Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g72 8/3 blz. 24-26
  • De steen van Rosette — Sleutel tot de Egyptische hiërogliefen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De steen van Rosette — Sleutel tot de Egyptische hiërogliefen
  • Ontwaakt! 1972
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De eerste werkzaamheden in verband met deze nieuwe sleutel
  • Champollion zet vaart achter het onderzoek
  • De steen vertelt zijn geschiedenis
  • Een steen die een raadsel oploste
    Ontwaakt! 1988
  • Schrijven een kunst even oud als de mens
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1958
  • Egypte, Egyptenaar
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Egypte, Egyptenaar
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
Meer weergeven
Ontwaakt! 1972
g72 8/3 blz. 24-26

De steen van Rosette — Sleutel tot de Egyptische hiërogliefen

HET was in het jaar 1799. Zes kilometer van het Egyptische stadje Rashid, of Rosette, was een korps Franse soldaten hard aan het werk om veranderingen aan te brengen aan het ford Julien. Doordat het Franse leger onder leiding van Napoleon door de overwinning van de Britse vloot onder generaal Nelson in de verdediging was gedrongen, bereidde het zich voor om voor de laatste maal stand te houden.

Plotseling stuitte een van de soldaten op een heel ongewone steen. De steen was zwart en toen hij door de pikhouweel van de arbeider werd geraakt, gaf hij een metalen klank. Drie van de hoeken waren weggebroken. Toen de soldaat de steen wat nader beschouwde, bemerkte hij dat er allemaal vreemde tekens op stonden. Een officier, Boussard genaamd, besefte de waarde van de steen. Het schrift was ontegenzeglijk zeer oud. En wat nog belangrijker was, de inscriptie bestond uit verschillende soorten schrift, met inbegrip van Griekse lettertekens.

Toen Napoleon van de steen hoorde, gaf hij bevel er afdrukken van te maken; en later werd de steen, toen hij als oorlogsbuit was afgestaan, naar Engeland gebracht. Aan het eind van 1802 werd hij tentoongesteld in het Brits Museum, waar hij nog steeds in de Egyptische beeldengalerij de belangrijkste plaats inneemt.

De steen van Rosette is voor taalgeleerden van groot belang omdat de inscriptie op de steen in twee talen is, in het Egyptisch en het Grieks. Bovenaan staan de raadselachtige hiëroglifische tekens in de steen gegraveerd. Daaronder vinden wij demotisch schrift, een meer gebruikte, vereenvoudigde vorm van het hiëroglifische schrift, het schrift van de mensen in het algemeen. Het laatste gedeelte aan de onderkant bevat de Griekse vertaling.

De eerste werkzaamheden in verband met deze nieuwe sleutel

Onbekend schrift heeft altijd de nieuwsgierigheid van de mens gewekt. Maar het is gebleken dat het ontraadselen van het moeilijkste geheimschrift vaak eenvoudig was, vergeleken bij het ontraadselen van sommige oude teksten. In het verleden hield men de Egyptische hiërogliefen bij vergissing voor louter versiering. Men dacht dat de Chinezen er op de een of andere manier mee te maken hadden, en in het gunstigste geval beschouwde men ze als zuiver symbolische voorstellingen. Maar in de achttiende eeuw werden er meer serieuze pogingen ondernomen om het mysterie van de hiërogliefen te ontraadselen, en er begonnen zich ideeën en theorieën te vormen.

Men begreep al vlug dat de steen van Rosette voor onderzoekers van de Egyptische geschiedenis een vondst van geweldige waarde was. De vertaling van het Griekse deel was in 1802 in het Frans en het Engels verschenen, en hiermee gewapend begonnen geleerden in verscheidene landen de Egyptische teksten te bestuderen. David Akerblad, een Zweedse oriëntalist, vond alle Griekse namen in het demotische deel terug en hij maakte een gedeeltelijk alfabet van zestien letters. Hij maakte echter de fout te denken dat het demotische schrift uitsluitend alfabetisch was.

In 1814 begon Thomas Young, een Engelse geleerde, enige vorderingen te maken in verband met de hiërogliefen. Hij begon de complete teksten zo te verdelen dat deze met de Griekse tekst overeenkwamen. Hij merkte iets op waar andere onderzoekers vóór hem reeds de aandacht op hadden gevestigd. Zes groepen van tekens waren omsloten door een langwerpige ring, een cartouche genaamd, waardoor ze van de andere tekens werden onderscheiden. Hun posities kwamen overeen met de plaatsen waar in de Griekse tekst een naam stond, de naam van koning Ptolemaeus. Young probeerde de tekens te verdelen in de letters en lettergrepen van de naam Ptolemaeus. Hij verkreeg het volgende resultaat:

[Hiëroglifische karakters]

Een andere Engelsman, W.J. Bankes, ontdekte op het eiland Philae in de rivier de Nijl een obelisk en vond daarop de cartouche van Cleopatra. Deze cartouche bevatte drie tekens die ook in de cartouche van Ptolemaeus voorkwamen. Met behulp van andere teksten bestaande uit hiërogliefen en ook door wat handig gissen, had Young tegen 1818 een lijst van meer dan 200 woorden, maar daar was slechts ongeveer een derde van juist. Hij was echter toch de eerste die besefte dat de tekens in veel gevallen overeenkwamen met letters of lettergrepen.

Op dit punt aangeland, verloor Young de belangstelling voor zijn onderzoekingen en verdween van het toneel. Hij liet het terrein open voor de man die de geheimen van het oude Egyptische verleden op de meest beslissende en afdoende wijze zou ontraadselen.

Champollion zet vaart achter het onderzoek

Jean François Champollion was nog geen negen jaar oud toen de steen van Rosette werd gevonden. Al heel jong besefte hij dat de oude Koptische taal van de nog oudere Egyptische taal afstamde, en dus begon hij Koptisch te leren. Dat dit een heel belangrijke stap was, bleek later toen zijn kennis van het Koptisch hem op het spoor van het eerste succes met hiërogliefen bracht.

Terwijl door de intensieve en onverdroten pogingen van Champollion verschillende tekens hun betekenis prijsgaven, kreeg hij in 1821 plotseling een eenvoudig maar belangrijk idee. Hij telde het aantal hiëroglifische tekens op de steen van Rosette op en kwam tot de ontdekking dat het er 1419 waren. Maar de Griekse tekst bevatte slechts 486 woorden; het was dus duidelijk dat de hiërogliefen niet louter ideogrammen of symbolen waren omdat hun aantal drie maal zo groot was.

Hij richtte zijn aandacht weer op de naam Ptolemaeus, die reeds gedeeltelijk door Young ontcijferd was. Op de juiste wijze las hij hem nu als ’Ptolmis’, op de volgende manier:

[Hiëroglifische karakters]

Met de ontdekking van de obelisk van Bankes kon Champollion ook een verbetering aanbrengen in de door hemzelf voorgestelde schrijfwijze van de naam Cleopatra. Nadat hij deze twee namen letter voor letter had geanalyseerd, bestudeerde Champollion iedere koninklijke cartouche die hij te pakken kon krijgen.

Toen naam voor naam werd uitgespeld, viel het op dat ze altijd tot de latere periode van verval in de Egyptische geschiedenis schenen te behoren, tot de tijd van de Ptolemaeën en Romeinen; ook waren het nooit zuiver Egyptische namen maar altijd buitenlandse. Zou zijn vertolking van de hiërogliefen ook de geheimen ontsluieren van de farao’s uit een verder verleden? Op zekere dag kwam er een afwijkende cartouche te voorschijn. Hij wist dat het eerste teken de zon voorstelde, die in het Koptisch ’Re’ wordt genoemd. Aan het eind was een dubbele ’s’. Als het middelste teken een ’m’ was, moest de naam ’R - m - s - s’, Rameses, zijn! De hiërogliefen waren gedurende honderden jaren niet wezenlijk veranderd.

Nu was Champollion er uiteindelijk zeker van dat hij de sleutel had gevonden om de geheimen van de oude Egyptische geschiedenis te ontsluiten; maar het opwindende en slopende speurwerk, waarbij hij vaak geen aandacht schonk aan zijn lichamelijke behoeften, had hem verzwakt en uitgeput. Bijna een week lang was hij te ziek om zijn bevindingen op een aanvaardbare wijze op papier te zetten. Toen zijn ontdekking met het bewijsmateriaal in 1822 in de openbaarheid werd gebracht, werd het in veel kringen sceptisch ontvangen, en tot zijn dood in 1832, toen hij aan een plotselinge ziekte overleed, was hij niet in staat de storm die zijn ontcijfering onder voor- en tegenstanders had teweeggebracht, tot bedaren te brengen.

De steen vertelt zijn geschiedenis

Maar nu stond de weg open. Andere geleerden namen het werk over waar Champollion het had laten liggen. In het bijzonder zette de Duitser Karl Richard Lepsius zich onverdroten aan de taak ieder detail op te helderen, en in 1837 publiceerde hij een grondige verhandeling over zijn bevindingen. Een andere, in 1866 te Tanis (Beneden-Egypte) gevonden inscriptie kwam overeen met de steen van Rosette. Deze stèle was ook voorzien van een hiëroglifische en Griekse tekst, met in de kantlijn een tekst in demotisch schrift. Ze heeft de naam Decreet van Canopus gekregen. Lepsius kon de hiërogliefen en de Griekse tekst reeds bij de eerste poging lezen.

De steen van Rosette kon nu te zamen met duizenden andere Egyptische inscripties gelezen worden; maar welke geschiedenis heeft de steen nu te vertellen? Hij bevat een decreet dat in het negende jaar van Ptolemaeus V Epiphanes, wat overeenkomt met het jaar 196 v.G.T., door de priesters van Egypte werd uitgevaardigd. Wegens de zegenrijke regeringsdaden van de koning zou hij als „Redder van Egypte” nog meer vereerd worden. In iedere tempel zou een standbeeld van hem worden opgericht, en gouden beeltenissen van hem zouden in processies worden meegedragen. Zijn geboorte- en kroningsdag zouden „voor eeuwig” feestdagen blijven, en alle priesters zouden een nieuwe titel krijgen: „Priesters van de zegenrijke op aarde verschijnende god, Ptolemaeus Epiphanes.” Ten slotte moest het decreet op platte basalten stenen worden aangebracht en naast zijn beeld in de tempels worden geplaatst; en het moest worden ingegrift met het „schrift van de taal van de god” — de taal van de hiërogliefen.

Bijna tweeduizend jaar later, toen de steen van Rosette uit de aarde werd gehaald en aan de vergetelheid werd ontrukt, waren de tempels van Egypte tot ruïnes vergaan. De glorie van Egypte was een legende geworden en de koningen en farao’s waren reeds lang gestorven. De goden en beelden waren uit hun nissen gevallen, niet in staat hun priesters bij te staan de feesten van Ptolemaeus „voor eeuwig” te vieren. Zelfs de taal van de god was verloren gegaan en vergeten, en het in handen krijgen van de draad die weer de weg zou wijzen naar de geheimen van het verleden, bleek een taak te zijn die slechts met de vindingrijkheid van meer dan een generatie van geleerden tot een goed einde gebracht kon worden.

[Illustratie op blz. 25]

De cartouche van Ptolemaeus

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen