Is er een prehistorische „steentijd” geweest?
ROEPT het noemen van het woord „steentijd” bij u gedachten op aan de zogenaamde „prehistorie” in de menselijke geschiedenis? Volgens evolutionisten begon de „steentijd” ongeveer anderhalf miljoen jaar geleden en duurde hij tot omstreeks 3000 v.G.T. Een woordenboek beschrijft de steentijd als: „Het tijdperk in de geschiedenis van de mens (voorafgaande aan de brons- en ijzertijd) die wordt gekenmerkt door het gebruik van stenen werktuigen.”
Betekent dit dat de bijbel het bij het verkeerde einde heeft als daarin naar voren komt dat de mens pas circa 6000 jaar op aarde is? Neen. De bijbel is niet fout. Dit wordt snel duidelijk als men ziet hoe evolutionisten aan hun „steentijd”-datums komen.
De evolutionisten geven toe dat er geen geschreven berichten uit de „steentijd” bestaan. Daarom wordt er ook naar verwezen als de „pre-” of „voor”-historie. Zij zijn dus gedwongen hun datums te baseren op onderstellingen. Aannemend dat de mens langzaam is geëvolueerd, redeneren zij dat hij eerst „primitieve” gereedschappen moet hebben gebruikt. Gaandeweg, zo geloven zij, is hij in de loop van duizenden jaren metalen werktuigen gaan gebruiken. Komt een evolutionist derhalve een zwaar amandelvormig „keiwerktuig” tegen, dan is dat volgens zijn interpretatie ouder dan een vuurstenen „lemmet”.
De datering met behulp van radiokoolstofdateringsmethoden vormt geen bevestiging van beweringen der evolutionisten. De betrouwbaarheid van deze dateringsmethoden wordt ernstig betwijfeld. De resultaten zijn voor velerlei uitleg vatbaar.
De bijbel heeft het daarom niet bij het verkeerde eind louter en alleen omdat evolutionisten willekeurige leeftijden aan stenen werktuigen toekennen ten einde te trachten een theorie te bevestigen. Alleen de bijbel verschaft een nauwkeurig gedateerd geschiedkundig verslag dat teruggaat tot de schepping van de mens. De betrouwbaarheid van de bijbel in geschiedkundige aangelegenheden brengt ons ertoe datgene te accepteren wat daarin over het begin van de mens wordt gezegd. De bijbel laat geen ruimte over voor een evolutie van de mens tijdens een duizenden jaren durende „prehistorie”.
Maar is er in het bijbelse geschiedenisverslag van 6000 jaar een tijd aan te wijzen waarin de duizenden stenen bijlen, pijlpunten en soortgelijke voorwerpen zijn vervaardigd, die toch schijnen te duiden op het voormalige bestaan van ’stenen werktuig-culturen’? Ja. Beschouw het verslag van het boek Genesis eens.
In de zevende generatie na de schepping van Adam, zo zegt de bijbel, leefde er een man genaamd Tubal-Kaïn. Hij was „de smeder van allerlei gereedschap van koper en ijzer”. Het is mogelijk dat de mens voor de tijd van Tubal-Kaïn alleen stenen werktuigen gebruikte. Dat is niet met zekerheid te zeggen. Wel zeker is, dat er tijdens het leven van Tubal-Kaïn koper en ijzer werd gesmeed. Dit betekent echter niet noodzakelijkerwijs dat àlle mensen toen deze bekwaamheid bezaten. — Gen. 4:22.
Daarna verspreidde Jehovah enige tijd na de vloed van Noachs dagen in 2370/2369 v.G.T. de mensheid naar de uiteinden der aarde. Vele groepen werden door culturele, taal- en geografische barrières van de ’vaart der volken’ geïsoleerd. Logischerwijs zullen enkele van deze groepen die uit het land Sinear in Mesopotamië wegtrokken, een bepaalde kennis hebben gehad omtrent de bewerking van metalen. — Gen. 11:1-9.
Waarschijnlijk zullen velen van hun tijdgenoten deze vaardigheid evenwel niet hebben bezeten. Mogelijk vestigde men zich ook op plaatsen waar metaalertsen zeldzaam waren. Neem bijvoorbeeld de groepen mensen die misschien vanuit het centrale Europese berggebied naar het lage grondmorenelandschap van het tegenwoordige Denemarken zijn getrokken. Zij zullen daar weinig metaal hebben aangetroffen, hoewel sommigen later leerden hoe zij het aanwezige ijzeroer tot bruikbaar metaal konden omvormen. Zij maakten voornamelijk gebruik van de overvloed aan vuursteen in dit gebied, en bouwden een ’vuursteencultuur’ op. Dientengevolge bestonden er terzelfder tijd steen- en metaalbewerkende volken. Dit behoeft ons echter niet te verbazen.
Steen- en metaalbewerkende volken hebben tot op onze tijd naast elkaar bestaan. De World Book Encyclopedia zegt hierover: „In sommige geïsoleerde gedeelten van de wereld kon men nog tot in de jaren 1900 n. Chr. bijna elke techniek voor het vervaardigen van stenen werktuigen tegenkomen.” Ja, in een tijd dat sommige mensen dank zij de moderne technologie per raket naar de maan gaan, maken anderen nog steeds gebruik van stenen werktuigen.
Maar zijn deze moderne vervaardigers van stenen gereedschappen halfdierlijk, zoals de wezens die wel eens staan afgebeeld op tekeningen van „het stenen tijdperk”? Wel, neem de leden van de Tasaday-stam op de Filippijnen. Journalist P. Durban beschrijft hen in de 8 oktober-uitgave van 1972 van New York Times Magazine: „Hoewel de Tasaday’s letterlijk ’holbewoners’ zijn en nog in de ’steentijd’ leven — zij wonen in grotten en gebruikten tot voor kort nog alleen maar stenen werktuigen — lijken zij nauwelijks op de harige, half-opgerichte, aapachtige primitieven met terugwijkend voorhoofd en dierlijke gelaatsuitdrukking aan wie men normaal bij deze uitdrukkingen denkt.” Het zijn mensen.
De hedendaagse volken die nog in de ’steentijd’ leven, ontbreekt het ook niet aan intelligentie. Hun sociale en wettelijke voorschriften blijken vaak zeer doordacht te zijn. Dr. G. C. Baldwin wijdt in zijn boek Stone Age Peoples Today een bespreking aan de Australische Arunta-stam. Hij zegt over deze stam: „De sociale en ceremoniële organisatie van de Arunta’s is niet gemakkelijk te doorgronden. Hun huwelijksregelingen zijn bijvoorbeeld de meest ingewikkelde ter wereld.” Aan het slot van zijn onderzoek van vele soortgelijke volken, beklemtoont Baldwin: „Het feit dat deze volken in zoveel opzichten van ons verschillen, betekent op zichzelf nog niet dat ze achterlijk zijn.” — Bladzijden 32, 172.
Daarenboven blijkt intelligentie ook uit wat men technische bekwaamheid zou kunnen noemen. Vladimir Kozák heeft enige tijd onder de Héta’s in Brazilië geleefd. Naar wat hem bekend is, zijn zij, zo schrijft hij, „de primitiefste groep Indianen van Zuid-Amerika”. Kozák beschrijft daarop de technische vaardigheid die nodig is voor de vervaardiging van één stenen Héta-bijl. Over de doelmatigheid van de stenen bijlen merkte hij het volgende op: „Bijna elke boom kon met een stenen bijl worden geveld. Ik heb boomstammen gezien met een diameter van één meter twintig, die de Héta’s hadden geveld om een brug over een diepe stroom aan te leggen.” Eens deden zij al hun werk met hun zorgvuldig vervaardigde stenen gereedschappen.
Van buiten het oerwoud werden de Héta’s evenwel in contact gebracht met de ijzeren bijl. Waren zij te dom om de voordelen van dit stuk gereedschap in te zien? Moest er een evolutieproces van vele generaties overheen gaan alvorens zij stalen werktuigen begonnen te gebruiken? Kozák antwoordt: De Héta „geeft zonder de geringste aarzeling zijn stenen gereedschap op. De verandering gaat in feite zo vlug, dat er gewoonlijk niemand bij is om haar op te merken”. — ”Stone Age Revisited”, Natural History, oktober 1972.
Ja, ook nu zijn er nog mensen die stenen gereedschappen gebruiken. Daarnaast hebben er gedurende het grootste deel van de menselijke geschiedenis ook volken bestaan met een „hogere” cultuur. Dit is niet in strijd met de bijbel. Integendeel, het is een bevestiging van datgene wat de Schrift zegt over de verspreiding van de mensheid over de gehele aardbol.