Hoe komt het dat rassen verschillen?
RAS — alleen het woord reeds roept in de geest van veel mensen direct de gedachte op aan de vooroordelen die vrijwel overal ter wereld op de een of andere wijze tegen bepaalde bevolkingsgroepen worden gekoesterd. Gebrek aan kennis is de schijnbare oorzaak van al dit vooroordeel. Mensen vragen: ’Hoe komt het dat rassen verschillen?’
De beantwoording van deze vraag vereist in de eerste plaats een duidelijke definitie van de term „ras”. Er zijn al talrijke definities geopperd, die gewoonlijk slechts op kleine punten van elkaar verschillen. In het algemeen gesproken is een „ras” een groep van personen die van een gemeenschappelijke voorvader afstammen en bepaalde lichamelijke kenmerken gemeen hebben, zoals hun postuur of de kleur van hun huid.
Strikt genomen bestaat er slechts één menselijk ras! Vrijwel alle antropologen zijn het over dit punt eens. Zo luidt de Derde Rassenverklaring van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (onderschreven door tweeëntwintig deskundigen): „De mensheid is één . . . alle mensen behoren tot dezelfde soort, Homo sapiens. . . . alle mensen hebben waarschijnlijk dezelfde gemeenschappelijke stamvader.”
Maar als dit waar is, hoe zijn dan al de verschillen in lichaamsgrootte, lichaamsvorm, huidkleur en eigenschappen te verklaren? Ten eerste werden de mensen die van deze „gemeenschappelijke stamvader” afstamden genetisch zo gemaakt dat er een grote variatie mogelijk was. Een begrip van de werking van de menselijke genen zal ons dit duidelijk maken.
De genen zijn de kleine deeltjes in de cel die bepalen welke trekken of kenmerken een persoon van zijn ouders zal overerven. Voor elk kenmerk, zo wordt aangenomen, erft de mens gewoonlijk twee genen, één van zijn moeder en één van zijn vader. Van deze twee genen zal het „dominante” het „recessieve” overheersen en het bijzondere kenmerk bepalen dat de persoon zal bezitten.
Veronderstel bijvoorbeeld dat de ene ouder een gen voor zwart haar heeft en de andere een gen voor blond haar. Als hun nakomelingen zwart haar hebben, is het duidelijk dat het gen voor donker haar dominant was.
Naarmate de menselijke familie die uit de eerste moeder en vader van de mensheid was ontstaan, zich uitbreidde, trad er een grote vermenging op; meisjes met genen voor donker, krullend haar — om een voorbeeld te noemen — ontmoetten en trouwden met jongens die genen hadden voor steil, blond haar. Dit is natuurlijk in verband met andere kenmerken ook zo gegaan, kenmerken als de huidkleur, of de vorm van mond, neus en oren.
Toen groepen mensen zich echter als gevolg van geografische, taal- en andere barrières van het grotere geheel van de mensheid gingen isoleren, moesten huwelijkspartners noodzakelijkerwijs uit een kleinere kring gekozen worden. De variaties waren nu slechts mogelijk binnen een beperkt, onmiddellijk beschikbaar genen-„reservoir”. Daarna begonnen in dat beperkte gebied bepaalde kenmerken, zoals sluik haar of een donkere huid, geregeld op te treden. Na verloop van tijd gingen deze kenmerken die groep of dat „ras” onderscheiden van andere groepen of „rassen”. Dat is er de oorzaak van dat heden ten dage de mensen in Scandinavië een blanke huid hebben en degenen die van hen geïsoleerd wonen, zoals in India, een donkerder huid.
Natuurlijk zijn deze variaties aan grenzen gebonden. De rassen kunnen variëren in grootte van pygmeeën, van ongeveer anderhalve meter tot leden van de Watutsi-stam, met een lengte van meer dan twee meter tien — maar de menselijke genen zullen nooit mensen van een kwart meter of van vier meter doen ontstaan. Dat de mensen echter allemaal, ondanks de verschillen, deel uitmaken van één algemeen ras wordt duidelijk bewezen door het feit dat zelfs individuen die „uitersten” zijn wat hun lichaamsbouw of huidkleur betreft, kunnen huwen met andere leden van de menselijke familie en nageslacht kunnen voortbrengen. De verschillen tussen de mensen onderling zijn daarom niet van groot belang. Het tegendeel is veeleer waar, zoals antropoloog A. Montagu opmerkte:
„Alle bekwame onderzoekers die het onderwerp hebben beschouwd, zijn van mening dat veruit het grootste deel van de genen gemeenschappelijk bezit van de mensheid is, en dat waarschijnlijk niet meer dan 10 percent van het totaal afzonderlijk bezit vormt. Aangezien geleerden van mening zijn dat de mensheid haar genen oorspronkelijk uit hetzelfde genenreservoir heeft geput, is deze grote overeenkomst niet verrassend.
Zodra we de huid zijn gepasseerd, doet de gelijkheid van lichamelijke kenmerken juist vermoeden dat het aantal gen-verschillen die er zelfs tussen twee ’uiterste’ ’rassen’ bestaan veel minder dan 10 percent is.”
Zijn de rassen geleidelijk ontstaan als aanpassing aan de omgeving?
Maar hoe komt het nu dat de mensen van verschillende rassen zo goed aan hun omgeving lijken te zijn aangepast, terwijl zij allen toch een „gemeenschappelijke stamvader” hebben? Hebben de Eskimo’s bijvoorbeeld door evolutionaire processen een speciale aanpassing verworven aan het koude klimaat waarin zij leven? Of, om naar het andere uiterste te gaan, heeft de evolutie slechts mensen met een donkere huid geschikt gemaakt om in een warm, tropisch klimaat te leven?
Sommige geleerden beweren van wel. Maar is dit werkelijk zo? In het verleden meenden sommigen dat kenmerken die door een ouder waren verworven, op het nageslacht werden overgebracht. De onjuistheid van deze nu verlaten theorie is onmiddellijk duidelijk. Als bijvoorbeeld twee ouders met een lichte huid gaan zonnebaden en een gebruind uiterlijk krijgen, wordt hun nageslacht niet met een donker lichaam geboren, is het wel? Neen, in plaats daarvan moeten ook hun kinderen aan zonlicht worden blootgesteld, willen zij dezelfde donkere kleur krijgen. De genen van de ouders veranderen niet ten einde voor de overerving van een donkere huidkleur te zorgen.
Niettemin geloven geleerden tegenwoordig wèl dat er ten gevolge van genmutaties, dat wil zeggen, plotselinge veranderingen in de genen, wijzigingen in raskenmerken zijn opgetreden. Deze veranderingen worden dan, zo neemt men aan, overgedragen op het nageslacht. Maar de mutaties die men tot nu toe heeft waargenomen, hebben grotendeels schadelijke veranderingen tot gevolg gehad, geen verbeteringen. Bovendien bestaat er grote onzekerheid omtrent de vraag hoe deze veronderstelde mutaties tot stand komen. L. C. Dunn van de Columbia-universiteit erkent:
„Hoe [bepaalde lichamelijke veranderingen] in de geschiedenis zijn opgetreden, is niet bekend; ook is niet precies bekend op welke wijze er heden ten dage mutaties plaatsvinden, ondanks het uitgebreide biologische onderzoek betreffende deze vraag gedurende de afgelopen 30 jaar.”
Wel, als de genetica geen verklaring kan bieden, wat is dan het antwoord op de vraag hoe het komt dat de rassen zo goed aangepast lijken aan de omgeving waar ze zich bevinden?
Niet alleen genen verantwoordelijk voor rassenverschillen
Dergelijke aanpassingen zijn grotendeels van culturele aard. Van de cultuur of omgeving gaan bijzonder krachtige invloeden uit. Zelfs voordat een kind wordt geboren, begint de emotionele instelling van de moeder, die voornamelijk bepaald wordt door haar eigen omgeving, reeds de geest en het lichaam van het kind te beïnvloeden. Dan, vanaf het moment dat het kind is geboren, wordt het als het ware „gedompeld” in een bepaalde levenssituatie die wordt gevormd door de plaatselijk aanwezige zichtbare voorwerpen, de plaatselijke geluiden en geuren en het heersende klimaat, alsook door de „bepaalde wijze” waarop de dingen worden gedaan.
Zo hebben de Eskimo’s bijvoorbeeld speciale dikke kleding en ook een behuizing ontworpen waardoor zij worden beschermd tegen de vrieskou. Bovendien hebben zij in de loop van de tijd een schat van kennis opgedaan omtrent de aardrijkskunde van de poolstreken en de levenswijze van de dieren die hen van vele essentiële levensbenodigdheden voorzien.
Wordt de Eskimo echter niet beschermd tegen de kou door een overgeërfde hogere stofwisseling? Neen. Hoewel de stofwisseling bij de Eskimo soms een derde hoger ligt dan bij vreemdelingen die in hun koude omgeving komen, is deze hoge stofwisseling niet erfelijk, maar afhankelijk van de voeding. Bij ontstentenis van hun gewoonlijk eiwitrijke vleesdieet, daalt hun hoge stofwisseling in enkele dagen.
Betreffende deze en andere schijnbaar „aangeboren” aanpassingen verklaren de evolutionisten J. F. Downs en H. K. Bleibtreu in Human Variation (1969):
„We kunnen zien dat de Eskimo’s vele culturele methoden hebben ontwikkeld om aan de kou het hoofd te bieden . . . Zijn smalle neus, en die van bepaalde buurvolken in Siberië, is wel eens een aanpassing genoemd die ervoor zorgt dat er geen grote hoeveelheden koude lucht in zijn longen komen. Het feit dat sommige volken in een even koud klimaat leven zonder dit kenmerk te bezitten, duidt erop dat het aanpassingsbelang ervan slechts op een onderstelling berust. Evenzo wordt er van de brede neus die men vaak bij volken in Afrika, Australië en Nieuw-Guinea aantreft, gezegd dat hij dient om de lucht te koelen; maar in een groot deel van Australië is het ’s nachts erg koud, terwijl het op de hooglanden van Nieuw-Guinea nooit buitensporig warm is. In Afrika treffen we, als we even de stereotiepe vormen voorbijzien, een grote verscheidenheid van neuswijdten aan . . . In het algemeen gesproken kan men dus zeggen dat de biologische aanpassingen aan de kou nog niet goed begrepen worden, terwijl het, waar ze bestaan, kortstondige fysiologische aanpassingen lijken te zijn — geen genetische veranderingen die door natuurlijke selectie zijn geëvolueerd.” — Bladzijden 201-203.
Maar hoe staat het met de huidkleur? Is dit geen resultaat van evolutie zodat, bijvoorbeeld, de donkere mens beter aangepast is aan een leven in de tropen? Merk op wat de Londense medische bioloog A. Comfort hierop voor antwoord geeft:
„Wij mogen veronderstellen dat huidkleur een aanpassing is of was, maar het feit blijft bestaan dat, met uitzondering van die blanke personen die verbranden zonder bruin te worden, mensen van geen enkel ras tegenwoordig een merkbaar voor- of nadeel schijnen te ondervinden van de kleur van hun huid als zij aan hitte of zonlicht blootstaan. De enige uitzondering hierop is de enigszins hogere weerstand tegen huidkanker die bij donkere personen wordt waargenomen als wordt gekeken naar de lichaamsdelen die voortdurend blootgesteld zijn aan de straling van de zon. Afgezien hiervan en van het feit dat zij geen last hebben van zonnebrand, kunnen personen van het negride ras niet veel beter tegen de warmte dan aangepaste blanken.”
Mensen met een blanke huidkleur, die pas in de tropen zijn aangekomen, ondervinden echter vaak problemen wegens de ongewone levenswijze en de grote verscheidenheid van ziekten daar. De inboorlingen daarentegen zijn volkomen aangepast aan deze levenswijze en ondervinden geen enkele hinder.
Gods voornemen en de mensenrassen
Zonder twijfel is Jehovah, de Maker van de mens, op de hoogte van het wonderbare genetische en culturele potentieel van de mens. Zijn oorspronkelijke voornemen was dat de mensheid zich zou vertakken en de aarde zou vullen. Toen de mensen zich, tegen zijn uitdrukkelijke bevel in, rond de toren van Babel trachtten te concentreren, verwarde God hun taal, waarna zij in alle richtingen over de aarde werden verspreid. — Gen. 9:1, 2;11:1-9.
Nadat de mensen zich begonnen te verspreiden en in bepaalde gevallen van elkaar geïsoleerd raakten, ontstonden er door het enigszins afwijkende genetische materiaal allerlei verschillen. ’s Mensen vermogen om zichzelf en zijn cultuur aan zijn omgeving aan te passen, stelden hem in staat zich nagenoeg overal op aarde te vestigen.
Ook had God zich in zijn grootse wijsheid voorgenomen dat ongeacht waar deze „mensenrassen” ook zouden heengaan, ze te bestemder tijd Gods voornemen met betrekking tot de mensheid zouden leren kennen. De apostel Paulus heeft dit eens kernachtig samengevat in de woorden:
„[God] heeft uit één mens elke natie van mensen gemaakt om op de gehele oppervlakte der aarde te wonen, en hij heeft de gezette tijden en de vastgestelde grenzen van de woonplaats der mensen verordend, opdat zij God zouden zoeken.” — Hand. 17:26, 27.
In deze tijd worden in 208 landen en eilanden der zee mensen die ’God zoeken’ door Jehovah’s getuigen in zijn voornemen onderwezen. Hebt u nooit gehoord van hun oprechte internationale christelijke broederschap en over de afwezigheid van rassendiscriminatie onder hen? Laat hen u tonen hoe ook u tot de „grote menigte” kunt behoren, „die niemand tellen kon, uit alle rassen en stammen en volken en talen . . . [die luid roepen]: ’Het heil is van onze God die op de troon is gezeten, en van het Lam.’” — Openb. 7:9, Sint-Willibrordvertaling.