Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g71 22/11 blz. 11-14
  • Herinneringen aan Jehovah’s leiding

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Herinneringen aan Jehovah’s leiding
  • Ontwaakt! 1971
  • Onderkopjes
  • Het gewaarworden van een verantwoordelijkheid
  • Volle-tijddienst
  • Prediken in andere landen
  • Terug in de leeuwekuil
  • Vreugde in de ochtend
  • Een blijvende stroom van zegeningen
Ontwaakt! 1971
g71 22/11 blz. 11-14

Herinneringen aan Jehovah’s leiding

Zoals verteld door M. Poetzinger

IK WERD net na de eeuwwisseling geboren in een stad aan de prachtige rivier de Isar. De stad is München, de hoofdstad van Beieren, het centrum van het katholicisme, het toneel van veel historische gebeurtenissen en eens de hoofdstad van de nazi-beweging.

Op de leeftijd van tien jaar was ik al geïnteresseerd in vragen waarop mijn katholieke onderwijzer mij geen bevredigende antwoorden kon geven: Waarom sterven de mensen? Betekent de dood het eind van het bestaan?

Het was pas in 1926 dat ik mijn eerste ontmoeting met de echte bijbelse waarheid had, want toen vertelde mijn broer mij over een vergadering van een groepje bijbelonderzoekers die hij had bezocht. Ik begon de vergadering ook te bezoeken, en spoedig daarna kwam ik in het bezit van een bijbel, een katholieke vertaling.

Zo werd ik een bijbellezer, en een van de eerste teksten die werkelijk indruk op mij maakte was Amos 8:11, waar de profeet spreekt over een grote honger naar het horen van de woorden van Jehovah. Ik besefte dat ik een van de grote schare hongerige personen was en hier kreeg ik ten slotte bevredigend voedsel voor de geest.

Het gewaarworden van een verantwoordelijkheid

’Kan een ieder die God liefheeft een aandeel hebben aan de bekendmaking van zijn koninkrijk?’ was een van mijn eerste vragen. Het antwoord was Ja. Ik vroeg dus of mij een gebied toegewezen kon worden, vulde mijn tas met vijftig brochures, bijbelstudiehulpmiddelen, en daar ging ik op weg naar mijn eerste eenzame ervaring in de van-huis-tot-huisbediening. Na een zeer korte tijd had ik nog maar twaalf brochures over. Dat was slechts het eerste van de vele gelukkige uren in de Koninkrijksprediking.

Ik ben ervan overtuigd dat Jehovah mij in de herfst van dat zelfde jaar naar het nemen van een andere belangrijke stap leidde. Er was een grote vergadering georganiseerd in de reusachtige tent van „Circus Krone”, waar een lezing werd gehouden met Jesaja 6:8 als thema. De spreker vroeg toen aan degenen die geluisterd hadden en de lezing hadden begrepen, op te staan en in te stemmen met een plechtige verklaring aan Jehovah: „Hier ben ik! Zend mij.” Op dat ogenblik geheel vervuld van Gods Woord, schaarde ik mij bij een grote groep die de woorden van de profeet herhaalde en ik meende het werkelijk. Spoedig daarna werd ik gedoopt.

Die doopdag staat in mijn geest gegrift, vooral de woorden van mijn vader toen ik op het punt stond weg te gaan: „Jongen, heb je deze stap goed overwogen?” Ik verzekerde hem dat ik dat gedaan had. Zijn volgende woorden zal ik nooit vergeten: „Ik wil je niet tegenhouden, maar denk eraan, als men een belofte aan God doet, dient men deze ook te houden.” Dat was precies wat ik van plan was te doen. Mijn volgende vakantie bracht ik in het Beierse Woud door, waarbij ik geen ontspanning nam, maar enige ervaring kreeg in de volle-tijddienst van huis tot huis.

Ik wist dat onze predikingsactiviteit een levenreddend werk is, maar pas toen ik een ervaring in het Beierse Woud meemaakte, besefte ik hoe letterlijk dit van toepassing was. Met nog slechts één boek over in mijn tas haastte ik mij terug naar mijn logeeradres om een dreigende onweersbui te ontlopen. Plotseling bespeurde ik een klein huisje hoog op de heuvel. Het leek een slecht gekozen tijd dat steile paadje omhoog te klimmen, maar op de een of andere manier dreef een gevoel van verantwoordelijkheid mij om te gaan. Ik ging er dus heen, maar vond het huis op slot. Toen ik aarzelde om weg te gaan, dacht ik enig geluid bij de schuur te horen. Ik duwde de deur open en daar stond een man, die met een vermoeide stem vroeg: „Wat kom je doen?”

Toen ik het hem uitlegde, vertelde hij mij dat dergelijke zaken voor hem geen enkele betekenis meer hadden. Hij bekende dat hij iedereen de velden in had gestuurd zodat hij alleen kon zijn en met het touw dat hij nog in zijn hand hield, was hij van plan geweest zich van het leven te beroven. Onmiddellijk haalde ik mijn laatste boek te voorschijn en begon hem aan te tonen welke hoop Gods Woord biedt voor de vermoeiden en gebrokenen van hart — een Koninkrijk van vrede en rechtvaardigheid. De onweersbui kwam nu dichtbij. Ik wachtte zijn reactie af. Na enkele ogenblikken veegde hij zijn voorhoofd af, hing het touw terug aan de muur en zei: „Voor dit Koninkrijk heb ik nog de moed. Jongeman, God heeft je op het laatste ogenblik gestuurd. Ik zou dit boek graag willen houden en zal het zorgvuldig bestuderen.”

Volle-tijddienst

De datum dat ik ten slotte met de geregelde volle-tijdprediking begon, was 1 oktober 1930. Met verscheidene anderen werd mij een gebied toegewezen in het Zwarte Woud, dat liep tot aan de Zwitserse grens, langs het Meer van Konstanz en tot diep in het Beierse katholieke gebied. Toen, in 1931, ontvingen wij een uitnodiging om het Parijse congres te bezoeken, waar afgevaardigden van Getuigen uit drieëntwintig landen zouden bijeenkomen. Er was ook een vergadering in Berlijn en wij brachten een bezoek aan het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Maagdenburg.

In 1931 verkregen wij de naam Jehovah’s getuigen. Aan iedere deur verschenen verbaasde gezichten als wij onszelf inleidden met de woorden: „Ik ben vandaag naar u toegekomen als een van Jehovah’s getuigen.” De mensen schudden dan hun hoofd of vroegen: „Maar u bent toch nog steeds Bijbelvorsers? Of hebt u een nieuwe sekte gevormd?” Maar nu, na jaren van prediking, wat een verandering! Voordat ik nog maar een woord heb gezegd, merken de mensen reeds op: „U moet een van Jehovah’s getuigen zijn.”

Ik weet nog dat de jaartekst voor 1933 ons eraan herinnerde dat de naam van Jehovah een sterke toren is (Spr. 18:10). Wij hadden deze verzekering beslist nodig, want tegen deze tijd verspreidde zich het oorlogszuchtige nationalisme, gesteund door religieuze invloed, steeds meer. Ons predikingswerk werd verboden, onze vergaderplaatsen gesloten en onze lectuur verbeurd verklaard. Was dit het einde van mijn geliefkoosde volle-tijddienst? De beruchte Gestapo bezocht mij, en daar ze niets onwettigs kon vinden ging ze bij mij weg met het ultimatum: Blijf in de stad München of bereid je er anders op voor naar het concentratiekamp in Dachau te worden gezonden.

Prediken in andere landen

Dagelijks werden de omstandigheden in Duitsland moeilijker. Die herfst nodigde het Genootschap mij uit naar Bulgarije te gaan om daar de Koninkrijksbelangen te behartigen. Het was een geluk voor ons predikingswerk dat wij getuigeniskaarten hadden die de publikaties in iedere gewenste taal inleidden. Dat was voor mij een grote hulp, want het zou gedurende een zekere tijd de enige communicatiemogelijkheid met de Bulgaren zijn. Ik besefte echter spoedig dat het belangrijk was het cyrillische alfabet vlug meester te worden, want velen waren analfabeet, en zelfs de kaart moest hun worden voorgelezen.

De volwassenen in dit land hadden woelige tijden meegemaakt, en dus hadden maar erg weinigen het voorrecht gehad naar school te kunnen gaan. Zo gebeurde het vaak dat jonge kinderen bij het licht van een petroleumlamp aan een kring van ouderen moesten voorlezen. De Koninkrijksboodschap werd uit de mond van jonge kinderen gehoord.

Een gewoonte die mij in het begin bijzonder in verwarring bracht, was dat de Bulgaar als hij „Nee” bedoelt, bevestigend met zijn hoofd knikt; als hij „Ja” bedoelt, schudt hij zijn hoofd ontkennend. Het was moeilijk daaraan te wennen, en het gebeurde vaak dat ik aanstalten maakte om weg te gaan, denkend dat een persoon geen belangstelling voor onze bijbelse boodschap had.

Binnen een jaar werden de moeilijkheden zo groot dat degenen onder ons die vreemdelingen waren uit het land werden gezet en mijn volgende verhuizing was naar Hongarije, waar een nieuwe taal en nieuwe gewoonten moesten worden geleerd. In Boedapest was ik geweldig blij een groep Duitse pioniers (volle-tijdbedienaren) te ontdekken, die geregelde studievergaderingen leidden, iets wat ik meer dan een jaar gemist had. Daar het verblijf van buitenlanders tot zes maanden achtereen werd beperkt, zou ik naar Slowakije reizen en de Duits-sprekende getuigen in Bratislava helpen.

Hier werd ik op valse gronden gearresteerd als spion en drie dagen gevangen gezet, waarna ik uit het land werd gezet. Deze keer reisde ik op eigen kosten naar Praag. Vandaar stuurde het Genootschap mij naar Joegoslavië om het toezicht te hebben over een groep pioniers daar. Het was wonderbaarlijk Jehovah’s leiding te ervaren door middel van zijn theocratische organisatie.

De gelukkige herinneringen uit die periode zijn vele: Kilometers lopen over het platteland en door dorpen, de lectuur gepakt op je rug; gastvrije mensen die ons voedsel en zelfs een bed voor de nacht aanbieden; de hele nacht trekken over de Hongaarse „Pusta” (vlakten), de met sterren bezaaide hemel boven je, het geluid van een balalaika gedragen door de koele nachtwind, afkomstig van een vergelegen boerderij; dan weer de hele nacht terug met een lading lectuur, afkomstig van ons depot, om de volgende dag voor een nieuw gebied klaar te zijn; een avond doorbrengen in een boerderij waar ik was uitgenodigd te blijven, met buren die binnenkomen om meer te vernemen over de troostrijke boodschap van het Koninkrijk.

Terug in de leeuwekuil

Na een ernstige ziekte waarvoor ik geruime tijd in een ziekenhuis in Zagreb moest blijven, vond ik het noodzakelijk naar Duitsland terug te keren, waar ik spoedig midden in de ondergrondse beweging zat, geen politieke beweging, maar de over het hele land verspreide ondergrondse predikingsactiviteit van Jehovah’s getuigen. In 1936 beïnvloedden twee verschillende gebeurtenissen mijn leven. In augustus trouwde ik met een van de getrouwe metgezellen uit die aangrijpende dagen van het predikingswerk in Centraal-Europa. Dat jaar werd ik ook gearresteerd en naar een concentratiekamp gezonden vanwege mijn weigering mijn geloof te verloochenen en de regering van Hitler als de hoogste autoriteit te erkennen. Daar zat ik dus in Dachau terwijl mijn vrouw op een andere plaats gevangen zat.

Mijn eerste indruk van het kamp was, toen ik de gevangenen gadesloeg die in looppas naar hun werk marcheerden, dat het een gekkenhuis van demonen was. Maar het ergste moest nog komen, want toen Dachau een recruteringscentrum werd, werden wij naar het vernietigingskamp te Mauthausen in Opper-Oostenrijk getransporteerd. Daar in de granietmijnen moest men iedere poging in het werk stellen zijn geloof te bewaren.

Wij waren met 145 Getuigen in dit kamp, waar de Gestapo iedere methode probeerde om ons ertoe te brengen ons geloof in Jehovah te verbreken. Een uithongeringsdieet, bedrieglijke vriendschappen, onmenselijkheden, dagen achtereen te moeten staan in een frame, opgehangen worden aan een drie meter hoge paal, aan je polsen die achter op je rug zijn gedraaid, geselingen — al deze en nog andere methoden, te laag om te vermelden, werden uitgeprobeerd. Maar Jehovah’s leiding was altijd met ons en bracht ons zijn verheven raad te binnen: „Wees wijs mijn zoon, en verheug mijn hart.” — Spr. 27:11.

Vreugde in de ochtend

Ten slotte brak de langverwachte dag aan; het nachtmerrieleven in een nazi-concentratiekamp was voorbij. De Amerikaanse strijdkrachten hadden de Weense politie, die de laatste paar weken de wacht te Mauthausen had overgenomen, ontwapend. De bewakers waren nu zelf gevangenen. Voor veel gevangenen die geen Getuigen waren, was dit de gelegenheid zich te bewapenen en de rekening te vereffenen met slechte, vroegere bewakers. Er ontstond een afgrijselijk toneel, waarin meer dan duizend gevangenen het leven verloren.

Ondertussen kwamen wij als Getuigen in een van de open straten van het kamp bijeen en verenigden wij ons in gebed. Terwijl gewapende medegevangenen heen en weer renden om hun vroegere kwelgeesten te vinden, beschermde Jehovah de zijnen, waarbij hij niet toestond dat er ook maar één slachtoffer viel, zelfs niet door verdwaalde kogels. Niemand had enige rekening met ons te vereffenen, want wij stonden goed bekend als vredelievende christenen.

Ten slotte werd ik met de groep vervoerd naar mijn woonplaats München. Te midden van de ruïnes van de stad troffen wij regelingen voor vergaderingen en begonnen wij het fundament te leggen voor de hervatting van de Koninkrijksprediking bovengronds. Spoedig daarna werd mij gevraagd mijn best te doen in contact te komen met onze medegetuigen in Oostenrijk. Met de hulp van een christelijke zuster die de omgeving door en door kende, slaagde ik erin naar Salzburg te komen, een vergadering bijeen te roepen van getrouwe, verantwoordelijke Getuigen en hun de suggesties van het Genootschap voor te leggen voor de reorganisatie. Wat een vreugde hun stralende gezichten te zien toen zij zich gereed maakten voor een reusachtig naoorlogs herstellingswerk!

Een blijvende stroom van zegeningen

Toen kwam snel achtereen, zegening na zegening. Stelt u zich de vreugde eens voor van de hereniging met mijn getrouwe vrouw nadat wij alle twee negen wrede jaren van opsluiting hadden ondergaan! Het Genootschap organiseerde een reeks van tien congressen, te beginnen met één in Neurenberg, van 28 tot 30 september 1946. Wat een overwinning voor Jehovah! Op de beroemde Zeppelinwiese, eens de verzamelplaats van de nazi-partij, als het ware een reusachtige gehoorzaal in de open lucht, tegenover de 144 reusachtige pilaren, was Jehovah’s volk vergaderd om vreedzaam Gods Woord te beschouwen, terwijl op dezelfde dag eenentwintig vooraanstaande nazi’s ter dood werden veroordeeld voor de misdaden die zij tegen de mensheid hadden begaan.

Woorden zijn niet in staat de vreugde te beschrijven van het bezoek aan het congres te New York in 1950; en opnieuw het bezoek aan het Yankee stadion in 1953 met zijn zee van gelukkige gezichten; de opwinding onze uitnodiging te ontvangen in 1958 de Gileadschool te bezoeken: het onvergetelijke vertrek van die dierbare school te South Lansing in de zomer van 1959; dan terug naar Duitsland voor nog veel meer voorrechten, met een geweldig gesterkte overtuiging van Jehovah’s leiding.

Wij hebben nu bij elkaar meer dan vijfenzeventig jaar volle-tijddienst achter ons liggen, een volle-tijddienst in gunstige tijd en in moeilijke tijd. Vanuit ons hart zeggen mijn vrouw en ik tot allen die ertoe in staat zijn: „Wordt pionier!”

Als ons gevraagd zou worden of wij ons op dezelfde wijze zouden laten leiden als wij weer in onze jeugd konden beginnen, dan is dit ons antwoord: JA! Behalve dat wij niet zo lang zouden wachten met te beginnen. Door op jeugdige leeftijd de vreugden en verantwoordelijkheden van de volle-tijddienst op zich te nemen, kan men zoveel meer Jehovah’s leidende hand ervaren, zijn leiding in iemands leven. Door bereidwillig op Jehovah’s uitnodiging te reageren met „Hier ben ik! Zend mij”, kunnen wij vele zegeningen genieten, niet alleen nu, maar ook in de nieuwe ordening die vlak voor ons ligt, waar wij verheugd kunnen terugdenken aan al de tijd dat Jehovah onze stappen heeft geleid.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen