Mijn leven als chirurg
HET vak van chirurg dat ik heb gekozen, is een van de oudste menselijke beroepen. Oude Egyptische en Babylonische verslagen spreken over chirurgische ingrepen die al meer dan vierduizend jaar geleden werden verricht. En bepaalde archeologische vondsten duiden op een nog hogere ouderdom.
Ik houd het er persoonlijk altijd graag op dat de chirurgie in feite zo oud is als de mens zelf, omdat in de bijbel in Genesis 2:21, 22 staat: „Daarom deed Jehovah God een diepe slaap op de mens vallen, en terwijl hij sliep, nam hij een van zijn ribben en sloot toen het vlees over die plaats toe. Daarna bouwde Jehovah God die rib die hij uit de mens had genomen tot een vrouw en bracht haar tot de mens.” Opmerkelijk is dat God Adam alvorens hem te opereren onder ’narcose’ lijkt te hebben gebracht en naderhand de wond ’hechtte’. Maar ook voor de eerste door de mens verrichte (kleine) operatie moeten we toch al minstens teruggaan naar de tijd van Abraham. Op Gods bevel liet hij zichzelf en alle mannelijke leden van zijn huisgezin besnijden. — Gen. 17:10-14, 22-27.
Een vooraanstaande Amerikaanse hoogleraar in de chirurgie verklaarde eens: „De chirurgische opleiding is het zwaarst en veeleisendst van alle vakken of beroepen, terwijl de verantwoordelijkheden het grootst zijn.” Hoe ik er dan toch toe kwam dit vak te kiezen? Wel, mijn jeugd is daaraan niet vreemd geweest, evenmin als het besef dat dit werk even voldoeninggevend als uitdagend beloofde te worden.
Mijn vader was plattelandsarts en woonde in een klein dorpje in de Amerikaanse staat Oklahoma, waar hij tot op vele kilometers in de omtrek voor de medische behoeften van boeren en andere omwonenden zorg droeg. Ons gezin telde vijf jongens, van wie ik de oudste was.
De eerste jaren van zijn praktijk legde mijn vader met paard en rijtuigje bezoeken bij zijn patiënten af. Na verloop van tijd maakten deze plaats voor een T-Ford, waarin ik hem vaak vergezelde. Maar stilzitten was er voor mij niet bij. Al voor mijn twaalfde jaar was ik zijn part-time chauffeur en als het uitkwam ook zijn medische assistent.
Met het verstrijken der jaren groeide mijn bekwaamheid en kon ik mijn vader in die tijd van keukentafel-operaties steeds beter helpen. Eén geval staat me nog levendig voor de geest. Een boer was door zijn muilezel tegen het hoofd geschopt en bijna gescalpeerd. Hij werd onder een boom geopereerd door mijn vader, met mij als gefascineerd toekijkende assistent. Wanneer zo af en toe een patiënt onder narcose gebracht moest worden, kreeg ik de taak hem wat chloroform te laten snuiven terwijl vader de operatie verrichtte. Thans zijn er heel wat betere narcosemiddelen en zullen ook nog maar zelden operaties onder een boom worden verricht.
Hoe ik chirurg werd
Na het verlaten van de middelbare school ging ik naar de universiteit waar ik — naar het mij leek vanzelfsprekend — koos voor een loopbaan als arts. Mijn vader had mij er nooit toe aangespoord hetzelfde beroep als hij te gaan uitoefenen, maar dat was ook niet nodig. Zijn voorbeeld, vriendelijkheid, meedogende goedheid en hulpvaardigheid, en niet te vergeten het grote respect dat hij alom genoot, hadden bij mij het verlangen gewekt eveneens arts te worden.
Ik begon met een tweejarige voorbereidende basisopleiding aan de universiteit van Oklahoma en volgde toen de vierjarige studie aan de medische faculteit van diezelfde universiteit. Het onder de knie krijgen van onderwerpen als anatomie, fysiologie, biochemie en histologie kostte me menige zweetdruppel, maar ik genoot van hetgeen ik leerde. Halverwege de opleiding ontving ik mijn baccalaureaat en mocht nu als kandidaat in de medicijnen ervaring op gaan doen in het ziekenhuis en bij het leiden van bevallingen aan huis van vrouwen die te arm waren om de opname in een ziekenhuis te bekostigen.
Jeugdige baldadigheid overvleugelde soms de ernst van de medische studie. Na een thuisbevalling hoorde de jonge moeder mij en een andere student tegenover elkaar het woord „placenta” gebruiken. Ze vond het zo aardig klinken dat ze het als naam opperde voor haar pasgeboren dochtertje. Zonder haar verder enige uitleg te geven, vulden wij het officiële geboorteformulier in. Maar het duurde niet lang of we moesten bij de autoriteiten en onze hoogleraren „op het matje komen”. We waren verplicht de moeder onze verontschuldiging te gaan aanbieden en haar te helpen bij het bedenken van een betere naam dan „Placenta”.
Na te zijn afgestudeerd ging ik één jaar stage lopen in het stadsziekenhuis van Baltimore. Tijdens dat jaar beoefende ik het ene medische specialisme na het andere, verruilde de algemene geneeskunde voor de kindergeneeskunde, de chirurgie, de verloskunde, de gynaecologie en de psychiatrie. De praktijkervaring die ik op al die terreinen opdeed, verschafte me van elk een goed beeld. Aan het eind van het jaar viel mijn keus op de chirurgie — dat scheen mij het interessantst en uitdagendst toe. Vandaar ging ik naar het ziekenhuis van een klein plaatsje in de staat Tennessee om mijn chirurgische opleiding voort te zetten maar kwam kort daarna met tuberculose op bed te liggen. Waarschijnlijk was ik besmet door tuberculosepatiënten die ik in Baltimore had behandeld. Dit verplichtte mij tot een verblijf van enkele maanden in een sanatorium en tot enkele maanden kuren thuis in Oklahoma, tot ik na ongeveer een jaar weer hersteld was.
Daarna werd ik in Santa Barbara in het Californische districtsziekenhuis aangenomen als inwonend chirurg. Na ongeveer een jaar voegde ik me als chirurg bij een groep van vierentwintig artsen die een privé-praktijk uitoefenden en met wie ik verbonden bleef tot ik twee jaar verlof nam om een verdere opleiding te ontvangen bij professor Owen H. Wangensteen, een van Amerika’s belangrijkste chirurgen, die verbonden was aan de universiteitsklinieken van Minnesota. Ten slotte, na veertien jaar studie en oefening aan medische faculteiten, in ziekenhuizen en in de praktijk, had ik mijn doel verwezenlijkt: ik was een volleerd chirurg.
Toen gebeurde er echter iets dat zowel mijn kijk op het leven als mij medische toekomst zou veranderen. In nauw verband hiermee stond het onderwerp bloedtransfusie en de gewetenszaak die Jehovah’s getuigen van de toepassing ervan maken.
De bloedtransfusiekwestie
Niet alleen als arts oefende mijn vader een grote invloed op mijn jonge leven uit, ook als gelovig mens — mijn beide ouders waren namelijk tevens getuigen van Jehovah — de enigen mijlen in de omtrek. Respect voor de bijbel werd mij van jongsaf bijgebracht, maar veel begrip had ik er niet van. Hetgeen ongetwijfeld ten dele te wijten was aan het feit dat mijn vader zo druk was met zijn medische praktijk. Ook aan een gezinsbijbelstudie-regeling waarop Jehovah’s getuigen thans veel de nadruk leggen, werd toen nog niet zoveel aandacht geschonken als nu. Zo verliet ik mijn ouderlijk huis: een jongen van het platteland, vastbesloten dokter te worden en sterk beïnvloed door bijbelse beginselen waarvan hij pas jaren later de werkelijke betekenis en draagwijdte zou beseffen.
In de jaren die ik aan de medische faculteit doorbracht, zag ik mijn eerste bloedtransfusies — primitieve donor-patiënt-pogingen, heroïsch van aard maar meestal weinig succesvol. De Tweede Wereldoorlog echter, een strijd waarbij ontzaglijke hoeveelheden bloed vloeiden, gaf de ontwikkeling van de transfusietechniek een grote stimulans. Het was diezelfde oorlog die veel artsen van mijn leeftijd onder de wapens bracht. Ik gaf mij vrijwillig op om als chirurg in het leger te dienen, maar werd afgewezen omdat ik tuberculose had gehad. Later trachtte ik bij de marine te komen door niet mijn ziekterapport te overleggen, maar op de een of andere wijze kregen ze daar toch inzage in, zodat ik ook bij de marine werd afgewezen. Dus was ik verplicht burgerchirurg te blijven.
Tot de dood van mijn vader in 1950, was mijn carrière als chirurg het belangrijkste in mijn leven. Maar zijn dood en de begrafenistoespraak die ik daarna bijwoonde, gaven mij zo’n schok dat ik ernstig over religie begon na te denken.
Het had mij altijd ietwat verbijsterd dat mijn ouders om hun geloof waren bespot. Ik had hen altijd bewonderd om de wijze waarop zij voor hun overtuiging uitkwamen, hoewel ik daar weinig meer aan had gedacht toen ik eenmaal uit huis was. Nu, bij het horen van bijbelse waarheden over het leven en de dood en Gods koninkrijk als de hoop voor de toekomst, kwamen weer oude kinderherinneringen boven. Wegens zijn geloof in deze dingen was mijn vader door veel van zijn oude vrienden voor een religieus fanaticus gehouden, terwijl sommigen hem zelfs gek hadden verklaard. Maar ik kende hem als een intelligent, ontwikkeld man, artistiek en gevoelig voor de behoeften van anderen. Hij was niet iemand die zonder studie en onderzoek ideeën zou accepteren. Zijn oordeel over iets was altijd weldoordacht. Daarnaast bezat hij een angstvallige eerlijkheid. Ik kon me hem onmogelijk voorstellen als iemand die zijn leven zou verpanden aan iets waardeloos. Hij was geen religieuze huichelaar geweest. Ik voelde in mij het diepe verlangen opkomen zijn ideeën over God en diens voornemen met de mensheid aan een nader onderzoek te onderwerpen.
Voor de eerste maal in mijn leven begon ik ernstig de bijbel te bestuderen, voornamelijk omdat mijn vader zoveel vertrouwen in dit boek had gesteld. In een maand tijd las ik hem door, te zamen met alle Wachttoren-publikaties die ik kon bemachtigen. Dat leverde mij het overtuigende bewijs dat de bijbel Gods waarheid is en dat mijn vader, als een van Jehovah’s getuigen, er een juist begrip van had gehad. Ik wist dat ik nu iets zou moeten doen. In 1950, tijdens het congres van Jehovah’s getuigen in het Yankee-stadion, symboliseerde ik derhalve door middel van de doop mijn opdracht om voortaan Gods wil te doen. Twee van mijn broers, die door dezelfde begrafenislezing eveneens tot een ernstig onderzoek van de bijbel waren gebracht, werden met mij gedoopt.
Overtuigd van de waarheidsgetrouwheid van de bijbel, aanvaardde ik onmiddellijk alles wat erin stond over de heiligheid van bloed, al had ik ook zelf een actief aandeel gehad aan het toedienen van honderden bloedtransfusies en had ik de talrijke technische verfijningen die in de methode waren aangebracht op de voet gevolgd. ’Zich onthouden van bloed’ stelde mij nu voor een wezenlijk groot probleem (Hand. 15:20, 29). Ik had een voortreffelijk contact met de medische staf van het ziekenhuis in Santa Barbara en koesterde de verwachting op zekere dag hoofd van de chirurgische afdeling te worden. Alleen, in die dagen was een „goede” medische behandeling en operatie niet compleet zonder gebruik van bloed. De bijbel veroordeelde dit echter als iets dat in Gods ogen verwerpelijk was. Als ik mij aan mijn opdracht wilde houden om in alles Gods wil te doen, stond mij geen andere keus open: ik nam ontslag.
Maar hoe nu verder? Ik had een vrouw en twee kleine kinderen om voor te zorgen. En was dat maar alles. Ik moest ook nog bepaalde schulden afbetalen die ik tijdens mijn opleiding had gemaakt. Ik begon derhalve om te zien naar een plaatsje waar dringend behoefte aan een arts bestond, terwijl als bijkomende gedachte de vraag bij me opkwam of ik mijn bekwaamheid als chirurg niet zou kunnen gebruiken om Getuigen te helpen aan wie elders een operatie was geweigerd omdat ze geen bloedtransfusie toegediend hadden willen krijgen.
Spoedig hoorde ik van de kleine houtvestersgemeenschap Loyalton in Noord-Californië. Daar was door de regering een nieuw, goed geoutilleerd ziekenhuis met vijftien bedden gebouwd, alleen een arts ontbrak. Er was in die landstreek trouwens heel dringend behoefte aan een medicus, want in de verre omtrek woonde er geen een. Tegen die tijd was ik er al aan gewend als een medisch-religieuze zonderling beschouwd te worden, maar ging van het standpunt uit dat een gemeenschap die zo hoognodig een arts behoefde, me wel zou accepteren. En dat gebeurde ook.
Ongeveer vier jaar oefende ik daar de algemene geneeskunde en de chirurgie uit, onderwijl heel wat praktische ervaring als van-huis-tot-huisprediker opdoend. Mijn buren konden na enige tijd al precies zien wat ik aan het doen was aan het soort van tas dat ik droeg. Mijn gezin en ik genoten van het leven daar en vonden een aantal mensen die belangstelling hadden om op geregelde basis met ons de bijbel te bestuderen. Bij één gelegenheid werden er zeven van hen gelijktijdig gedoopt.
De boodschap die Jehovah’s getuigen predikten, was voor de kleine dorpjes in dat geïsoleerde gebied nieuw en we maakten in onze bediening vele interessante ervaringen mee. Eens ontwaakte een bekende ingezetene, die ik zojuist had geopereerd, uit haar narcose, luid verkondigend dat ze wist dat ze niet dood was omdat de doden ’niets weten’, en dat ze zelfs als ze zou sterven, niet in een vurige hel terecht zou komen, omdat de hel alleen maar het graf was. In haar halfverdoofde toestand verwees ze iedereen met vragen naar mij voor verdere uitleg. Enige tijd na haar herstel werd ook zij gedoopt.
Medische onverdraagzaamheid
Waarom ik Loyalton, waar het zo prettig toeven was, verliet? Wel, een reizende vertegenwoordiger van het Wachttorengenootschap vroeg mij of ik bereid was te gaan naar een plaats waar mijn diensten — dat wil zeggen, mijn diensten als presiderend opziener van een gemeente van Jehovah’s getuigen — meer nodig waren dan in Loyalton. Ik zei hem dat graag te willen doen en dat was de reden van onze verhuizing naar Lodi, in Californië.
Ik was daar echter nog maar nauwelijks zes maanden toen ik het met de artsen van die stad aan de stok kreeg over de bloedtransfusiekwestie. Een oudere Getuige van buiten de stad was voor hulp naar mij toegekomen. Hij was er ten gevolge van een buikgezwel ernstig aan toe en zou in twee fasen geopereerd moeten worden. Voor ik echter met de eenvoudige, eerste fase kon beginnen, stuitte ik op heftig verzet van de narcose-afdeling en vertegenwoordigers van de ziekenhuisstaf. Tenzij de patiënt bloed ontving, zo zei men mij, kon hij niet geopereerd worden. Mijn argument dat de patiënt op religieuze gronden een speciaal verzoek had ingediend geen bloedtransfusie toegediend te krijgen, vond dovemansoren. Aan het feit dat de operatie snel en met weinig risico was te verrichten, werd geen aandacht geschonken, evenmin aan de bereidheid van de betrokken patiënt zelf de volledige consequenties van zijn standpunt op zich te nemen. Hij moest het ziekenhuis uit.
Toen volgden er vergaderingen en verhoren, waar ik werd overstelpt door woedende uitlatingen van medici, directeuren en beheerders van het ziekenhuis. Geen enkele uitleg mocht baten. Zonder vorm van proces werd ik uit mijn ambt als chirurg ontslagen. Alle medische genootschappen, van provincie, staat en land, schorsten me als lid, zodat ik in geen enkel erkend ziekenhuis in de Verenigde Staten meer aangenomen kon worden.a
Dit was een schokkende ervaring voor iemand die tot dan toe het uitoefenen van de geneeskunst als een soort bewogen menslievendheid had gezien. Misschien waren mijn vroegere ervaringen en contacten te idealistisch geweest, wie zal het zeggen. In elk geval werd ik nu als een dwaas en moordenaar bestempeld. Waarbij ironisch genoeg zij die mij het meest hekelden, zogenaamde medische zendelingen waren geweest. Mijn speciale respect voor de arts als mens kreeg een geduchte knauw.
De afscheidswoorden die me werden toegevoegd, dienden nog slechts om me ervan in kennis te stellen dat de raad van directeuren tot het besluit was gekomen dat geen getuige van Jehovah, noch iemand anders die bloedtransfusie weigerde, meer van het ziekenhuis gebruik kon maken. Hoe onbarmhartig deze regel werd toegepast, mocht ik persoonlijk enkele weken later ervaren, toen mijn moeder ons kwam bezoeken en bij ons thuis een hartaanval kreeg. Het ziekenhuis weigerde haar op te nemen al was er in haar geval helemaal geen sprake van een noodzaak tot opereren of het toedienen van een bloedtransfusie. Ik moest haar derhalve naar een ander ziekenhuis in een andere stad brengen, waar men haar wel opnam. De volgende dag stierf ze.
De Getuige als patiënt
Opnieuw stond ik voor de vraag: Waar nu heen? Het duurde niet lang of ik hoorde van een klein privé-ziekenhuis in Stockton, op ongeveer twintig kilometer van Lodi, dat werd beheerd door ostheopaten. Ik had een onderhoud met hen, overlegde mijn bewijzen van vakbekwaamheid en lichtte hen in over mijn standpunt met betrekking tot bloedtransfusie. Ja, zeiden ze, ik mocht van hun ziekenhuis gebruik maken, want zij waren als ostheopaten niet gebonden aan de boycot van de medische genootschappen. Veertien jaar lang was ik daarna als chirurg aan dat ziekenhuis verbonden, jaren waarin het belangrijk werd uitgebreid. Vanaf die tijd kreeg ik steeds meer Getuigen als patiënt te behandelen aan wie door andere doktoren en ziekenhuizen hulp was ontzegd wegens hun christelijke standpunt ten aanzien van bloedtransfusie.
Al die jaren heb ik vanaf toen geen enkele bloedtransfusie meer toegediend, aan niemand. Voor zover ik weet heeft geen van mijn patiënten ten gevolge hiervan het leven verloren, al moesten ook velen uitgebreide en ingrijpende operaties ondergaan. Vooral voldoeninggevend was het in de praktijk de bewijzen te zien van de betrouwbaarheid van de bijbelse richtlijnen inzake bloed. De medische wetenschap is trouwens ook zelf langzamerhand tot het besef gekomen dat bloed geen onschuldige levenredder is. Het toedienen van een bloedtransfusie beziet men thans als een gevaarlijke therapie — even gewaagd als elke andere orgaantransplantatie. Medische tijdschriften publiceren thans meer over de risico’s dan voorheen over het heil ervan werd gemeld. Had ik het toedienen van bloed gedurende mijn afgelopen drieëntwintig praktijkjaren slechts als een routinehandeling gezien, dan hadden ongetwijfeld ook veel van mijn patiënten de schadelijke gevolgen ondervonden die, zoals men nu erkent, bloedtransfusies met zich kunnen brengen.
De Getuigen die mij in Stockton voor een operatie kwamen consulteren, dwongen voor het merendeel mijn grootste respect en bewondering af. Wegens hun christelijke geweten waren zij bereid hun eigen leven of dat van hen die zij liefhadden te riskeren. En de staf van het ziekenhuis had zeer met hen op. Zij stonden bekend als bescheiden mensen die goed meewerkten aan hun behandeling en altijd prettig waren in de omgang met andere patiënten en verpleegsters. Zij genoten op het laatst zelfs zo’n reputatie dat de administratie van het ziekenhuis het niet meer nodig oordeelde zich er eerst formeel van te vergewissen of ze de behandeling wel konden betalen alvorens hen op te nemen.
Overigens waren het niet alleen patiënten die daar getuigenis aflegden door hun voorbeeldige gedrag. Er was ook een plaatselijke vrouwelijke Getuige, de moeder van een huisgezin, die elke dag naar het ziekenhuis kwam om degenen te bezoeken die als Jehovah’s getuigen stonden ingeschreven. Haar bezoeken werden altijd bijzonder gewaardeerd aangezien de patiënten vaak van ver kwamen en geen ander bezoek hadden. Haar vriendelijkheid en de overdachte wijze waarop zij aan de verlangens en wensen van deze patiënten wist te voldoen lieten niet na grote indruk op het ziekenhuispersoneel te maken, vooral omdat men wist dat zij geen van hen persoonlijk kende.
Eén Getuige legde eens meer dan 1600 kilometer af om door mij een belangrijke operatie te laten verrichten. Zijn verpleegster was nieuwsgierig waarom hij van zover gekomen was. Kende hij de chirurg persoonlijk? Nee, dat niet. Had hij over diens reputatie gehoord? Ja, daar had hij over gehoord, maar de werkelijke reden waarom hij was gekomen, was dat deze chirurg dezelfde God Jehovah aanbad en diende als hij. Toen zij mij dit vertelde, moest de verpleegster erkennen dat het deze gemeenschappelijk geschonken dienst en aanbidding aan Jehovah was waaruit de nauwe verbondenheid van Jehovah’s getuigen moest worden verklaard.
Men blijft leren
Het Amerikaanse College van Chirurgen mag altijd met graagte verwijzen naar een veertiende-eeuwse beschrijving van hoe een chirurg hoort te zijn. De tekst ervan luidt als volgt:
„Een chirurg moet aan vier voorwaarden voldoen: Ten eerste moet hij geleerd zijn, ten tweede deskundig, ten derde vernuftig en ten vierde in staat zichzelf aan te passen.
De chirurg zij stoutmoedig bij al wat zeker en bevreesd bij al wat gevaarlijk is; hij vermijde alle verkeerde behandelingen en methoden. Hij zij hoffelijk jegens de zieken, begripvol jegens zijn assistenten, voorzichtig in zijn prognoses. Hij zij bescheiden, waardig, zachtaardig, bewogen en barmhartig — geen hebzuchtige noch liefhebber van geld; laat hij veeleer beloning ontvangen naar werken, in overeenstemming met de geldmiddelen van de patiënt, naar de aard van de behandeling en in overeenstemming met zijn eigen waardigheid.”
Het zal geen betoog behoeven dat een dergelijke hoge maatstaf om naar te streven, altijd ruimte voor verbetering laat; men zal moeten blijven leren. Er is een stroom van medische lectuur die moet worden doorgenomen — en soms zeer nauwkeurig moet worden bestudeerd — om up to date te blijven met de laatste vorderingen. Medische congressen en studiegroepen vormen eveneens een belangrijk onderdeel van een nooit eindigende studie. Iemands technische vaardigheid neemt voortdurend toe naarmate hij meer praktijkervaring opdoet — een drukke chirurg verricht soms wel verscheidene operaties per dag.
Succes te hebben bij iets wat men onderneemt, is stellig een lonende ervaring, en zeker geldt dit voor een dokter. Betrokken te zijn bij het herstel van een ernstig zieke patiënt schenkt veel voldoening. Men leert hiervan, evenals men leert van zijn fouten en vergissingen. Natuurlijk kan een chirurg niet lichtvaardig fouten maken, die kunnen bij hem kostbare gevolgen hebben. Maar hij moet ook eerlijk tegenover zichzelf zijn en beseffen dat fouten niet geheel en al vermeden kunnen worden. Zowel hij als zijn patiënten kunnen later van deze ernstig stemmende ervaringen voordeel trekken. Gelukkig is in onze moderne tijd het Wetboek van Hammoerabi niet meer van kracht, want dan zou geen enkele chirurg van zijn fouten kunnen leren — dan waren hem voor straf allang zijn handen afgesneden!
Een goed oordeelsvermogen kenmerkt de ware chirurg. Volgens een autobiografische best-seller over het leven van een chirurg maakt het doen van beslissingen of keuzen het belangrijkste onderdeel van het werk van een chirurg uit. Met al zijn toegewijde studie, zijn ervaring en technische bekwaamheid hoopt een chirurg zich hierin te verbeteren. Veel artsen leggen de nadruk op de behandeling van de „gehele mens”, in plaats van alleen aandacht te schenken aan een bepaald ziek gedeelte van het lichaam. Ook een succesvolle chirurg zal wat dit betreft waarschijnlijk iemand zijn die door schade en schande heeft geleerd zijn patiënten als persoon te bezien. Hij zal iemand zijn die niet alleen aandacht besteedt aan de zieke delen van het lichaam maar ook aan de gevoelens, de hoop en het geweten van de mens zelf. Men zou een ziekte doeltreffend kunnen behandelen — door een operatie of op andere wijze — maar terzelfder tijd iemands persoonlijkheid op onbezonnen wijze volkomen kunnen vernietigen door geen aandacht aan diens geweten te schenken. Een chirurg die zijn patiënt een door deze niet gewenste behandeling opdringt, voelt zich hiertoe misschien gerechtigd. Zijn superieure kennis in verband met de ziekte kan hem voorschrijven zo te handelen. Maar zijn onvermogen ook het geweten van de patiënt in acht te nemen, is een gebrek in zijn chirurg-zijn. Hij heeft niet de „gehele mens” behandeld.
Verrijking van de moderne chirurgie
Het is inderdaad opmerkelijk met welke reuzenschreden de chirurgie vooruit is gegaan! Verre van een medisch specialisme te zijn dat zich slechts bezighoudt met het verwijderen van zieke lichaamsdelen, heeft de vooruitgang zich voor een groot deel voltrokken op de terreinen van correctie en herstel. Men kan door geweld afgerukte lichaamsdelen weer aan het lichaam hechten, nieuwe gewrichten aanbrengen, en zowel aangeboren hart- als voetafwijkingen corrigeren. Nieuwe en verbeterde technieken beperken het bloedverlies. Bij tal van ingewikkelde en delicate chirurgische ingrepen wordt van de laserstraal gebruik gemaakt. Chirurgen zullen bovendien hoog opgeven van de bekwaamheid van hun medewerkers, de anesthesist onder andere, en de leden van hun operatieteam. Bekwame technici zijn thans betrokken bij de ontwikkeling van nieuwe instrumenten en uitrustingsstukken.
Momenteel wordt ook veel ophef gemaakt van de transplantatie van diverse organen — nieren, hart, longen en lever. Maar wat dit betreft moet ik altijd denken aan het commentaar dat mijn vader eens gaf. Ik was thuis van de medische faculteit en verrichtte een vasectomie (een doorsnijding en afbinding van de zaadcelleiders) bij een van zijn patiënten die had gevraagd gesteriliseerd te mogen worden. Ik was trots op mijn pasverworven bekwaamheid en vroeg mijn vader wat hij ervan vond. Hij antwoordde: „De patiënt is ongetwijfeld tevreden, maar ik vraag me af hoe de Schepper erover denkt.” Wegens datgene wat volgens mij de mening van de Schepper over orgaantransplantaties is, koester ook ik thans ernstige reserves ten aanzien van hun Schriftuurlijke juistheid.
Ja, we kunnen in de chirurgie de Schepper niet buiten beschouwing laten. Want al heeft Dr. A. Carrel in zijn boek De onbekende mens het zo terecht over de „buitengewoon ingenieuze en vermetele methoden” van de moderne chirurgie die „de meest ambitieuze verwachtingen van de geneesheren uit vroeger tijd heeft overtroffen”, blijft toch het feit bestaan dat zelfs „in de beste ziekenhuizen . . . het genezen van wonden bovenal afhangt van de doeltreffendheid van het aanpassingsmechanisme” van het lichaam. Met andere woorden, alles hangt af van de geneeskracht waarmee de Schepper het menselijk lichaam heeft toegerust.
Mijn activiteiten als christelijke bedienaar
Hoe opmerkelijk de verrichtingen van de moderne chirurgie ook mogen zijn, als christelijke bedienaar van het evangelie zowel als chirurg ben ik het volledig eens met de woorden van Jezus Christus dat geestelijke waarden boven materiële of lichamelijke waarden gesteld moeten worden (Matth. 16:26). Wat dat betekent? Wel, onder meer dat de christelijke bedienaar die mensen kan wijzen op de hoop van eeuwig leven, veel meer voor hen kan doen dan welke moderne chirurg maar ook, die hen op zijn best kan helpen enkele korte jaren langer te leven. Dat was ook de reden waarom ik jaren geleden geen moment aarzelde mijn zeer lonende praktijk in Santa Barbara op te geven. Daarnaast ben ik mij er terdege van bewust dat de dag spoedig zal aanbreken waarop het chirurgievak niet meer nodig zal zijn. Als ik nu opnieuw zou moeten beginnen, ging ik niet nogmaals de lange theoretische en praktische studie volgen die nodig is om een goede chirurg te worden. Ik zou mijn tijd voornamelijk aan de christelijke bediening gaan wijden.
Momenteel geniet ik een rijk en vol bestaan. Mijn twee volwassen en getrouwde kinderen verrichten thans eveneens dienst als christelijke bedienaren, de een als ouderling in een christelijke gemeente, de ander als zendeling in een ver land, terwijl mijn vrouw en ik nu full-time in de christelijke bediening werkzaam zijn als leden van het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap, waar wij medebedienaren en anderen zoveel als in ons vermogen ligt hulp bieden. Allemaal voorrechten die, dat moet ik zeggen, mij bijzonder gelukkig hebben gemaakt, zodat ik volmondig met de wijze Spreukendichter kan zeggen: „De zegen van Jehovah — díe maakt rijk, en hij voegt er geen smart bij.” — Spr. 10:22. — Ingezonden.
[Voetnoten]
a Twaalf jaar later kreeg ik, na tussentijds verscheidene malen te zijn afgewezen, de uitnodiging opnieuw een aanvraag in te dienen en werd toen weer volledig in mijn ambt als medicus hersteld.