Waarom laat God toe dat zijn volk zo wordt vervolgd?
IN CHILOMONI, dicht bij Blantyre, zeiden aanvallers tegen Jehovah’s getuigen: „Als er een God is, laat hem dan zien wat er met Jehovah’s getuigen gebeurt en laat hij hun antwoord geven, want hij ziet toch alles?”
In Chalunda werden tweeënveertig Getuigen naar het plaatselijke partijhoofd, E. Y. Zenengeya, gebracht, die leden van de Jeugdbond bevel gaf hen te slaan. Een van hen, Chimombo genaamd, zei: „Laat jullie God jullie maar redden. Als hij bestaat, laat hij dan een bom gooien en mij doden.”
Met het oog op zulke verklaringen, zou men zich kunnen afvragen: ’Waarom laat God eigenlijk toe dat degenen die hem aanbidden, zulke verschrikkelijke wreedheden ondergaan?’
Waarom vervolging komt
Gods Woord toont aan dat hij zulk een vervolging thans om dezelfde reden toelaat als waarom hij toeliet dat zijn eigen Zoon door toedoen van tegenstanders onwaardig werd behandeld en lijden en de dood onderging. Christus Jezus werd gearresteerd, geslagen, bespot en belachelijk gemaakt. Toen hij aan een paal werd genageld en stierf, hoonden mensen hem en lachten zij hem uit, zeggende: „Anderen heeft hij gered, zichzelf kan hij niet redden! Hij is Koning van Israël; laat hem nu van de martelpaal afkomen, dan zullen wij in hem geloven. Hij heeft zijn vertrouwen in God gesteld; laat Hij hem nu verlossen indien Hij hem wil, want hij heeft gezegd: ’Ik ben Gods Zoon’” (Matth. 27:39-44). Toch heeft God de spotters niet ter plaatse gedood. Waarom niet?
Wegens een belangrijke strijdvraag waarbij alle schepselen, zowel in de hemel als op de aarde, betrokken zijn. De strijdvraag betreft de rechtmatigheid van Gods Soevereine heerschappij over het universum. De bijbel toont aan dat deze door Gods tegenstander is uitgedaagd. Het woord „tegenstander” is in de Hebreeuwse Geschriften satan, vandaar dat deze grote tegenstander „Satan” wordt genoemd. De strijdvraag die hij duizenden jaren geleden in Eden opwierp, betrof niet de uitoefening van Gods macht, want hoe gemakkelijk was het niet voor de Almachtige God geweest elke oppositie tegen zijn heerschappij ogenblikkelijk de kop in te drukken! (Num. 16:45) Er werd veeleer een morele strijdvraag opgeworpen, waardoor de toewijding en loyaliteit van alle schepselen aan Gods heerschappij, zoals getoond wordt door getrouwheid aan zijn wetten en uitdrukkelijk bekendgemaakte wil, in twijfel werden getrokken. — Gen. 3:1-5; Job 1:6-12.
Jehovah God heeft tijd ter beschikking gesteld opdat deze universele strijdvraag opgelost kan worden. Hij heeft mensen op aarde toegestaan te tonen of zij Zijn heerschappij voorstaan en begunstigen of niet. Degenen die rechtvaardigheid liefhebben, zijn in de gelegenheid hun getrouwheid en loyaliteit onder beproeving volledig te bewijzen.
Gods tegenstander stelt zich derhalve ten doel de getrouwheid van degenen die God aanbidden, te verbreken. Wanneer zij hun rechtschapenheid jegens God bewaren, wint Satan er weinig mee wanneer hij hun dood veroorzaakt. Zo kon ook Gods Zoon, hoewel hij de dood voor ogen had, op de laatste avond dat hij met zijn discipelen samen was, tegen hen zeggen: „Ik heb de wereld overwonnen” (Joh. 16:33). Alle pogingen van de tegenstander van zijn Vader om hem van een loopbaan van rechtschapenheid af te brengen, hadden gefaald. Door in getrouwheid aan God aan een martelpaal te sterven, gaf Christus Jezus het allerbeste antwoord dat op Satans uitdaging gegeven kon worden, aangezien hij aantoonde dat geen enkel lijden groot genoeg was om zijn liefde voor zijn Vader of zijn loyaliteit ten opzichte van Gods soevereiniteit te verbreken.
Duizenden jaren voordien had de rechtvaardige man Job, die in het Midden-Oosten woonde, een soortgelijke beproeving ondergaan. Het historische verslag toont aan dat Job door toedoen van Gods tegenstander zijn kinderen en zijn bezittingen verloor. De plunderaars die Jobs levende have stalen en de mannen doodden die voor de dieren zorgden, hebben misschien wel bij zichzelf gedacht dat God zich nergens om bekommerde. Misschien hebben zij wel gezegd: ’Waar is Jehovah nu? Indien hij God is, waarom zendt hij dan niet een zwaard of een vuur om ons te doden?’ Maar ook al heeft God hen toen niet ogenblikkelijk gedood, toch heeft de onzichtbare Tegenstander, door wie zij waren gezonden, een volledige nederlaag geleden. Hoe dat zo? Satan en zijn werktuigen werden namelijk verslagen door het feit dat ’Job in dit alles niet zondigde en God niets onbetamelijks toeschreef’. Hij behield zijn geloof in God en doorstond de beproeving in rechtschapenheid. — Job 1:22.
Merk op dat Job, in tegenstelling tot Jezus, niet gedurende zijn beproeving werd gedood. Hij overleefde zijn moeilijkheden, waarna hem geluk en een lang leven ten deel vielen. Op overeenkomstige wijze heeft de grote meerderheid van de Getuigen in Malawi de vervolging overleefd. Betekent het feit dat Job en de meeste Getuigen van Malawi in leven zijn gebleven, dat zij speciaal door God zijn begunstigd vergeleken bij degenen die in de vervolging de dood vonden? Klaarblijkelijk niet, want Jehovah God heeft ook toegelaten dat zijn eigen Zoon ter dood gebracht werd. Maar door het feit dat sommigen wèl sterven, wordt op positieve wijze bewezen dat noch de dood zelf noch de bedreiging ervan Gods ware dienstknechten ertoe zal brengen zijn Woord en de rechtvaardige beginselen ervan ongehoorzaam te zijn.
Evenals in oude tijden moeten Gods dienstknechten in deze tijd aan allerlei beproevingen het hoofd bieden. Daardoor verschaffen zij een volledig, compleet antwoord op Satans uitdaging, waarbij geen enkel aspect van loyaliteit en volharding buiten beschouwing wordt gelaten. Wij lezen hoe sommigen van Gods dienstknechten in de oudheid als gevolg van martelingen zijn gestorven, „opdat zij tot een betere opstanding mochten geraken”, terwijl „anderen . . . hun beproeving [kregen] door bespottingen en geselingen, zelfs meer dan dat, door boeien en gevangenissen. Zij werden gestenigd, zij werden beproefd, zij werden in stukken gezaagd, zij stierven door afslachting met het zwaard, zij zwierven rond in schapevachten, in geitevellen, terwijl zij gebrek leden en verdrukt en slecht behandeld werden” (Hebr. 11:35-37). Maar zij bleven God trouw en ontvingen zijn gunst. Te bestemder tijd zullen zij de beloning van leven in Gods nieuwe ordening oogsten, want God is „de beloner . . . van wie hem ernstig zoeken”. — Hebr. 11:6.
Sommige getrouwe vrouwen in de hedendaagse tijd zijn op een vreselijke wijze vernederd en hebben een schokkende en weerzinwekkende onmenselijke behandeling ondergaan. Toch is hierdoor een verder bewijs gegeven dat geen enkele vorm van lijden — met inbegrip van verkrachting — de rechtschapenheid van Gods getuigen kan verbreken. Sommige onmenselijke mishandelingen laten lichamelijke littekens achter; andere, zoals seksuele aanrandingen of de marteling van ouders te moeten toezien dat hun kind wordt doodgeslagen, kunnen mentale en emotionele littekens achterlaten.
Toch zal Jehovah God al zulke littekens onder de heerschappij van het koninkrijk van zijn Zoon uitwissen. Zijn belofte betreffende zulk lijden zal net als in het geval van zijn volk Israël uit de oudheid waar blijken te zijn: „De vroegere dingen zullen niet in de geest worden teruggeroepen, noch zullen ze in het hart opkomen.” Als gevolg van de zegeningen van die rechtvaardige nieuwe ordening zal al dat vroegere lijden, dat door nimmer eindigende vreugden en aangenaamheid wordt vervangen, vervagen (Jes. 65:17-19). Wanneer er op die beproevingen en verdrukkingen wordt teruggezien, zullen ze, zoals de apostel Paulus ze ook bezag, „van korte duur” en „licht” lijken in vergelijking met de grootse en eeuwige beloning die men heeft verworven. — 2 Kor. 4:17, 18.
Wat er nog meer door tot stand wordt gebracht
Door Gods toelating van vervolging worden nog andere waardevolle dingen tot stand gebracht. Een van deze dingen houdt verband met de vervolgers zelf.
Sommige vervolgers zouden als Saulus van Tarsus kunnen zijn, die „dreiging en moord ademde” tegen Christus’ discipelen. Hij heeft werkelijk toegestemd in de moord van sommigen en er een aandeel aan gehad, terwijl hij anderen in geheel Palestina heeft nagezeten (Hand. 9:1; 7:58 — 8:3). Toen Saulus de situatie echter in het juiste licht bezag, werd hij een van Christus’ ijverigste apostelen. Hij bewees toen zelf zijn getrouwheid onder beproeving. En hij was God heel dankbaar voor Zijn grote geduld en onverdiende goedheid waardoor hij in de gelegenheid gesteld was zijn misleide handelwijze de rug toe te keren. — 1 Kor. 15:9, 10.
De christenen die thans lijden ondergaan, kunnen zich er dus over verheugen dat sommige vervolgers als gevolg van Gods geduld nog tot inkeer kunnen komen en eeuwig leven in Gods nieuwe ordening kunnen verwerven. Ook zullen vele anderen, die het gebeurde hebben gezien of erover hebben gelezen, hierdoor misschien instaat gesteld worden het ware strijdpunt duidelijk in te zien en hun standpunt aan Gods zijde in te nemen.
Vanzelfsprekend wordt er ook nog iets anders door bewerkstelligd. Doordat God vervolging toelaat, worden degenen die werkelijk gezworen vijanden van hem zijn en die weigeren te veranderen, uiteindelijk openbaar. Dat zij ermee doorgaan christenen te mishandelen, ook al beschikken zij over de bewijzen van hun onschuld, zal hen als opzettelijke tegenstanders van God veroordelen. God zal hierdoor volledig gerechtvaardigd zijn wanneer hij hen binnenkort, als hij een eind maakt aan dit onrechtvaardige, gewelddadige samenstel van dingen, aan de vernietiging prijsgeeft. — 2 Thess. 1:6-9.
Lang geleden schreef de apostel Petrus aan medechristenen: „Geliefden, staat niet vreemd te kijken over de brand onder u, die over u komt als een beproeving, alsof u iets vreemds overkwam” (1 Petr. 4:12). In deze tijd staan Jehovah’s getuigen noch in Malawi noch in de rest van de wereld vreemd te kijken over hetgeen er gebeurt. Zij weten waarom vervolging door God wordt toegelaten. En zij hebben het volste vertrouwen dat het eindresultaat tot Gods eer en tot hun eigen eeuwige zegening zal zijn.