Gileadgraduatie beklemtoont expansie
GA VOORT met de prediking van het goede nieuws van het Koninkrijk! Versnel het tempo van het maken van discipelen! Dit was de geest die de vierenvijftigste graduatieplechtigheid van de zendingsschool Gilead beheerste, welke plechtigheid op maandag 5 maart 1973 in de Congreszaal van Jehovah’s getuigen in de stad New York werd gehouden.
De negenenveertig studenten waren uit zes landen gekomen om de school te bezoeken. Allen hadden met succes de intensieve, vijfmaandse cursus voltooid en elk ontving in aanwezigheid van ongeveer 2000 vrienden en familieleden een diploma. Zij werden toegewezen aan drieëntwintig landen, waaronder Canada, Ierland, Japan, Taiwan, Chili, landen in Afrika, Nieuw-Zeeland, de Filippijnen en andere eilanden.
Het hoofdthema werd onder woorden gebracht door F. W. Franz, vice-president van de Watchtower Bible and Tract Society, toen hij de vragen stelde: ’Hebben Jehovah’s getuigen hun top bereikt nu het einde van dit samenstel van dingen zo nabij is?’ ’Zal de tendens van nu af aan bergafwaarts zijn?’ Volstrekt niet, was het nadrukkelijke antwoord. Toen haalde hij Kolossenzen hoofdstuk 1 aan en noemde het voorbeeld van de eerste-eeuwse christenen en hun vooruitziende blik. Hij wees erop dat zij hun activiteiten niet verminderden omdat Jeruzalems einde nabij was — ijverig intensifieerden zij hun energieke predikingswerk.
Daarna spoorde N. H. Knorr, de president van het Wachttorengenootschap, de aanstaande zendelingen nog verder aan toen hij over het onderwerp sprak: „Je geloof wordt door je lippen bewezen.” Hij deed veel aanhalingen uit de brief van Jakobus en toonde de noodzaak aan van christelijke werken ten einde geloof te bewijzen. De vele voorbeelden in de brief van de apostel Paulus aan de Hebreeën, hoofdstuk 11, maakten het allen duidelijk dat degenen die wegens hun geloof werden goedgekeurd, energiek waren in werken tot lof van God en tot welzijn van hun medemensen.
Gilead een doeltreffend instrument
De Wachttoren-Bijbelschool Gilead heeft sinds haar oprichting in februari 1943 internationale belangstelling gehad. Ze heeft 5332 zendelingen afgeleverd, van wie een groot aantal uit andere landen afkomstig was. Dezen zijn naar meer dan honderd landen, met inbegrip van afgelegen eilanden der zee, gezonden. Op veel van deze plaatsen waren weinig of helemaal geen getuigen van Jehovah. De afgestudeerden hebben echter de raad van de apostel Paulus aan Timótheüs opgevolgd: „De dingen die gij van mij gehoord hebt met de ondersteuning van vele getuigen, vertrouw die toe aan getrouwe mensen, die op hun beurt voldoende bekwaam zullen zijn om anderen te onderwijzen.” — 2 Tim. 2:2.
De opleiding die de afgestudeerden op de school hadden ontvangen, heeft hen in staat gesteld de bevolking in hun eigen taal in het goede nieuws te onderwijzen. De reactie is geweldig geweest, want tienduizenden hebben met een ontvankelijk hart geluisterd, hun leven veranderd — waarbij zij vaak heidense gewoonten, hun goden en hun immorele of polygame leven hebben opgegeven — en hebben zich in ware aanbidding aan Jehovah opgedragen (Kol. 3:5-11). De zendelingen hebben hen opgeleid in het prediken en onderwijzen, in gemeenteorganisatie en in het beleggen van plaatselijke en zelfs internationale vergaderingen.
Het bewijs dat Gods geest het werk van de Gilead-zendelingen heeft ondersteund, blijkt uit een eenvoudige vergelijking. In 1945, voordat de zendelingen van de Gileadschool de tijd hadden gehad hun invloed te laten gelden, waren er in de hele wereld 127.478 getuigen van Jehovah die actief het Koninkrijk bekendmaakten. 65.207 van hen waren inwoners van landen buiten de Verenigde Staten. Zevenentwintig jaar later, in 1972, waren er in de hele wereld 1.596.442 met het predikingswerk bezig, van wie 1.178.203 in landen buiten de Verenigde Staten. Dit vertegenwoordigt voor de hele wereld een elfvoudige, en voor landen buiten de Verenigde Staten, waarheen de zendelingen hoofdzakelijk waren gezonden, meer dan een zeventienvoudige toename!
Jehovah, de Almachtige God, komt natuurlijk de eer voor deze expansie van zijn Koninkrijksbelangen op aarde toe, want de apostel verklaarde: „Ik heb geplant, Apóllos heeft begoten, maar God bleef het wasdom geven” (1 Kor. 3:6). Maar de Wachttoren-Bijbelschool Gilead is werkelijk een instrument in Jehovah’s hand geweest dat door zijn geest is geleid om zendelingen op te leiden en naar verafgelegen velden te zenden. De school heeft hen toegerust een hand te hebben in het bijeenbrengen en opleiden van kernen van Koninkrijksverkondigers zodat dezen, op hun beurt, honderdduizenden anderen hebben geholpen krachtige dienstknechten van Jehovah te worden.
De drijfveer om zendeling te worden
Wat beweegt mensen, van wie de meesten jong en gezond zijn, ertoe een werk ter hand te nemen in een vreemd land, vaak met opoffering van het geriefelijke leven dat zij in hun eigen land zouden kunnen hebben? In het nieuwe land moeten zij een nieuwe taal leren, de mensen bezoeken en met belangstellende personen in hun huis studeren, er geduldig de tijd voor nemen hen te helpen en deze zachtmoedige mensen vaak leren lezen en schrijven. Toch willen zij dit graag doen. Waarom?
Deze zendelingen vatten de woorden van Christus ernstig op, die zei: „Gaat daarom en maakt discipelen van mensen uit alle natiën, . . . en leert hun onderhouden alles wat ik u geboden heb” (Matth. 28:19, 20). Zij zien de grote geestelijke nood waarin de mensen in deze natiën verkeren, die door hun religieuze leiders „gestroopt en heen en weer gedreven [zijn] als schapen zonder herder” (Matth. 9:36). Typerend voor de geesteshouding van de studenten, is wat één van hen zelf vertelde:
„Na een toespraak van broeder Knorr te hebben aangehoord waarin hij besprak hoe Getuigen in landen zoals de Verenigde Staten verstrikt kunnen raken in een gemakkelijk leven waarin men slechts een beetje dienst in de prediking verricht, begonnen mijn vrouw en ik er ernstig over na te denken wat wij met ons leven deden. Wij gingen onszelf afvragen: Wat verwachten wij van onze toekomst? We hadden geen gezinsverantwoordelijkheden, werkten beiden en moesten ons toch nog afvragen welke rekeningen wij zouden kunnen betalen als wij ons salaris ontvingen. Ja, we waren er naar het schijnt tevreden mee dit leventje voort te zetten, waarbij wij ook elke maand wat tijd in de prediking doorbrachten, maar wij waren stellig in de gelegenheid onze dienst voor Jehovah uit te breiden.
We legden de kwestie van in de pioniersdienst [volle-tijdprediking] gaan in gebed aan Jehovah voor en enkele maanden later had ik mijn betrekking voor hele dagen opgegeven. We trokken uit onze flat en begonnen op 1 september 1967 met de pioniersdienst. Wij keken uit naar een plaats waar werkelijk behoefte aan meer Koninkrijksverkondigers was en verhuisden naar een stadje in Kentucky.
De vijf jaar die wij daar hebben gewoond, waren een werkelijke uitdaging, maar het was een grote hulp in onze geestelijke groei en het leerde ons op Jehovah te steunen en op hem te vertrouwen. Wij werkten hard om bekwaam te worden door ons predikings- en onderwijzingswerk uit te breiden en werden ten slotte uitgenodigd voor de 54ste klas van de Gileadschool, die in oktober 1972 begon.
De school is een geloofversterkende ervaring geweest en heeft ons een ruime achtergrond van bijbelse geschiedenis en profetieën gegeven, alsook een diepgaande, grondige kennis omtrent de leerstellingen die in Gods Woord worden onderwezen. Het is goed te zien dat onze krachtsinspanningen als enkelingen deel uitmaken van het gehele werk dat tot lof van Jehovah wordt verricht. Op deze wijze vinden wij grote voldoening in onze arbeid.”
Velen van de studenten zeiden dat het vanaf het moment dat zij Gods voornemen hadden leren kennen, hun wens was geweest naar de Gileadschool te gaan, niet in de eerste plaats voor het onderricht dat er wordt gegeven, maar opdat zij doeltreffend als zendelingen konden dienen en zoveel mogelijk mensen konden helpen uit de duisternis van deze wereld tot Gods wonderbare licht te komen.
[Illustratie op blz. 24]
Afgestudeerden van de vierenvijftigste klas van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead
54th Class March 1973
In onderstaande lijst zijn de rijen genummerd van voren naar achteren, en de namen in elke rij verwijzen naar de studenten in volgorde van links naar rechts.
(1) Breyer, S.; Burgos, S.; Fix, N.; Toguchi, Y.; Ploeger, B.; Salazar, R.; Niebergall. A.; Toy, V. (2) Tiganish, D.; Jess, C.; Myers, J.; Clair, B.; Bean, D.; Makin, M.; Richter, I.; Andrews, M. (3) Mannings, I.; Pichurski, O.; Jess, K.; Smallwood, R.; Pompl, P.; Fry, C.; Angelo, Y.; Madsen, M. (4) Niebergall, W.; Salazar, R.; Garza, A.; Mihank, L.; Malpass, D.; Makin, R.; Breyer, M.; Skantz, D. (5) Nickerson, G.; Latham, C.; Myers, J.; Bean, R.; Burgos, J.; Angelo, M.; Kasten, W.; Fix, T. (6) Ploeger, S.; Andrews, P.; Richter, F.; Shanafelt, G.; Tiganish, R.; LeVenton, L.; Oehm, R.; Mroz, T.; Sørensen, N.