hogere instantie, en heeft dat tot het moment van schrijven ook nog niet gedaan.
De wijsheid van de besluiten
Voor hen die bekend zijn met het werk van Jehovah’s getuigen, kwamen deze uitspraken natuurlijk niet als een verrassing. Zij wisten reeds dat het werk van de Getuigen religieus van aard is.
Ruim twee miljoen van hen komen geregeld over de gehele aarde in hun Koninkrijkszalen bijeen. Daar wijden zij een zorgvuldig onderzoek aan de bijbel en het allernieuwste wat er op gebied van bijbelwetenschap bekend is, lerend hoe zij bijbelse beginselen in hun dagelijkse leven kunnen toepassen. De nadruk wordt gelegd op ’de vorm van aanbidding die rein en onbesmet is’ en God behaagt. — Jak. 1:27.
Oplettende mensen weten ook dat de Getuigen vol vreugde in meer dan 200 landen bij anderen op bezoek gaan om hun de goede dingen te tonen die zij uit de bijbel hebben geleerd. Maar gezien het feit dat veel mensen het tegenwoordig erg druk hebben, laten zij miljoenen stuks lectuur achter in de vorm van boeken en tijdschriften, opdat de huisbewoners deze op een hun geschikte tijd kunnen lezen. Deze gedrukte boodschap, in feite niets anders dan een uitbreiding van de mondelinge prediking, moedigt eveneens aan tot een goede moraal, tot eerlijkheid en behalve dat tot optimisme ten aanzien van de toekomst. Al dit werk is religieus van aard.
Dat was trouwens reeds daarvoor erkend door het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten. In de uitspraak van dit Hof betreffende de zaak Murdock vs. Pennsylvania, aangehaald door het Court of Appeals van de staat New York, stond:
„De handverspreiding van religieuze traktaten is een eeuwenoude vorm van evangeliseren — zo oud als de geschiedenis van de drukpers . . . Deze vorm van religieuze activiteit geniet krachtens het Eerste Amendement op de grondwet dezelfde hoge achting als de aanbidding die in de kerken wordt beoefend en het gepredikte woord van de kansels. Het heeft hetzelfde recht op bescherming als de meer orthodoxe en gewone manieren van godsdienst belijden.”
Maar hoe komen de Getuigen aan de „religieuze traktaten” waarmee zij hun werk verrichten en die zij op de vergaderingen in hun Koninkrijkszalen gebruiken? In de Verenigde Staten wordt het merendeel ervan verschaft door de drukkerijen van het Genootschap in Brooklyn (New York) en Wallkill. Daar werken bedienaren van het evangelie — wetenschapsmensen, schrijvers, drukkers, technici en specialisten in tal van andere beroepen — op vrijwillige basis samen om religieuze lectuur te vervaardigen. Zij ontvangen van het Genootschap in ruil daarvoor kleding en huisvesting, voor welk doel het Genootschap onder meer beschikt over een boerderij om zo economisch mogelijk in het benodigde voedsel te voorzien. Er is een wasserij en een huishoud-afdeling om voor de woonvertrekken te zorgen. Al dit werk is slechts van één aard — religieus.
Het bestuderen van bijbelse lectuur in Koninkrijkszalen is, zoals we hebben gezien, religieuze activiteit. Deze zelfde lectuur bij de huizen van andere mensen afgeven, is . . . religieuze activiteit. Is dan de vervaardiging ervan door vrijwillige werkkrachten geen religieuze activiteit? De rechtbanken hebben met Ja geantwoord.
Deze wijze beslissing vormde overigens slechts een wettelijke bevestiging van iets wat snel en overal door eerlijke mensen wordt waargenomen: het Wachttorengenootschap is ’uitsluitend religieus’.