Geesteszieken thuis verzorgen?
TIEN jaar waren zij gelukkig getrouwd geweest. De echtgenoot was verstandelijk prima in orde en was actief in de christelijke bediening. Tot het moment dat hij last begon te krijgen van geheugenstoornissen; tijdens het houden van een bijbellezing wist hij plotseling niets meer, en op zijn werk gebruikte hij bij het spuiten van een auto zonder het te weten verschillende kleuren door elkaar.
Allengs begon hij steeds minder te praten, en lange tijd was het enige wat hij zei: „Nee! Nee! Nee!” wel achtmaal achtereen. Daarna verviel hij in een volledig stilzwijgen. Lichamelijk was hij echter hyperactief. Van de morgen tot de avond rende hij door het huis en het was een probleem hem ’s avonds naar bed te krijgen. Vijf jaar later stierf hij.
Talrijk waren de specialisten die in die jaren werden geraadpleegd, maar allen zeiden dat zij niets konden doen om een ommekeer te brengen in de aftakeling. Een vooraanstaand Newyorks psychiater, die als diagnose stelde dat de man leed aan een „degeneratief voortschrijdende organische ziekte”, zei als laatste tot de vrouw van de patiënt: „Mag ik hierbij zeggen dat u een heel bijzonder iemand bent. De wijze waarop u zich opoffert in de zorg voor uw volkomen hulpeloze man, is ongewoon. Vele mensen hadden hun niet meer toerekeningsvatbare familielid allang in een inrichting gedaan.”
Waarom besloot deze vrouw thuis voor haar man te zorgen? Waarom besloot zij hem niet in een inrichting te laten opnemen? Wat men echter ook zou kunnen vragen, is: Móest zij hem nog laten opnemen toen de doktoren het erover eens waren dat geen enkele medische hulp meer zou baten, ook niet in een inrichting? „Het zou erop neerkomen dat je je liefste de deur uitgooide”, zo stelde zij het. „Je trouwt met elkaar om het leven te delen, zowel in voor- als tegenspoed, niet?” Zij bleef genegenheid voor hem tonen, want, om haar eigen woorden te gebruiken, „hij is precies een baby; je kunt met een baby geen verstandelijk gesprek voeren maar hij is wel gevoelig voor liefde, en precies zo is het gesteld met mijn John”.
Verzorging in instituut niet altijd een zegen
Zei deze Newyorkse „veteraan” in de psychiatrie dat het dwaas was van de vrouw om thuis voor haar totaal hulpeloze man te zorgen? Neen, integendeel, hij prees haar als „een heel bijzonder iemand”. Het is niet denkbeeldig dat hij deze uitlating deed tegen het achtergrondbesef dat de verzorging van zulke geestelijk gestoorden in inrichtingen vaak veel te wensen overlaat.
Op dit verschijnsel werden onlangs in de V.S. de schijnwerpers gericht naar aanleiding van een experiment waarbij acht goed onderlegde personen als geesteszieken figureerden. Zij vroegen te worden toegelaten tot in totaal twaalf verschillende inrichtingen in diverse delen van de V.S. Wat waren hun bevindingen? De universiteits-psycholoog die het experiment organiseerde en zelf ook een van de proefnemers was, berichtte dat hun ontdekkingen „een blamage waren voor het inrichtingenstelsel”. Zo werden, om een voorbeeld te noemen, vier van deze pseudo-patiënten (die allen een dagboek bijhielden) drie van de vier keer dat zij met medici van de vaste staf of het verplegend personeel trachtten te spreken, genegeerd of geringschattend bejegend.
Een van de conclusies waartoe deze onderzoekers onder meer kwamen was dat „de gevolgen voor de patiënt die in zulk een omgeving wordt verpleegd — het gevoel van machteloosheid, de ontpersoonlijking, de afzondering en de bittere vernedering — een niet te ontkennen anti-therapeutische werking lijken te hebben”, dat wil zeggen, de toestand van de patiënt eerder verergeren dan verbeteren. — Medical World News, 9 februari 1973.
In een artikel in Mental Hygiene van januari 1969, dat getiteld was: „Het ontstaan van chronische schizofrenie”, legden twee psychologen een gelijkluidende verklaring af. Zij beschreven welk een schadelijke uitwerking geesteszieke patiënten vaak ondervinden van de wijze waarop zij in een inrichting behandeld worden. Telkens komt het voor dat verzorgers of verzorgsters „patiënten vernederen en extra laten uitkomen hoezeer men wel op hen neerziet”. Sommige verzorgers hebben een houding aangekweekt van „ze zijn volslagen anders, en wat slecht is voor ons, is niet noodwendig slecht voor hen”. Tragischerwijs wekt deze behandeling bij de patiënten juist die reacties op die de verzorgers beweren te willen onderdrukken. Het brengt de patiënten tot juist dat soort van gedrag dat de diverse straffen uitlokt die zij het meeste vrezen.
Volgens het oordeel van een bekende Amerikaanse psychiater wordt er in inrichtingen voor geesteszieken een veel te overmatig gebruik van de elektroshocktherapie gemaakt, hetgeen idem dito geldt voor het gebruik van geneesmiddelen.
Bij de uitoefening van zijn privé-praktijk tracht hij ernstig zieke patiënten zo mogelijk uit een inrichting te houden. Waarom? Omdat, naar hij zegt, ’inrichtingen plaatsen zijn waar patiënten vaak nog erger worden’.
Waarom thuis een betere plaats kan zijn
Er hoeft niettemin geen twijfel over te bestaan dat er in zulke inrichtingen vele oprechte en toegewijde artsen, verplegers en verpleegsters werkzaam zijn, maar wat is er dan verkeerd? Heel veel! Ten eerste beschikken deze inrichtingen vaak over te weinig geldelijke middelen, resulterend in onderbezetting of te weinig geoefende hulp. En het is eenvoudig te veel verwacht om te denken dat elke geesteszieke patiënt de aan zijn behoeften aangepaste persoonlijke welwillende hulp zal ontvangen.
Het lijkt erop dat veel verzorgers van zulke inrichtingen geneigd zijn het feit over het hoofd te zien dat een geestelijk gestoord persoon niet altijd en in elk opzicht abnormaal is. Met andere woorden, zijn gedragspatroon heeft een grillig verloop. In sommige opzichten kan hij altijd normaal zijn, en in andere opzichten slechts een gedeelte van de tijd abnormaal. Hij heeft heldere momenten waarin hij in staat is te redeneren en te reageren op een begripvolle behandeling.
Uit experimenten is tevens gebleken dat geesteszieke patiënten in de regel gevoeliger zijn voor het gedrag van anderen dan toen zij nog normaal waren, hetgeen toegeschreven moet worden aan hun toestand van volledige hulpeloosheid. Een geesteszieke heeft de hulp nodig van iemand met een kalme hand en een beheerste sympathie, wat men eerder thuis zal vinden dan in een inrichting.
Dit standpunt wordt onderschreven in een rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie: „Met de uitbreiding van het onderwijs op psychiatrisch gebied zijn er meer en meer mensen gekomen met voldoende inzicht om de nodige tolerantie te kunnen opbrengen jegens een geestelijk ziek familielid in de huiselijke omgeving, vooropgesteld dat hun (professionele) hulp wordt geboden. . . . Het is niet altijd aan te raden een patiënt te laten opnemen in een inrichting indien zijn familie bereid is hem in de nauwe emotionele verbondenheid van het huisgezin z’n plaats te laten.”
In een boek over ditzelfde onderwerp, Home Care for the Emotionally Ill, onderstreept Dr. H. S. Schwartz het feit dat een intelligent en menselijk-aanvoelend gezin een voor het herstel van de geesteszieke patiënt buitengewoon gunstig klimaat kan scheppen. Afgezien hiervan is er echter nog een andere factor die overweging verdient. Welke?
De bijbel geeft te kennen dat een getrouwde man en vrouw verplichtingen jegens elkaar hebben. Voorts zijn ouders verplicht voor hun kinderen te zorgen, waarbij nog komt dat het probleem mogelijk is te herleiden tot een genetisch defect dat de ouders aan hen hebben meegegeven. Anderzijds legt de bijbel volwassen kinderen de verplichting op voor hun bejaarde ouders te zorgen, welke verplichting zich in de praktijk zelfs zal kunnen uitstrekken tot die ouders die niet meer volledig gezond van verstand zijn. — 1 Tim. 5:3-8.
Natuurlijk kan niet iedere emotioneel of geestelijk gestoorde thuis verzorgd worden. Maar waar het duidelijk is dat de patiënt voor zowel zichzelf als anderen geen gevaar oplevert, is het eigen huis hier toch vaak de aangewezen plaats voor. De grote kans bestaat dat het herstel thuis vlotter en sneller verloopt.
Wat het vergt
De verzorging van een door psychose of zielsziekte aangetast persoon is geen geringe opgaaf. Het is voor de patiënt ideaal de beschikking te hebben over een eigen kamer en voor het gezin om een geoefende verpleeghulp voor halve of hele dagen te hebben. Tevens is het buitengewoon plezierig als de patiënt onder controle staat van een begrijpende, sympathieke arts, die van tijd tot tijd kan worden geraadpleegd. Overigens hebben tal van mensen thuis te lijden gehad van „zenuwinstortingen”, geestelijke depressies of andere stoornissen in de intellectuele functies of het gemoedsleven zonder in zulke ideale omstandigheden te hebben verkeerd. Van belang is echter dat de andere leden van het gezin tegen de omstandigheden opgewassen zijn.
Het gezinslid dat doorgaans de zwaarste last te dragen krijgt, is de vrouw of moeder, zoals dit ook het geval was in de aan het begin van dit artikel besproken situatie. De vrouw dient rijp te zijn — niet alleen in fysiek, maar ook in mentaal, emotioneel en geestelijk opzicht. Zij moet zelfbeheersing bezitten en teder maar beslist niet sentimenteel zijn; zij moet indien nodig ferm kunnen optreden en aan moeilijke situaties het hoofd kunnen bieden. Kortom, wat nodig is, is datgene wat in de bijbel de „vrucht van de geest” wordt genoemd, bestaande uit o.m. liefde, vreugde en zelfbeheersing. Het voornaamste vereiste is echter liefde, heel veel liefde. — Gal. 5:22, 23; 1 Kor. 13:4-8.
Deze liefde moet ongeveinsd, welgemeend en niet oppervlakkig of overdreven zijn. Er moet sprake zijn van oprechte belangstelling voor het welzijn van de patiënt. In de bijbel staat ook dat ’liefde een menigte van zonden bedekt’. Liefde hoopt — hoop dus, hoop het beste en doe een beroep op het beste wat in de patiënt aanwezig is. Heb empathie. Behandel de patiënt zoals ook u graag behandeld zou willen worden als u in zijn schoenen zou staan. — 1 Petr. 4:8; 1:22.
Belangrijk is voorts begrip. Zoals één dokter het stelde: „Het doel is . . . de patiënt te begrijpen. Elk woord, elke handeling van de therapeut dient op dat doel gericht te zijn.” Hoe kunt u zo’n persoon leren begrijpen? Door hem aan te moedigen tot spreken.
Bedenk bovendien dat geestesstoornissen slechts extremen zijn van zwakheden die wij allemaal bezitten. Zo ervaren wij allemaal op zijn tijd gevoelens van schuld. De geesteszieke kan echter zo overstelpt worden door gevoelens van schuld dat het bij hem leidt tot grote wanhopigheid.
Doe alles wat u kunt om het zelfrespect van de patiënt te vergroten. Vermijd grapjes ten koste van hem. Geef hem altijd de gelegenheid zijn figuur te redden. Redeneer zijn vergissingen zoveel mogelijk weg. Behandel hem niet als een inferieur, maar als een normaal persoon, wat hij mogelijk ook een gedeelte van de tijd is. Een van Amerika’s vooraanstaande psychiaters stelde het als volgt: „Wat zij ontberen, kan hun worden verschaft; zij kunnen worden onderwezen en met hun nieuw opgedane kennis geholpen worden anders en beter te willen.” Doe derhalve een beroep op het beste wat in hem aanwezig is. Geef blijk van gevoel voor humor, probeer hem aan het lachen te maken door uzelf het lachwekkende voorwerp van een grap te laten zijn. Lachen schenkt verlichting van spanning en is bijgevolg goed voor zowel lichaam als geest.
Houd in gedachten dat opstandigheid een algemeen voorkomende basiseigenschap van de geesteszieke is. Vaak hebben zij zich vast in het hoofd geprent precies het tegenovergestelde te doen van wat hun wordt gezegd wel of niet te doen. Zij lijken in dit opzicht soms op kinderen met driftbuien bij wie alle rede en zelfbeheersing verdwenen is. Geneigd als zij zijn tot achterdochtigheid, kan een „indirecte benadering” in bepaalde situaties de enige oplossing blijken.
Zo was er een opstandige patiënte die als een razende tekeer ging, met boeken begon te smijten en dreigde het raam stuk te slaan. Wat te doen? Haar zeggen ermee op te houden, zou haar alleen nog maar vastbeslotener maken ermee door te gaan. Haar psychiater gebruikte daarom de indirecte methode. Hij zat boven op de boekenkast en telde luid bij elk boek dat zij eruit nam en op de grond gooide. Toen pakte hij een van de boeken op en vroeg haar of zij het ooit gelezen had. Hij vertelde haar wat voor interessants erin stond. Welk resultaat had zijn zelfbeheersing, aangewend in combinatie met een sympathiek gevoel voor humor en een afleidingsmanoeuvre? Hij kreeg haar zover dat zij hem hielp de boeken in de kast terug te zetten, zich onderwijl uitputtend in verontschuldigingen dat ze ermee had gesmeten! Met een zelfde tactiek wist hij een patiënt tot andere gedachten te brengen die op een vensterbank gereed stond om zelfmoord te plegen.
De fysieke kant
Ook de fysieke of lichamelijke kant van de verzorging is belangrijk, aangezien, zoals er wel eens terecht is opgemerkt, „een goede lichamelijke verzorging een brug is tot geestelijke gezondheid”. Het dient een patiënt zo comfortabel mogelijk gemaakt te worden. Aandacht schenken aan zijn uiterlijk kan op hem een heilzame uitwerking hebben. Liefdevol en ferm kunt u hem ertoe brengen bepaalde handelingen zoals wassen, aankleden en eten zelf te doen, door er een begin mee te maken en hem er dan, eventueel met een list, toe te brengen ze af te maken.
Is de patiënt geneigd de hele dag in een hoekje te zitten? Moedig hem dan aan te gaan wandelen. Nuttig zijn tevens massages, die men ook zelf kan uitvoeren zonder daarvoor een speciale opleiding te hebben ontvangen, zij het misschien met wat minder effect. Een uitstekend middel om een opgewonden patiënt te kalmeren, is een langdurig warm bad. Daarnaast is een juist dieet uitermate belangrijk. Volgens één vooraanstaand psychiater kan een juist dieet de sleutel zijn tot de behandeling van geestesstoornissen. Schenk vooral aandacht aan de vitaminen en mineralen die zich bevinden in niet-veredelde voedingsmiddelen.
Hulp vanuit de bijbel
In het bijzonder zal het toepassen van bijbelse beginselen en waarheden bij de omgang met een geesteszieke patiënt heilzame resultaten afwerpen. De bijbel maakt duidelijk dat een blij hart goed doet als geneesmiddel (Spr. 17:22). Er wordt ook een voorbeeld in verschaft van een koning met emotionele problemen die door muziek werd geholpen. Er zijn gevallen bekend van patiënten die men nooit heeft horen spreken maar wel zingen. — 1 Sam. 16:14-22.
Goed is ook de patiënt aan te moedigen met bijbelse uitspraken waarin Gods zorg voor zijn aardse kinderen tot uitdrukking wordt gebracht. Bijvoorbeeld: „Zoals een vader barmhartigheid toont jegens zijn zonen, heeft Jehovah barmhartigheid getoond jegens hen die hem vrezen. Want hijzelf weet zeer goed hoe wij zijn gevormd, gedachtig dat wij stof zijn” (Ps. 103:13, 14). Zo ook: „Weest over niets bezorgd, maar laat in alles door gebed en smeking te zamen met dankzegging uw smeekbeden bij God bekend worden, en de vrede van God, die alle gedachte te boven gaat, zal uw hart en uw geestelijke vermogens behoeden door bemiddeling van Christus Jezus.” Natuurlijk dienen degenen die voor een geesteszieke persoon zorgen, ook zichzelf met dergelijke schriftplaatsen en met gebed te sterken. — Fil. 4:6, 7.
Het valt niet te ontkennen dat de zorg voor een geesteszieke een hele taak is. De wetenschap van wat erbij betrokken is, zal elk gezin de zaak zorgvuldig doen overwegen alvorens te besluiten een dement of zwakzinnig gezinslid in een inrichting te laten opnemen in plaats van hem thuis te verzorgen.