’Uit de mond van kinderen’
TOEN Jezus in het voorjaar van 33 G.T. Jeruzalem binnenreed om zichzelf als koning aan te bieden, riepen jongens in de tempel uit: „Red toch de Zoon van David!” Door op deze wijze Jezus’ koningschap te erkennen, loofden deze jongens Jehovah, Degene die hem tot koning had aangesteld (Matth. 21:15, 16). Op dezelfde wijze hebben heden ten dage kinderen van Jehovah’s christelijke getuigen door hun woorden en daden lof aan hun Schepper gebracht.
In Japan werd een meisje van vijf jaar getrouw door haar moeder in Jehovah’s voornemens onderwezen. Maar haar vader, die geen getuige van Jehovah is, zond zijn dochter naar een boeddhistische kleuterschool. Het kleine meisje weigerde als zij het schoolhek binnenkwam de Boeddha eer te bewijzen, en zij aanbad het afgodsbeeld niet. De onderwijzeres berispte haar ernstig en probeerde haar er ook van af te brengen elke dag voor de lunch Jehovah te danken. Ten slotte trachtte de onderwijzeres haar te dwingen deel te nemen aan het boeddhistische Tanabata-feest, maar tevergeefs. Daarom vroeg zij aan het meisje: „Mag je niet van je moeder?” De vijfjarige gaf ten antwoord: ’Nee, ik wil het niet doen omdat Jehovah het niet goed vindt.’ Wat een voortreffelijk antwoord uit de mond van zo’n kleine hummel!
Een meisje van acht jaar uit Bolivia vertelt het volgende over de vervolging die zij onderging van de zijde van haar klasgenoten: ’Op een dag tijdens de les besloten mijn klasgenoten mij te dwingen met hen mee te gaan naar de plaatselijke katholieke kerk om te zien hoe mooi het daar wel was met alle beelden en versieringen. Ik zei hun dat al was de kerk prachtig versierd met beelden, dat helemaal niets te betekenen had. Beelden hebben ogen maar kunnen niet zien, voeten maar kunnen niet lopen, oren maar kunnen niet horen en een mond maar kunnen niet spreken. Mijn klasgenoten bedreigden mij en zeiden: „Als wij sterven, zullen wij je aan je voeten trekken zodat je zult vallen voor wat je hebt gezegd.” Ik vertelde hun dat ik daarvoor niet bang was, omdat de bijbel zegt dat wanneer iemand sterft, hij terugkeert naar het stof en niets weet.
Toen de school uitging, begonnen zij me te slaan en gooiden me omver, en als ik wilde opstaan, trapten zij me. Zij sleepten mij naar de kerkdeur. Ik was bang en bad tot Jehovah. Zij grepen me bij m’n haar en sleepten me de kerk binnen en zeiden toen: „Nu ga je naar onze beelden kijken en je doet precies wat wij doen.” Op dat moment kwam er een vreemde binnen. Mijn klasgenoten vluchtten, maar voordat zij weg waren, kon ik nog opstaan en roepen dat ik nog steeds een van Jehovah’s getuigen was en dat altijd zou blijven.’
Waardoor was dit meisje in staat zo’n zware druk van haar klasgenoten te weerstaan? Zelf verklaart zij dat de geregelde bijbelstudie die zij thuis met haar ouders had, haar geloof had versterkt.
Dat kinderen een instrument kunnen zijn waardoor anderen geholpen worden tot een nauwkeurige kennis van de bijbelse waarheid te komen, wordt getoond in het geval van een klein Canadees meisje. Haar moeder begon met Jehovah’s getuigen de bijbel te bestuderen; zij kreeg ook de aanmoediging met haar dochtertje van vijf jaar te gaan studeren uit het boek Van het verloren naar het herwonnen paradijs. Dit kleine meisje begon toen tegen de kinderoppas te praten over wat zij had geleerd. Zo vertelde zij haar bijvoorbeeld: ’Wij bidden altijd voor het eten.’ Daarom begon de oppas tot de Maagd Maria te bidden. Het meisje van vijf jaar onderbrak haar echter, en zei dat zij en haar moeder alleen tot Jehovah baden. Na het eten stond zij erop dat de kinderoppas haar uit het Paradijs-boek voorlas. Hoe meer dit tienermeisje het boek las, des te meer belangstelling zij begon te krijgen. Ten slotte begon zij vragen te stellen aan de moeder van het kleine meisje. Daarna sprak de oppas met een van haar vriendinnen over wat zij had gehoord en deze ging er op haar beurt, met haar familie over praten. Dit had verbazingwekkende resultaten. Niet alleen werd de moeder van het vijfjarige meisje binnen één jaar een gedoopte getuige van Jehovah, maar ook nog vier andere personen deden deze stap en stelden zich in dienst van God.
Kleine kinderen hebben ook een aandeel aan de openbare bekendmaking van de bijbelse boodschap. In Zuid-Afrika vergezelt de vierjarige James zijn moeder in de van-huis-tot-huisbediening. Wanneer zij hem inleidt, zegt zij: „Als Jehovah’s getuigen leren wij onze kinderen uit de bijbel en wij geven hun ook onderwijs hoe zij er met anderen over kunnen spreken. Zou u graag willen horen wat hij heeft te zeggen?” Tot nu toe is iedereen bereid om naar de kleine James te luisteren, als hij òf in het Engels òf in het Afrikaans verder gaat met de woorden: „Ik heet James, ik doe een bijbelwerk en vertel de mensen over het goede nieuws van het koninkrijk.” Dan laat hij het eerste plaatje zien in het boek De Waarheid die tot eeuwig leven leidt, waar hij dan in het kort iets bij vertelt.
Kinderen zijn beslist niet te jong om uit de bijbel te leren en Jehovah te loven. Hoe goed is het daarom als ouders er ijverig mee bezig zijn hun kinderen het beste onderwijs te geven uit Gods Woord!