De Tweede Wereldoorlog brengt verandering teweeg
IN SEPTEMBER 1939 brak de Tweede Wereldoorlog uit. In twee jaar tijds liepen Hitlers legers het westen van Polen, Frankrijk, verscheidene andere Europese landen en een groot gedeelte van de Balkan onder de voet. Vervolgens richtten de zegevierende nazi’s in 1941 hun aandacht op het oosten.
In juni van dat jaar wierpen de Duitse legers zich op de Sovjet-Unie. Tegen december hadden ze bijna het gehele westelijke deel van het land in bezit genomen en waren tot in de nabijheid van Moskou doorgedrongen. Het voortbestaan van de natie hing aan een zijden draad.
Het strenge winterweer en de verbeten tegenstand van de Sovjet-troepen en partizanen brachten evenwel de Duitse stortvloed tegen het eind van het jaar tot stilstand. Maar het was zonder meer duidelijk dat in de aankomende lente de offensieven hervat zouden worden. De Sovjet-regering wist dat het volk in paraatheid zou moeten worden gebracht voor wat komen ging. Er was van allen een maximuminspanning nodig.
De wreedheid van de Duitse invallers verlichtte hun taak in dit opzicht wel. De vernielingen die de Duitsers aanrichtten, hun afslachting van miljoenen mensen en hun vermeende rassesuperioriteit — terwijl het duidelijk was dat zij van plan waren een groot deel van de Slavische bevolking uit te roeien — werkten er allemaal aan mee de woede van de Russen op te wekken.
Toch diende de bevolking nog meer gemotiveerd te worden. Ten einde alle hulpbronnen van het land te kunnen aanwenden en de volledige medewerking van de bevolking te verkrijgen, had de regering de ondersteuning van de religieuze leiders nodig. Waarom?
Hun steun was broodnodig omdat er nog tientallen miljoenen godsdienstige mensen in het land waren. Weliswaar had het communisme reeds vierentwintig jaar lang het bewind over het land gevoerd, maar die tijd was nog lang niet voldoende geweest om de nieuwe generaties jonge atheïsten te vormen, die, volgens het plan van de communisten, na verloop van tijd de uitstervende generaties gelovigen moesten vervangen. Veel mensen van boven de twintig, vooral vrouwen, beleden nog een godsdienst.
Veranderende houding ten aanzien van religie
Bijgevolg zagen de communistische leiders, met inbegrip van Stalin, er de noodzaak van in hun houding ten aanzien van religie te wijzigen. Zij beseften dat zij met hun campagne tegen de godsdienst vele religieuze mensen van zich hadden vervreemd. Met dit in gedachten begon de communistische top vanaf de herfst 1941 concessies te doen.
Weldra hadden deze pogingen resultaat. In 1942 bejubelde metropoliet Sergij Stalin als Ruslands „goddelijk aangestelde leider”. Daarop ontving Stalin in 1943 leidinggevende functionarissen van de orthodoxe Kerk op zijn kantoor in het Kremlin en gaf hun toestemming Sergij als de nieuwe patriarch te kiezen. Aldus kwam er een eind aan een periode van achttien jaar waarin de Russisch-Orthodoxe Kerk zonder hoofd was geweest.
Er werden nog meer concessies gedaan. Er mocht weer een kerkblad worden uitgegeven. Verscheidene theologische seminaria werden heropend, evenals vele kerken. Er werd niet meer gesproken over de vernietiging van de godsdienst. Ook de beperkende bepalingen waaraan andere religies onderworpen waren, werden verlicht.
Patriarch Sergij stierf in 1944. Hij werd opgevolgd door Aleksej. Volgens de Encyclopedia Britannica verzekerde Aleksej Stalin van de „gevoelens van diepe liefde en dankbaarheid” waarmee alle „kerkelijke werkers” waren vervuld. Overal smeekten nu de kerkleiders hun volgelingen de communistische regering te ondersteunen. De regering op haar beurt beloonde enkele geestelijken voor hun inspanningen met medailles.
De kerkleiders vertelden hun volgelingen dat de strijd tegen de nazi-indringers niet alleen ter verdediging van de Sovjet-Unie was, maar ook ter verdediging van het christendom. Er werden door de kerken collectes gehouden voor de aankoop van wapens. Tegen januari 1943 waren er voldoende giften binnengekomen om een eskadron gevechtsvliegtuigen uit te rusten. Met behulp van nog een collecte kon een tankeenheid in het leven worden geroepen, en toen deze met een plechtige ceremonie aan het Rode Leger werd overgedragen, loofde metropoliet Nikoloj Stalin als „ons aller Vader”.
Tegen 1945 werden de Duitse legers ten slotte teruggedreven — de Sovjet-troepen drongen door tot in Duitsland. Ter viering van deze gebeurtenissen werd er een vergadering bijeengeroepen onder leiding van de patriarch Aleksej. De vergadering nam een proclamatie aan waarin de overwinningen van het Rode Leger werden geloofd als overwinningen van Christus op de machten van de duisternis. De proclamatie bevatte onder andere de volgende passage: „Iedereen kan zien wier wapens [die van de Russen] onze Heer Jezus gezegend heeft, en wier wapens [die van de Duitsers] een dergelijke zegen niet hebben ontvangen.” Enkele dagen later spraken de communistische leiders hun dank uit voor de inspanningen die de kerken zich hadden getroost.
Een oprechte verandering?
Was de veranderde regeringshouding ten aanzien van de religie oprecht gemeend? In het geheel niet. Het boek Europe Since 1939 verklaart:
„Zuiver wereldse motieven dwongen de materialistisch atheïstische Sovjet-bazen religieuze gevoelens te ontzien. Religieus ingestelde burgers van de USSR, zo redeneerde men, zouden de staat in de oorlog vollediger ondersteunen; de afkeer die de christenen in de westerse geallieerde landen van de communistische levenswijze hadden, zou afnemen, terwijl devote orthodoxe christenen op het Balkanschiereiland sympathieker tegenover Rusland zouden staan.”
Had deze tactiek succes? De auteur van bovengenoemd boek, A. J. May, van de universiteit van Rochester, verklaart: „Al deze doeleinden werden min of meer door de gematigde houding die het Kremlin had aangenomen, bereikt.” Als bijkomend resultaat merkte hij nog op dat „in de religieuze wereld, evenals elders, de Stalin-cultus een grote bloei beleefde”.
De religie was in de handen van de communisten een nuttig werktuig geworden! Hoe nuttig bleek wel na de oorlog. In het boek The Soviet Union: The Fifty Years, geredigeerd door H. Salisbury, lezen wij: „Na het eind van de oorlog stemden de kerkleiders in met Stalins buitenlandse Koude-Oorlogpolitiek.”
Typerend voor de religieuze houding was hetgeen er in 1949 bij een paasviering voorviel. Tijdens de middernachtelijke dienst in de Moskouse Jelochovski-kathedraal sprak patriarch Aleksej Gods zegen uit over de leider van de Sovjet-staat, Joseph Stalin. En in 1950 zond Aleksej een telegram naar de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties om te protesteren tegen „de agressie van de Verenigde Staten in Korea”.
Het is derhalve duidelijk dat achter de concessies van de Sovjet-leiders politieke motieven scholen. Men verkreeg zo een betere medewerking van de kerken. Bovendien keurde de regering slechts die geestelijken goed die loyaal aan de staat waren, zodat de religie volledig kon worden aangepast aan de communistische doeleinden.
Het is duidelijk dat de veranderingen niet oprecht gemeend waren. Het doel van de communisten was nog altijd de volledige verdelging van alle religie. Hun tactiek was echter subtieler geworden. Zij hadden het nut ingezien van een wat omzichtiger benadering en beroofden de religie nu beetje bij beetje van haar macht en ondersteuning. Hiermee vermeden zij een al te grote tegenstand, terwijl er ook geen religieuze martelaren werden geschapen, zoals bij de rechtstreekse „aanpak” in het begin.
Natuurlijk was in het buitenland en zelfs in de Sovjet-Unie niet iedereen ervan overtuigd dat alle hoge kerkfunctionarissen echte geestelijken waren. Door de mate waarin zij compromissen sloten, stelden zij zich bloot aan de beschuldiging regeringsagenten te zijn die tot een geestelijk ambt waren benoemd om de kerken te kunnen beheersen. De beschuldigers wezen erop dat andere hoge geestelijken die het communisme hadden tegengestaan gevangen waren gezet of gedood. De begunstigde geestelijken konden zich echter vrij blijven bewegen en behielden hun ambt.
Of deze hoge geestelijken nu inderdaad agenten van de regering waren of niet, het uiteindelijke resultaat bleef er hetzelfde om. Er werd nauw met de communistische regering samengewerkt om haar doeleinden te bereiken. En een van die doeleinden was nog altijd de vernietiging van de religie.
Daden tonen aan dat doel onveranderd bleef
Dat de regering haar politiek „op lange termijn” in verband met religie niet had gewijzigd, bleek wel uit haar officiële daden en uitspraken. Zo was het de kerken bijvoorbeeld, ondanks alle concessies in ruil voor de verleende steun, nog steeds niet toegestaan proselieten te maken. Daarnaast bleef de belijdenis van het atheïsme een voorwaarde voor het lidmaatschap van de Communistische Partij.
Ook het verbod op religieus schoolonderricht werd niet gewijzigd. Atheïsme was nog altijd de officiële leer en omvatte onder andere antireligieuze propaganda. Speciale aandacht werd geschonken aan de bevordering van het atheïsme onder de „Jonge Pioniers” en de „Unie van Communistische Jongeren”. De officiële partijpolitiek stond eens op de volgende wijze kort samengevat in de Komsomolskaja Pravda, het officiële orgaan van de jeugdbond:
„Jonge communisten moeten niet alleen overtuigde atheïsten zijn en gekant zijn tegen alle bijgeloof [religie], maar moeten ook de verbreiding van vooroordeel en bijgeloof onder jongeren actief bestrijden.”
De dood van Stalin veranderde niets aan de doeleinden die de Sovjet-regering zich op lange termijn ten aanzien van religie gesteld had. Tegen het eind van de jaren vijftig en vooral in het begin van de jaren zestig, onder premier Nikita Chroesjtsjov, kwamen de religieuze groeperingen onder zware druk te staan. Hoe zeer ze in die periode te lijden hebben gehad, werd pas later duidelijk. P. Grose, correspondent van de New York Times, berichtte:
„De omvang van de schade die in de vijf jaar voor 1964 in de gehele Sovjet-Unie aan het religieuze bouwwerk is toegebracht, komt nu aan het licht. Van de zijde van kritische geestelijken in Rusland werd vernomen dat er in die bewuste jaren 10.000 godshuizen door de autoriteiten zijn gesloten. . . .
Een reusachtige bureaucratische structuur werd in het leven geroepen om erop toe te zien dat de kerkelijke activiteiten door het gehele land onder de doeltreffende controle van de burgerlijke macht werden gebracht.”
Dus hoewel de communistische leiders wijzigingen hebben aangebracht in hun strijd tegen de religie, hebben zij nog altijd hetzelfde doel voor ogen, waaraan zij zonder ophouden werken: de volledige uitroeiing van de religie in de Sovjet-Unie.
Wat is er na al deze jaren van tegenstand, van de religie in het land overgebleven? Hoe sterk is de religie in de Sovjet-Unie op dit moment?